Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Pistool komen op.
FALSTAFF. Ik leen je zelfs geen penning.
PISTOOL. Welnu, de wereld zij mijn oester dan, die ik wil oop’nen met
mijn zwaard.
FALSTAFF. Neen, geen penning. Ik heb het mij laten welgevallen, dat gij
mijn invloed in pand hebt gegeven; ik heb driemaal aan mijne goede
vrienden voor u en uw medeboef Nym een uitstel ontwrongen, of anders
hadt gij beiden als tweelingapen door de tralies kunnen kijken. Ik ben
ter helle verdoemd, omdat ik bij edele heeren, mijne vrienden, gezworen
heb, dat gij dappere soldaten en brave kerels waart; en toen juffrouw
Brigitta het handvat van haar waaier verloor, gaf ik mijn eerewoord,
dat gij het niet hadt.
PISTOOL. Kreegt gij uw deel niet? was ’t niet vijftien stuivers?
FALSTAFF. En met recht, schurk, met recht! Denkt gij, dat ik mijne ziel
gratis op het spel zou zetten? In één woord, hang mij niet meer aan ’t
lijf, ik ben geen galg voor u;—ga, een zakmes en een volksgedrang, dat
is uw leven; ga, naar uw ridderzetel Pickt-hatch; ga!—Gij wilt geen
brief voor mij bestellen, gij schurk! gij beroept u op uw eer!—Wat, gij
bodemlooze laagheid, ikzelf heb genoeg te doen met mijn eigen eer
behoorlijk op te houden. Ik, ik, ikzelf moet somtijds de vreeze Gods
links laten liggen en mijne eer in den mantel van mijn nooddruft hullen
en moet kruipen en sluipen en loeren; en gij, schurk, wilt uwe lompen,
uw boschkatblikken, uw bierhuisuitdrukkingen en uw ijzervretersvloeken
achter het afdak van uw eer verschansen! gij durft weigeren, gij!
PISTOOL. ’k Geef toe; wat kunt gij van een mensch nog meer verlangen?
32
(Robert komt op.)
ROBERT. Hier is een vrouw, Sir, die u wenscht te spreken.
FALSTAFF. Zij kome hier.
(Vrouw Haastig komt op.)
VROUW HAASTIG. Ik wensch uw edele goeden morgen.
FALSTAFF. Goeden morgen, goede vrouw.
VROUW HAASTIG. Dat niet, met verlof van uw edele.
FALSTAFF. Dan goeden morgen, meisje.
VROUW HAASTIG. Daar wil ik op zweren; zoo zeker als mijn moeder, het
uur, dat ik geboren werd.
FALSTAFF. Wie zweert, dien geloof ik. Wat wilt gij van mij?
VROUW HAASTIG. Mag ik uw edele een woord of twee vergunnen?
FALSTAFF. Tweeduizend, schoone vrouw, en ik zal u het luisteren
vergunnen.
VROUW HAASTIG. Daar is een zekere juffrouw Ford, Sir; ik bid u, kom
iets dichter bij, hierheen.—Ikzelf woon bij den heer dokter Cajus.