EVANS. Pauca verba, Sir John; pak zoete prootjes. 123

FALSTAFF. Laat hèm liever een zoutbroodje pakken.—Slapperman, ik heb u

een gat in ’t hoofd geslagen; is dat stof tot een aanklacht tegen mij?

SLAPPERMAN. Nu zeker, heer, ik had stof genoeg in mijn hoofd tegen u;

en ook tegen uw schurken van gauwdieven, Bardolf, Nym en Pistool. Zij

sleepten mij naar de herberg, en maakten mij dronken en leegden toen

mijn zakken.

BARDOLF. Gij Banbury-kaas!

SLAPPERMAN (terugwijkend). O, ’t is nietmetal.

PISTOOL. Wat, Mephostophilus!

SLAPPERMAN. O, ’t is nietmetal.

NYM. Flentertje, zeg ik! pauca, pauca; flentertje, dat is mijn humor.

SLAPPERMAN (altijd meer terugwijkend). Waar is Simpel, mijn

knecht?—weet gij het ook, neef?

EVANS. Frede, pit ik u. Laten wij tot een verstand komen; daar is drie

scheidensrechters in deze zaak, als ik mij wel fersta; dat is de heer

Page, fidelicet, de heer Page; en daar ikself, fidelicet, ikzelf, en de

derde man is, in de laatste plaats en finaliter, de waard uit „de

Kouseband.”

PAGE. Wij drieën, wij willen de zaak onderzoeken, en tusschen hen in

het effen brengen.

EVANS. Brafo! ik wil een kort pechrip fan de saak in mijn sakpoekje

maken; en wij willen later alles pespreken met alle moochlijke

pehoetsaamheid.

FALSTAFF. Pistool!

PISTOOL. Hij hoort met ooren.

EVANS. De tuifel en sijn chrootmoeder! Wat is tat foor een manier van

spreken: „Hij hoort met ooren!” Kom, tat is toch cheaffectioneerd.

FALSTAFF. Pistool, hebt gij de beurs van den heer Slapperman gesneden?

SLAPPERMAN. Ja, bij deze handschoenen, dat heeft hij, of ik wil nooit

meer in mijn eigen groote kamer komen. Het waren een halve kroon in

scheepjesschellingen, en twee mooie schuifbord-schellingen, die mij

twee schellingen en twee stuivers het stuk hebben gekost bij Yed

Miller, zoowaar ik deze handschoenen heb.

FALSTAFF. Is dit echt waar, Pistool?

EVANS. Neen, het is falsch, als het een puitelsnijderij is.

PISTOOL. Ha, vreemd’ling van ’t gebergt’!—Sir John, gij meester mijn,

Ik daag die blikken degenkling hier uit;

En looch’ning slinger ik uw labras toe,

Ja, looch’ning! Ha, gij heffe en schuim, gij liegt!

SLAPPERMAN (op Nym wijzend). Bij deze handschoenen, dan was hij het.

NYM. Wees gewaarschuwd, heer, en kom met goede humors uit. Ik doe „Hap

snap!” met u, als gij mij met dien grijpschaar-humor aan boord komt;

dat is het fijne van de zaak. 172

SLAPPERMAN (op Bardolf wijzende). Bij mijn hoed, dan was hij het met

dat roode gezicht; want al kan ik mij niet herinneren, wat ik deed,

toen gij mij dronken hebt gemaakt, toch ben ik niet geheel en al een

ezel.

FALSTAFF. Nu, wat zegt gij, Scharlaken en Hans?

BARDOLF. Wel, Sir, ik voor mijn part zeg, dat die heer zichzelf

bedronken heeft, tot hij zijn vijf zinsneden kwijt was.

EVANS. Sijn fijf sinnen, zegt men; foei, wat die onwetendheid toch is!

BARDOLF. En toen hij vetjes was, Sir, werd hij, om zoo te zeggen,

gecasseerd; en zoo gingen zijn conclusa’s de spiegaten uit.

SLAPPERMAN. Ja, toen hebt gij ook latijn gesproken; maar dat doet er

niet toe. Ik zal mij nooit van mijn leven weer bedrinken, na dezen

streek, dan in eerlijk, net, godzalig gezelschap; als ik mij weer

bedrink, wil ik dronken zijn met menschen, die de vreeze Gods hebben,

en niet met dronken schurken.

