Een kamer in het huis van Dokter Cajus.
Vrouw Haastig, Simpel en Rugby komen op.
VROUW HAASTIG. Hé, John Rugby!—Wees zoo goed en ga aan het venster en
zie, of gij ook onzen heer, den heer en dokter Cajus ziet aankomen;
want, waarachtig, als hij komt, en hij vindt iemand in zijn huis, dan
heeft Gods lankmoedigheid en ’s konings Engelsch het zwaar te
verantwoorden.
RUGBY. Ik zal gaan uitkijken.
VROUW HAASTIG. Doe het; daarvoor zullen wij van avond een biersoepje
hebben, waarachtig, bij het laatste restje van het steenkolenvuur.
(Rugby af.)—Een eerlijke, gewillige en goedhartige knaap, zoo goed er
maar in een huis een wezen kan; en, ik verzeker je, geen aanbrenger en
geen twiststoker; zijn ergste gebrek is, dat hij aan het bidden te veel
verslaafd is; van dien kant is hij wel wat zielig; maar zoo heeft ieder
zijn gebrek; dus dat mag wel zoo wezen. Je naam is Peter Simpel, zegt
ge?
SIMPEL. Ja, bij gebrek aan beter.
VROUW HAASTIG. En mijnheer Slapperman is je meester?