PISTOOL. Te lijmen, zegt de wijze; stelen, foei! Een figo aan dat
woord!
FALSTAFF. Mannen, ik ben bijna door mijn zolen heen.
PISTOOL. Welnu, laat winterhielen volgen.
FALSTAFF. Er helpt niets aan; ik moet gaan stroopen; ik moet op buit
uit.
PISTOOL. Om voedsel schreeuwt het jonge ravenbroedsel.
FALSTAFF. Wie van u kent Ford hier in de stad?
PISTOOL. Ik ken den man; voorwaar, hij is gegoed.
FALSTAFF. Mijn brave jongens, ik wil zeggen, wat er in mij omgaat.
PISTOOL. Twee el, en meer.
FALSTAFF. Geen schimpscheuten nu, Pistool! ’t Is waar, dat ik omga met
een middel van twee el, maar ik zoek nu een middel, om niet te
verliezen en veel te krijgen. Om kort te gaan, ik wil het hof maken aan
de vrouw van Ford. Ik heb voorkomendheid bij haar bespeurd; zij praat,
zij lacht toe, zij geeft uitlokkende wenken; ik kan den zin van haar
vertrouwelijke gezegden zeer wel gissen, en de stugste uitdrukking van
haar houding is, goed verengelscht: „Sir John Falstaff, ik ben de uwe.”
PISTOOL. Hij heeft haar wel bestudeerd en haar wil vertaald, uit de
eerbaarheid in het Engelsch.
NYM. Het anker zinkt diep; zal deze humor houden?
FALSTAFF. Nu gaat het gerucht, dat zij de koorden heeft van haars mans
beurs; hij heeft een legioen engelen.
PISTOOL. Werf even zooveel duivels aan, en op haar los, mijn zoon!
NYM. De humor stijgt, nu wordt het goed; humoriseer mij die engelen!
FALSTAFF. Ik heb hier een brief aan haar geschreven,—en hier nog een
aan Page’s vrouw, die mij eveneens vriendelijke oogjes gaf en mijn
uiterlijk met zeer nauwlettende blikjes monsterde. Nu eens vergulde
haar oogstraal mijn voet, dan weder mijn achtbaar lijf.
PISTOOL. Dan scheen de zon daar op een mesthoop neer.
NYM. Ik dank u voor dien humor.
FALSTAFF. O, zij nam mijn uiterlijk met zulk een begeerige
opmerkzaamheid in oogenschouw, dat de gretigheid van haar oog mij als
een brandglas dreigde te verzengen. Hier is ook voor haar een brief;
zij draagt ook de beurs; zij is een streek van Guyana, louter goud en
overvloed. Ik wil schatmeester voor haar beiden zijn en zij zullen mijn
schatkisten zijn; mijn Oost- en West-Indië zullen zij zijn, en ik zal
met haar beiden handel drijven. Ga, breng gij dezen brief naar juffrouw
Page, en gij dezen naar juffrouw Ford. Wij zullen vooruitkomen,
jongens, wij zullen vooruitkomen. 82
PISTOOL. Zou ik Sir Pandarus van Troje worden? Ik, met dit zijgeweer!
Eer haal’ mij Lucifer!
NYM. Ik wil mij met geen pooveren humor inlaten. Daar, neem uw
humor-brief terug! Ik wil mij aan een levenswandel van reputatie
houden.
FALSTAFF (tot Robert). Hier, knaap, breng gij de brieven en met zorg.
Zeil als mijn bootje naar die gouden kusten.—
Weg, schurken! smelt, verdwijnt als hagelsteenen;
Loopt u de hakken af, schuilt, bergt u, voort!
Falstaff wil nu den humor van den tijd,
De Fransche wijze om rijk te worden leeren,
Ikzelf en die omboorde page mijn.
(Falstaff en Robert af.)
PISTOOL. Dat gieren u in uw gedarmt wroeten!
Want valsche steenen plukken rijk en arm.
’t Zal klinken in mijn buidel, als gebrek
U, snooden Turk uit Phrygië, nijpen zal!
NYM. Ik broed op plannen, die den humor van de wraak hebben.
PISTOOL. Gij zint op wraak?
NYM. Bij ’t luchtgewelf en bij zijn sterren, ja.
PISTOOL. Met geest of staal?
NYM. Met alle twee die humors.
Zijn liefde-humor deel ik Page meê.
PISTOOL. Zoo wordt door mij aan Ford ontvouwd,
Hoe Falstaff, snood en vet,
Zijn duif’jen aanrandt en zijn goud,
Wil sluipen in zijn bed.
NYM. Mijn humor zal niet verkoelen; ik wil Page ontvlammen, dat hij
naar vergift grijpt; ik wil hem de geelzucht aanjagen, want het oproer
in mij is gevaarlijk; en dat is mijn ware humor.
PISTOOL. Gij zijt de Mars der malcontenten;
Ik sta u bij; ga voor.
(Beiden af.)