SIMPEL. Ja zeker. 19

VROUW HAASTIG. Draagt hij niet een grooten ronden baard, zoo van ’t

fatsoen van een handschoenmakers-snoeimes?

SIMPEL. Neen, zeker niet, hij heeft maar een klein nietig gezicht, met

een kleinen gelen baard, van de Kaïnsbaardkleur.

VROUW HAASTIG. Een zachtzinnig man, niet waar?

SIMPEL. Ja zeker, maar hij heeft zijn handen tot zijn dienst, zoo goed

als iemand, dien ik ken; hij heeft laatst met een konijnenmelker

gevochten.

VROUW HAASTIG. Wat je zegt!—O ik moet hem wel kennen; werpt hij het

hoofd niet in den nek als het ware, en loopt hij niet als een man van

gewicht?

SIMPEL. Ja waarlijk, dat doet hij.

VROUW HAASTIG. Nu, de hemel zende aan Anna Page geen slechter partij!

Zeg aan zijn eerwaarde, aan den heer Evans, dat ik voor uw meester wil

doen wat ik kan. Anna is een goed meisje, en ik wensch—

(Rugby komt weder op.)

RUGBY. O wee, daar komt onze meester.

VROUW HAASTIG. O nu krijgen wij er allen van langs. Vlug, daar binnen,

jong mensch; ga hier in dat bergkamertje. (Zij schuift Simpel er in.)

Hij zal niet lang blijven.—Hé, John Rugby! John! hé! John, zeg ik!—Ga

eens kijken waar onze meester blijft; ik vrees, dat hij niet wel is,

omdat hij niet thuis komt. (Zij zingt.) „En naar onder, naar onder,

naar ondere!”

(Dokter Cajus komt op.)

CAJUS. Wat ben jij daar aan het zing? Ik die gekheid niet mak. Ik u

bid, ga en haal mij uit de kleine kamer un boitier vert, een doos een

groene doos; versta je, wat ik zek? een groene doos.

VROUW HAASTIG. Ja, ja zeker, ik zal ze halen (Ter zijde.) Ik ben blij,

dat hij niet zelf gaat; als hij dat jonge mensch gevonden had, dan was

hij stierlijk dol geworden.

CAJUS. Oef, oef, oef, oef! ma foi, il fait fort chaud. Je m’en vais à

la cour,—la grande affaire.

VROUW HAASTIG. Is het deze, heer?

CAJUS. Oui, mettez le au mon tasch, dépêchez, vluk.—Waar is dat skelm

Rugby?

VROUW HAASTIG. Hé, John Rugby! John!

RUGBY. Hier,—meester.

CAJUS. Gij zijt Jack Rugby en gij zijt Slak Rugby, kom, neem gij uw

rapier, en volk mij op mijn hiel naar de ’of.

RUGBY. Ik heb het bij de hand, heer, hier in het voorhuis.

CAJUS. Op mijne woord, ik ’oud mij te lang op.—Sapristi, qu’ ai je

oublié? ik ’eb in mijn kamer eenige kruid, die ik niet wil verketen,

voor ’eel de wereld niet. (Hij gaat in de bergkamer.)

VROUW HAASTIG. Ach God, nu vindt hij den jongen mensch daar, en wordt

dol! 69

CAJUS. O diable, diable! wat is in mijn kamer? Spitseboef, larron! (Hij

komt terug met Simpel, dien hij bij den kraag houdt.) Rugby! mijn

rapier!

VROUW HAASTIG. Beste heer, blijf bedaard.

CAJUS. Waarom zal ik bedaard blijf?

VROUW HAASTIG. De jonge man is een eerlijke jongen.

CAJUS. Wat doen eerlijke jong in mijn kamer? Dat is niet eerlijk jong,

die in mijn kamer kom.

VROUW HAASTIG. Ik bid en smeek u, wees niet zoo phlegmatiek! Hoor toch

het ware van de zaak; hij kwam mij een boodschap doen van den

eerwaarden heer Hugo.

CAJUS. Goed.

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 10 / 61 题