EVANS. Nu, bij Chod, dat is een frome gesindheid.

FALSTAFF. Gij hoort, dat al deze dingen geloochend worden, heeren; gij

hoort het.

(Anna Page komt op, met wijn; gevolgd door Juffrouw Ford en Juffrouw

Page.)

PAGE. Neen, dochter, neem den wijn weer mee, wij willen binnen drinken.

(Anna Page af).

SLAPPERMAN. O hemel, dat is juffer Anna Page.

PAGE. Ei, zie, juffrouw Ford!

FALSTAFF. Juffrouw Ford, op mijn eer, het is mij recht aangenaam u te

zien. Met uw verlof, lieve juffrouw!

(Hij kust haar.)

PAGE. Vrouw, heet deze heeren welkom.—Komt, wij hebben een warme

wildbraadpastei voor ons middagmaal; komt, heeren, ik hoop, dat wij

alle verbittering zullen afdrinken.

(Allen af, behalve Zielig, Slapperman en Evans.)

SLAPPERMAN. Ik gaf wel veertig schellingen, als ik mijn liedekens- en

klinkdichtenboek hier had.

(Simpel komt op.)

Wel, Simpel, waar hebt ge gezeten? Ik moet mijzelven bedienen, niet

waar? Heb je het raadselboek ook bij je, heb je ’t?

SIMPEL. Het raadselboek? wel, hebt gij dat niet aan Elsje Kleingoed

geleend, met de laatste Allerheiligen, veertien dagen voor Sinte

Michiel?

ZIELIG. Kom, neef; kom neef; wij wachten op u. Een woordje met u, neef.

Zie eens, hier, neef. Er is, als het ware, een voorslag, zoo van verre

gedaan door Sir Hugo hier. Verstaat gij mij?

SLAPPERMAN. Ja zeker, en gij zult mij niet onredelijk vinden. Als het

zoo is, zal ik alles doen, wat redelijk is.

ZIELIG. Neen, maar versta mij.

SLAPPERMAN. Neen, maar dat doe ik.

EVANS. Geef sijn peweging het oor, heer Slapperman. Ik sal u de saak

peschrijfelijk zijn, als gij ontfankelijkheid sijt daarfoor. 223

SLAPPERMAN. Neen, ik wil doen, wat mijn neef Zielig zegt. Neem het mij

niet kwalijk, zeg ik, maar hij is vrederechter in zijn landschap, hoe

eenvoudig ik hier ook staan mag.

EVANS. Maar dat is de fraag niet; de fraag heeft betreffing op uw

huwelijk.

ZIELIG. Ja, dat is de zaak, man.

EVANS. Ja, tat is het; tat is de eigentlijke saak en met juffer Anna

Page.

SLAPPERMAN. Nu, als het dat is, dan wil ik haar trouwen, op ieder

redelijk verlangen.

EVANS. Maar kunt gij het meisje peminnen? Laat ons tat, wil ik, fan uw

mond of fan uw lippen fernemen, want verschillende philosophen beweren,

dat de lippen stukken sijn fan den mond; daarom, seg ons uitdrukkelijk,

kunt gij uwe affictie op het meisje overbrengen?

ZIELIG. Neef Abraham, kunt gij het meisje beminnen?

SLAPPERMAN. Ik hoop, neef, zoo te doen, als het iemand past, die

redelijk wil doen.

EVANS. Neen, Gods heilige mannen en vrouwen, gij moet possitierlijk

seggen, of gij uwe sinnen op haar kunt fersetten.

ZIELIG. Dat moet gij. Wilt gij haar trouwen, als zij goed wat

meebrengt?

SLAPPERMAN. Ik wil nog wel een grooter ding doen dan dat, op uw

verlangst, neef, in alle redelijkheid.

ZIELIG. Neen, begrijp mij, begrijp mij, beste neef; wat ik doe, is om u

een plezier te doen, neef. Kunt gij het meisje beminnen?

SLAPPERMAN. Ik wil haar trouwen, neef, op uw verlangst. Al is de liefde

in den beginne zoo groot niet, dan kan de hemel dit bij nadere

kennismaking verergeren, als wij eens getrouwd zijn en meer gelegenheid

hebben om elkander te kennen; ik hoop, van de vertrouwelijkheid zal

meer en meer despect groeien; maar als gij zegt „trouw haar,” dan wil

ik haar trouwen; daartoe ben ik gedissolveerd en dat vrij en dissoluut.

