FALSTAFF. Goed, het zal gebeuren. 128

VROUW HAASTIG. Neen, maar doe het zeker; en zie, dan kan hij tusschen u

beiden heen en weer gaan; en in allen gevalle moet gij een afgesproken

woord hebben, waardoor gij elkander begrijpt, zonder dat de jongen er

nooit niets van kan maken; want het is niet goed, dat kinderen iets van

slechtigheden te weten komen; oudere menschen, weet ge, zijn

verstandig, om zoo te zeggen, en weten, wat er in de wereld te koop is.

FALSTAFF. Nu, goeden dag, groet beiden van mij. Daar is mijn beurs; en

ik blijf nog bij u in de schuld.—Jongen, ga met die vrouw mede. (Vrouw

Haastig af, met Robert.) Dit nieuws doet mij versteld staan.

PISTOOL. Die pink is postboot van Cupido! Meer zeilen bij; haar na, het

schanskleed op! Vuur! mij die prijs, of de oceaan slokke alles!

(Pistool af.)

FALSTAFF. Nu, oude Hans, wat zegt gij? ga uw gang; ik zal nu meer van

uw oud karkas maken, dan ik nog ooit gedaan heb. Kijkt men nog naar u

om? Komt gij, na zooveel geld gekost te hebben, nu aan het winnen? Mijn

goed karkas, ik dank u; laat men zeggen, dat het een sterk stuk is; als

het maar een fraai stuk is, wat doet het er toe?

(Bardolf komt op.)

BARDOLF. Sir John, daar is een zekere heer Beek beneden, die u gaarne

zou willen spreken en met u kennis maken; en hij zendt daartoe uw edele

een morgendronk sek ter begroeting.

FALSTAFF. Hij heet Beek?

BARDOLF. Ja, Sir.

FALSTAFF. Breng hem binnen. (Bardolf af.) Dat zijn mij welkome Beken,

die zulk een vocht doen stroomen. Aha! Juffrouw Ford en juffrouw Page,

heb ik u omsingeld? Vooruit! via!

(Bardolf komt terug, met Ford die vermomd is.)

FORD. God zegen’ u, Sir.

FALSTAFF. U desgelijks, Sir. Gij wenscht mij te spreken?

FORD. Ik neem de vrijheid van u zoo met weinig plichtplegingen aan

boord te komen.

FALSTAFF. Gij zijt welkom. Wat is uw verlangen?—Laat ons alleen,

tapper.

(Bardolf af.)

FORD. Sir, ik ben een gentleman, die al heel wat verteerd heb. Mijn

naam is Beek.

FALSTAFF. Beste heer Beek, ik hoop nader met u bekend te worden.

FORD. Beste Sir John, ik wensch dit als gunst van u; niet om u lastig

te vallen, want ik moet u doen opmerken, dat ik mijzelven beter in

staat acht om geld uit te leenen dan gij het zijt; en dit heeft mij ook

eenigszins moed gegeven tot dit ontijdig binnendringen, want waar geld

vooruitgaat, zegt men, staan alle wegen open.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 22 / 61 题