FORD (ter zijde). Het was een recht verstandige kerel;—nu,—

(De twee Vrouwen komen weer uit het huis.)

PAGE. Kijk eens, Kaatje!

JUFFROUW PAGE. Waar gaat gij heen, George?—Luister eens.

JUFFROUW FORD. Wat is er, beste Frank? waarom zoo bedrukt?

FORD. Ik bedrukt? ik ben niet bedrukt.—Ga naar huis, ga!

JUFFROUW FORD. Nu, op mijn woord, gij hebt eenige grillen in het

hoofd.—Gaat gij mede, juffrouw Page?

JUFFROUW PAGE. Tot uw dienst.—Gij komt toch eten, George? (Ter zijde

tot juffrouw Ford.) Kijk eens, wie daar aankomt. Die moet onze bode

zijn bij dien schavuit van een ridder.

JUFFROUW FORD. Nu, waarlijk, ik heb al aan haar gedacht; zij is er de

rechte voor.

(Vrouw Haastig komt op.)

JUFFROUW PAGE. Gij komt mijn dochter Anna eens opzoeken?

VROUW HAASTIG. Ja juist; en hoe maakt het de lieve juffer Anna, als ik

vragen mag?

JUFFROUW PAGE. Kom mee naar binnen en zie het zelf. Wij hebben een

uurtje met u te praten.

(Juffrouw Page, juffrouw Ford en vrouw Haastig af.)

PAGE. Hoe is het, heer Ford?

FORD. Gij hebt gehoord, wat die kerel mij verteld heeft, niet waar?

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 16 / 61 题