VROUW HAASTIG. Neen, maar doe het zeker; en zie, dan kan hij tusschen u
beiden heen en weer gaan; en in allen gevalle moet gij een afgesproken
woord hebben, waardoor gij elkander begrijpt, zonder dat de jongen er
nooit niets van kan maken; want het is niet goed, dat kinderen iets van
slechtigheden te weten komen; oudere menschen, weet ge, zijn
verstandig, om zoo te zeggen, en weten, wat er in de wereld te koop is.
FALSTAFF. Nu, goeden dag, groet beiden van mij. Daar is mijn beurs; en
ik blijf nog bij u in de schuld.—Jongen, ga met die vrouw mede. (Vrouw
Haastig af, met Robert.) Dit nieuws doet mij versteld staan.
PISTOOL. Die pink is postboot van Cupido! Meer zeilen bij; haar na, het
schanskleed op! Vuur! mij die prijs, of de oceaan slokke alles!
(Pistool af.)
FALSTAFF. Nu, oude Hans, wat zegt gij? ga uw gang; ik zal nu meer van
uw oud karkas maken, dan ik nog ooit gedaan heb. Kijkt men nog naar u
om? Komt gij, na zooveel geld gekost te hebben, nu aan het winnen? Mijn
goed karkas, ik dank u; laat men zeggen, dat het een sterk stuk is; als
het maar een fraai stuk is, wat doet het er toe?
(Bardolf komt op.)
BARDOLF. Sir John, daar is een zekere heer Beek beneden, die u gaarne
zou willen spreken en met u kennis maken; en hij zendt daartoe uw edele
een morgendronk sek ter begroeting.
FALSTAFF. Hij heet Beek?
BARDOLF. Ja, Sir.
FALSTAFF. Breng hem binnen. (Bardolf af.) Dat zijn mij welkome Beken,
die zulk een vocht doen stroomen. Aha! Juffrouw Ford en juffrouw Page,
heb ik u omsingeld? Vooruit! via!
(Bardolf komt terug, met Ford die vermomd is.)
FORD. God zegen’ u, Sir.
FALSTAFF. U desgelijks, Sir. Gij wenscht mij te spreken?
FORD. Ik neem de vrijheid van u zoo met weinig plichtplegingen aan
boord te komen.
FALSTAFF. Gij zijt welkom. Wat is uw verlangen?—Laat ons alleen,
tapper.
(Bardolf af.)
FORD. Sir, ik ben een gentleman, die al heel wat verteerd heb. Mijn
naam is Beek.
FALSTAFF. Beste heer Beek, ik hoop nader met u bekend te worden.
FORD. Beste Sir John, ik wensch dit als gunst van u; niet om u lastig
te vallen, want ik moet u doen opmerken, dat ik mijzelven beter in
staat acht om geld uit te leenen dan gij het zijt; en dit heeft mij ook
eenigszins moed gegeven tot dit ontijdig binnendringen, want waar geld
vooruitgaat, zegt men, staan alle wegen open.