Een kamer in de herberg De Kouseband.
Falstaff, de Waard, Bardolf, Nym, Pistool en Robert komen op.
FALSTAFF. Mijn waard van de Kouseband!
WAARD. Wat zegt mijn ijzervreter? Spreek geleerd en wijs.
FALSTAFF. Waarachtig, mijn waard, ik moet eenigen van mijn gevolg
wegdoen.
WAARD. Dank af, IJzerhercules, casseer; laat hen wegdraven, hop, hop!
FALSTAFF. Ik zit op tien pond in de week.
WAARD. Gij zijt een wereldvorst, Cæsar, keizer, man van ijzer. Ik wil
Bardolf overnemen; hij zal vaten opsteken, hij zal bier aftappen; is
dit goed gesproken, IJzerhector?
FALSTAFF. Doe dat, mijn beste waard.
WAARD. Ik heb het gezegd; laat hem volgen.—(Tot Bardolf.) Ik wil u
laten schuimen en kalken; ik ben een man van mijn woord; volg mij.
(De Waard af.)
FALSTAFF. Bardolf, volg hem. Tappen is een goed ambacht; een oude rok
levert een nieuw wambuis, een verweerd dienstman een verschen tapper.
Ga, vaarwel!
BARDOLF. Het is een leven, zooals ik altijd gewenscht heb. Het zal mij
er best in gaan.
(Bardolf af.)
PISTOOL. O snood Gongarisch wicht, wilt gij de kraan regeeren?
NYM. Hij werd in den drank verwekt, is het niet een kostelijke humor?
Zijn aard is niet een heldenaard, dat is de humor er van.
FALSTAFF. Ik ben blij, dat ik zoo van die tondeldoos afkom; zijn
diefstallen waren al te zichtbaar; in het kapen was hij als een
onbedreven zanger, hij hield de maat niet.