VROUW HAASTIG. Juist, uwe edele heeft gelijk;—ik bid u, kom nog iets
dichter bij.
FALSTAFF. Ik verzeker u, niemand hoort ons—mijn eigen volk, mijn eigen
volk.
VROUW HAASTIG. Zijn zij dat? nu, God zegen’ hen en make hen tot zijn
dienaars!
FALSTAFF. Nu goed; juffrouw Ford—; wat verder van haar?
VROUW HAASTIG. Ach, Sir, zij is een allerliefst schepsel. God, God, uw
edele is een ondeugd; ja, ja, de hemel vergeve u en ons allen; amen!