FORD. Gelooft gij, dat er iets aan is van wat zij zeggen?
PAGE. Aan de galg met die schoften! Ik kan niet gelooven, dat de ridder
zoo iets zou beginnen. Die knapen, die hem van zulk een aanslag op onze
vrouwen beschuldigen, zijn een paar afgedankte bedienden van hem, echte
landloopers, nu zij buiten dienst zijn.
FORD. Hebben zij bij hem gediend?
PAGE. Zeker, dat hebben zij.
FORD. De zaak bevalt mij daarom nog niet beter.—Woont hij niet in de
Kouseband?
PAGE. Ja, daar woont hij. Als hij werkelijk van plan is zoo op mijn
vrouw aan te stevenen, laat ik haar vrij met hem begaan; en wat hij er
meer mee wint dan eenige vinnige verwijten, dat kome op mijn hoofd
neer.
FORD. Ik wantrouw mijn vrouw volstrekt niet, maar ik zou er toch voor
bedanken hen samen te laten. Een man kan ook al te goed van vertrouwen
wezen, en ik wil niets op mijn hoofd hebben; ik ben zoo gemakkelijk
niet gerustgesteld.
PAGE. Zie, daar komt onze zwetsende waard van de Kouseband aan. Die
heeft òf wijn in den bol òf geld in den buidel, als hij er zoo vroolijk
uitziet.—Wel, wat is er, heer waard?
(De Waard komt op, gevolgd door Zielig.)
WAARD. Wel zoo, ijzervreter! gij zijt een man van de wereld.—Cavaliero
vrederechter, zeg ik.
ZIELIG. Ik kom al, beste waard, ik kom al.—Goeden avond, duizendmaal
goeden avond, beste heer Page. Heer Page, wilt gij met ons medegaan?
Wij hebben een grap voor.
WAARD. Vertel het hem, cavaliero vrederechter; vertel het hem,
ijzervreter!
ZIELIG. Nu, heer, er is een tweegevecht op til tusschen Sir Hugo, den
geestelijke uit Wales, en Cajus, den Franschen dokter.
FORD. Mijn goede waard van de Kouseband, een woordje met u.
WAARD. Wat hebt gij mij te zeggen, mijn ijzervreter? (Hij gaat met Ford
ter zijde.)
ZIELIG (tot Page). Wilt gij met ons meegaan om het te zien? Onze
vroolijke waard heeft op zich genomen hunne wapens te meten, en heeft
hen, geloof ik, op verschillende plaatsen besteld, want wees verzekerd,
de geestelijke hoor ik verstaat geen scherts. Luister ik zal u zeggen,
wat de grap zal wezen.
(Zij spreken samen.)
WAARD. Gij hebt toch geen klacht tegen mijn ridder; mijn gast
cavaliero?
FORD. Neen, dit betuig ik; maar ik zal u een kan gebrande sek geven, om
mij met hem in kennis te brengen; en gij moet hem zeggen, dat ik Beek
heet, enkel voor een grap.
WAARD. Mijn hand er op, ijzerkerel; gij zult egress en regress
hebben,—is dit goed gezegd?—en uw naam zal Beek wezen. Het is een
lustig ridder. Wilt gij gaan, ihr Herrn?