VROUW HAASTIG. Nu, het korte en het lange van de geschiedenis is: gij
hebt haar zoo van haar tarmentane gebracht, dat het verwonderlijk is.
De beste van alle hovelingen, toen het hof nog in Windsor was, had haar
nooit zoo uit haar tarmentane kunnen brengen; en toch zijn er wel
geweest, ridders en lords en edellieden, met hun koetsen; ik verzeker
u, koets op koets, brief op brief, geschenk op geschenk; en zoo lekker
van reuk, pure muskus, en zoo ritselend, ik verzeker het u, in zijde en
goud; en in zulke alligante uitdrukkingen; zulke wijn en suiker, van
het fijnste en beste, wat een vrouwehart maar verlokken kon; en ik
verzeker u, zij konden geen van allen zelfs geen knipoogje van haar
krijgen.—Ikzelf had nog van morgen twintig engelen kunnen krijgen; maar
ik wil niets van engelen weten—van dat slag dan, om zoo te zeggen,—dan
in alle eere;—en, ik verzeker u, ze konden nooit zooveel van haar
gedaan krijgen, dat zij met de grootste van hen aan zijn beker den mond
zette; en toch waren er graven bij, ja wat meer is, heeren van de
lijfwacht; maar ik verzeker u, dat is haar alles een en hetzelfde. 80
FALSTAFF. Maar wat zegt zij tot mij? wees wat kort, mijn beste
wijfjes-Mercurius!
VROUW HAASTIG. Wel, zij heeft uw brief gekregen, en zij laat er u
duizendmaal voor bedanken; en zij laat u zooveel zeggen, dat haar man
van huis zal wezen tusschen tienen en elven.
FALSTAFF. Tusschen tienen en elven?
VROUW HAASTIG. Ja zeker, en dan kunt gij komen en de schilderij zien,
zegt ze, waar gij van weet; mijnheer Ford, haar man, is dan van huis.
Ach God! de lieve vrouw heeft een kwaad leven met hem, hij is zoo
jaloersch als iets; zij heeft een recht sikkeneurig leven bij hem, de
goede ziel.
FALSTAFF. Tusschen tienen en elven. Nu, vrouwtje, doe haar mijn
groeten; ik zal er wezen.
VROUW HAASTIG. Wel, dat is goed. Maar ik heb nog een andere boodschap
aan uw edele. Ook juffrouw Page laat u hartelijk groeten;—en hoor eens,
een woordje in ’t oor, zij is zulk een fatsoendelijke, eerzame en
zedige vrouw, en een vrouw, die,—verzeker ik u,—haar morgen- en haar
avondgebed niet verzuimt,—als er maar een is in Windsor, de anderen
niet te na gesproken; en zij verzocht mij uw edele te vertellen, dat
haar man zelden van huis is, maar zij hoopt toch, dat er wel eens een
tijd komt. Ik heb van mijn leven geen vrouw zoo dol op een man gezien;
op mijn woord, gij moet tooverkunsten hebben, ja; ja zeker.
FALSTAFF. Ik, neen, dat verzeker ik je; behalve de aantrekkelijkheid
van mijn persoon en mijn eigenschappen, heb ik geen andere
toovermiddelen.
VROUW HAASTIG. Daarvoor zegene u de hemel!
FALSTAFF. Maar zeg mij nog, bid ik u,—hebben de vrouw van Ford en van
Page elkaâr meegedeeld, dat zij op mij verliefd zijn?
VROUW HAASTIG. Nu, dat zou wat moois wezen, waarachtig!—neen, zoo dwaas
heeft onze lieve Heer ze niet gemaakt, hoop ik,—dat zou een gekke
streek wezen, waarachtig! Neen, maar juffrouw Page laat u bij al wat
lief is bidden, dat gij haar toch uw kleinen page stuurt; haar man
heeft een verwonderlijke infectie voor dien kleinen page, en mijnheer
Page is een beste man, waarachtig. Geen vrouw in heel Windsor heeft een
beter leventje dan zij: zij doet wat zij wil, zegt wat zij wil, koopt
alles, betaalt alles, gaat naar bed als zij lust heeft, staat op als
zij lust heeft, en alles gaat zooals zij wil; en waarachtig, zij
verdient het, want als er één lieve vrouw is in Windsor, dan is zij
het. Gij moet haar uw page zenden, daar helpt niets aan.