PAGE. Ik heb gehoord, dat de Franschman nog al sterk is op zijn
stootrapier.
ZIELIG. O heer, dan kan ik u een ander liedje zingen. Tegenwoordig
staat men op een afstand, en doet zijn uitvallen, passado’s en ik weet
al niet wat. Maar het hart doet het hem, vriend Page; hier zit het,
hier zit het. Ik heb den tijd gekend, dat ik met mijn lang slagzwaard u
vier stoere kerels kon laten huppelen als ratten.
WAARD. Komt, jongens, komt, komt! zullen wij uitsnijden?
PAGE. Tot uw dienst.—Maar ik hoorde hen liever kijven, dan dat ik hen
zie vechten.
(De Waard, Zielig en Page af.)
FORD. Laat Page een zorgelooze gek zijn en ook nog zoo vast op zijn
vrouws zwakte bouwen,—ik zet mijn vermoedens niet zoo gemakkelijk van
mij af. Zij was met hem in gezelschap in Page’s huis, en wat zij daar
deden, dat weet God. Neen, ik moet er meer van weten en ik kies een
vermomming, om Falstaff te peilen. Als ik haar onschuldig vind, dan is
mijn moeite niet verloren; en is het anders, dan is de moeite
welbesteed.
(Ford af.)