EVANS. Tat is mij seer verstandig antwoord, alleen find ik fout tat

woord dissoluut; dat woord is naar onse meening „rissoluut.” Maar de

petoeling is choed.

ZIELIG. Ja, ik denk, mijn neef heeft het goed bedoeld.

SLAPPERMAN. Ja, of anders laat ik mij hangen, ja!

(Anna Page komt weder op.)

ZIELIG. Daar komt de schoone juffer Anna.—Ik wilde wel, dat ik jong

was, om uwentwil, juffer Anna.

ANNA. Het eten staat op tafel, mijn vader verzoekt de heeren binnen te

komen.

ZIELIG. Tot zijn dienst, schoone juffer Anna.

EVANS. Chod sal mij liefhebben, ik sal bij het chratias niet

uitplijven. 274

(Zielig en Evans af.)

ANNA. Wil uw edelheid zoo goed zijn, binnen te gaan, mijnheer?

SLAPPERMAN. Neen, ik dank u, inderdaad, van harte. Ik ben heel wel zoo.

ANNA. Het eten wacht op u, heer.

SLAPPERMAN. Ik ben niet hongerig, ik dank u, waarlijk.—Ga, knaap, want

al zijt gij mijn bediende, ga en bedien nu mijn neef Zielig. (Simpel

af.) Een vrederechter mag soms aan een vriend wel verplichting hebben

voor een knecht.—Ik houd nu maar drie bedienden en een jongen, tot mijn

moeder dood is; maar wat doet dat? Ik leef toch als een arm edelman van

geboorte.

ANNA. Ik mag niet zonder uw edele binnengaan; zij gaan niet aan tafel,

vóór gij komt.

SLAPPERMAN. Inderdaad, ik zal niets eten; ik dank u, niet minder dan of

ik het genoten had.

ANNA. Maar ik bid u, heer, ga toch binnen.

SLAPPERMAN. Ik blijf liever buiten om hier wat te wandelen; ik dank u.

Ik heb pas mijn scheen geschaafd, toen ik onlangs op rapier en dolk met

een schermmeester trok, drie raakstooten om een schotel gestoofde

pruimen; en op mijn woord, na dien tijd kan ik de lucht van warm eten

niet uitstaan.—Wat blaffen daar uw honden zoo? zijn er beren in de

stad?

ANNA. Ik geloof van ja, heer; ik heb er van hooren spreken.

SLAPPERMAN. Dat is een groote liefhebberij van mij, maar ik kan daarbij

zoo licht twist krijgen als maar iemand in Engeland. Gij wordt bang,

als gij den beer los ziet, niet waar?

ANNA. Ja, zeker, heer.

SLAPPERMAN. Dat is voor mij eten en drinken. Ik heb Sackerson wel

twintigmaal los gezien en hem bij den ketting gepakt; maar ik verzeker

u, de vrouwen hebben daarbij zoo geschreeuwd en gegild, dat het een

aard had. Maar wezenlijk, de vrouwen kunnen hen niet uitstaan; het zijn

leelijke ruige schepsels.

(Page komt weder op.)

PAGE. Kom toch, beste heer Slapperman, wij wachten op u.

SLAPPERMAN. Ik zal niets eten; ik dank u, heer.

PAGE. Wat! kippen en pasteiën! gij moogt niet weig’ren. Kom mede, kom!

SLAPPERMAN. Nu, ik bid u, ga voor.

PAGE. Kom toch, heer!

SLAPPERMAN. Juffer Anna, gij moogt voorgaan.

ANNA. Ik? volstrekt niet, heer; ik bid u, ga voor.

SLAPPERMAN. Voorwaar niet; ik zal niet voorgaan, voorwaar niet; die

onbeleefdheid doe ik u niet aan.

ANNA. Ik bid u, heer.

SLAPPERMAN. Nu, dan wil ik liever onbeleefd dan lastig zijn. Maar gij

doet uzelve onrecht, ja zeker, ja!

(Allen af.)

De vroolijke vrouwtjes van Windsor · 第 5 / 61 题