ZIELIG. Tot uw dienst, mijn waard. 229

PAGE. Ik heb gehoord, dat de Franschman nog al sterk is op zijn

stootrapier.

ZIELIG. O heer, dan kan ik u een ander liedje zingen. Tegenwoordig

staat men op een afstand, en doet zijn uitvallen, passado’s en ik weet

al niet wat. Maar het hart doet het hem, vriend Page; hier zit het,

hier zit het. Ik heb den tijd gekend, dat ik met mijn lang slagzwaard u

vier stoere kerels kon laten huppelen als ratten.

WAARD. Komt, jongens, komt, komt! zullen wij uitsnijden?

PAGE. Tot uw dienst.—Maar ik hoorde hen liever kijven, dan dat ik hen

zie vechten.

(De Waard, Zielig en Page af.)

FORD. Laat Page een zorgelooze gek zijn en ook nog zoo vast op zijn

vrouws zwakte bouwen,—ik zet mijn vermoedens niet zoo gemakkelijk van

mij af. Zij was met hem in gezelschap in Page’s huis, en wat zij daar

deden, dat weet God. Neen, ik moet er meer van weten en ik kies een

vermomming, om Falstaff te peilen. Als ik haar onschuldig vind, dan is

mijn moeite niet verloren; en is het anders, dan is de moeite

welbesteed.

(Ford af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 18 / 61 题