SIMPEL. Ja zeker, ik moest haar vragen—

VROUW HAASTIG. Stil toch!

CAJUS. Stil toch uw eigen tong!—Spreek gij, wat gij te spreken heb.

SIMPEL. Ik moest deze eerbare juffer, uw huisjuffrouw, vragen, een goed

woord te doen bij juffer Anna Page, voor mijn meester, van wege een

huwelijk.

VROUW HAASTIG. Dat is alles, inderdaad, ja; maar ik zal er geen vinger

voor in de asch steken, zooveel niet.

CAJUS. Sir Hugo heeft u hier gestuur?—Rugby, baillez-moi een papier;

wakt gij een klein oogenblik!

(Hij zet zich neder en schrijft.)

VROUW HAASTIG (ter zijde tot Simpel). Ik ben blij, dat hij zoo kalm is.

Als hij eens recht giftig geworden was, dan hadt gij eens gehoord, hoe

schreeuwerig hij wezen kan, en hoe mankeliek.—Maar dat doet er niet

toe, man; ik wil voor uw meester doen, wat ik kan. En het ware van de

zaak is, dat de Fransche dokter, mijn meester,—ja, ik mag hem wel mijn

meester noemen, ziet gij, want ik bezorg zijn huishouden, en ik wasch,

plak, strijk, bak, kook en brouw voor hem, en maak zijn bed op, en doe

alles zelf,—

SIMPEL (ter zijde tot vrouw Haastig). ’t Is een groote post, als men

zoo geheel voor iemand leven moet.

VROUW HAASTIG (ter zijde tot Simpel). Hebt gij daar ook ondervinding

van? Gij zult het een grooten post vinden; en dan altijd vroeg op en

laat naar bed;—maar het doet er niet toe,—kom hier, in ’t oor,—ik wil

er geen praatjes van hebben,—mijn meester is zelf verliefd op juffer

Anna Page; maar het doet er niet toe, ik ken haar door en door, er komt

niets van, zus noch zoo. 112

CAJUS. Gij, ’Ans aap, geef Sir ’Ugo deez’ brief; op mijn ziel, het is

een uitdaging; ik wil hem de keel afsnijd in de park, en ik wil een

luizigen aap van een priest leer zik te meng of te bemoei. Jij kunt

gaan; het deug niet, dat jij hier talm:—bij God, ik wil hem wegsnijd al

zijn twee steen; bij God, hij zal niet behoud een steen om te smijt

naar zen ’ond.

(Simpel af.)

VROUW HAASTIG. Ach God, hij doet alleen een goed woord voor een vriend.

CAJUS. Dat mij niet kan skeel:—’eb ik jou niet segd, dat ik wil ’eb

Anna Page voor mijself?—Bij God; ik sla die ’Ans priest dood; en ik heb

uitgekoos mijn waard de la Jartière te meet ons wapen.—Bij God, ik wil

’eb zelf Anna Page.

VROUW HAASTIG. Het meisje, heer, mag u wel lijden en alles komt

terecht. Wij moeten de menschen laten praten, wat drommel!

CAJUS. Rugby, kom naar de ’of met mij.—Bij God, als ik niet krijg Anna

Page, ik u bij den kop smijt uit mijn huis.—Volk mijn hiel, Rugby.

(Cajus en Rugby af.)

VROUW HAASTIG. Gij Anna? een’ ezelskop krijgt gij voor uzelf. Neen, ik

ken Anna in dit opzicht door en door, geen vrouw in heel Windsor kent

Anna zoo door en door als ik; en niemand kan meer van haar gedaan

krijgen dan ik, den hemel zij dank.

FENTON (van buiten). Wie is er thuis, hé!

VROUW HAASTIG. Wie is daar, waarachtig? Kom nader bij, bid ik u.

(Fenton komt op.)

FENTON. Wel, goede vrouw, hoe gaat het?

VROUW HAASTIG. Zoo goed als het kan, nu uw edele daarnaar gelieft te

vragen.

FENTON. Wat is er voor nieuws? hoe maakt het de lieve juffer Anna?

VROUW HAASTIG. Waarachtig, heer, lief, dat is zij, en zedig en aardig;

en zij mag u wel lijden, dit wil ik u tusschen haakjes wel zeggen, den

hemel zij dank!

FENTON. Denkt gij, dat het zal lukken? zou mijn aanzoek niet worden

afgewezen? 153

VROUW HAASTIG. Nu, heer, alles staat in Gods hand; maar toch, jonge

heer Fenton, zou ik op den bijbel willen zweren, dat zij u

bemint.—Heeft uw edele niet een wrat boven uw oog?

FENTON. Ja wel, dat heb ik; maar wat zou dat?

VROUW HAASTIG. Wel, daar is een heel verhaal aan vast.—Goede hemel, dat

is me een Anneken! maar, dat verzweer ik, een meisje zoo zedig, als er

ooit een brood gesneden heeft;—wij hebben wel een uur lang over die

wrat gepraat. Ik zal nooit lachen als bij dat meisje; maar, wezenlijk,

zij geeft zich te veel aan allikolie en aan gepeins over. Maar wat u

betreft, ga maar door.

FENTON. Nu, ik hoop haar vandaag nog te zien. Wacht daar hebt gij geld;

wees mijn voorspraak bij haar; en als gij haar eer ziet dan ik, wil

haar dan van mij groeten.

VROUW HAASTIG. Of ik wil? ja waarlijk, dat willen wij; en ik zal uw

edele meer van de wrat vertellen, als wij weer eens vertrouwelijk bij

elkaâr zijn, en ook van andere minnaars.

FENTON. Goed, vaarwel; ik heb nu groote haast.

(Fenton af.)

VROUW HAASTIG. Vaarwel, uw edelheid.—Waarachtig, een goed heer; maar

Anna bemint hem niet; want ik ken Anna door en door, zoo goed als

iemand.—Wat weêrgâ, wat heb ik daar vergeten!

(Vrouw Haastig af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 11 / 61 题