Windsor. Voor Page’s huis.
Vrederechter Zielig, Slapperman en Sir Hugo Evans komen op.
ZIELIG. Sir Hugo, praat er mij niet meer van; ik wil er een
Sterrekamerzaak van maken; al ware hij twintigmaal Sir John Falstaff,
hij zal weten, dat hij met Robert Zielig, zijn edelgeboren, te doen
heeft.
SLAPPERMAN. In het graafschap Gloster, vrederechter en coram.
ZIELIG. Ja, neef Slapperman, en custalorum.
SLAPPERMAN. Ja, en rato-lorum er bij; en een geboren edelman,
eerwaarde, die zich armigero schrijft, op iedere rekening,
borgstelling, kwijting of dagvaarding, armigero.
ZIELIG. Ja, dat doe ik, en dat hebben wij allen gedaan al sinds
driehonderd jaar.
SLAPPERMAN. Al zijn afstammelingen, die voor hem waren, hebben het
gedaan; en al zijn stamvaders, die na hem komen, mogen het doen; zij
mogen hun dozijn zilveren pietermannen op hun riddermantel dragen. 17
ZIELIG. Het is een oude riddermantel.
EVANS. Die dosijn silveren pieten komt choet bij een ouden mantel; zij
staan hem choet, stappend; het is een chesellig beest voor ten mensch
en betuit chehechtheid.
ZIELIG. De pieterman is een versche visch;—gezouten visch behoort in
een oud wapen.
SLAPPERMAN. Ik kan het vierendeelen, neef; niet waar?
ZIELIG. Als gij een vrouw neemt, ja, en de wapens vereenigt.
EVANS. Hij neemt van u, als hij fierendeelt.
ZIELIG. Wel volstrekt niet.
EVANS. Wel seker, bij onze lieve frouw; als hij een fierde van uw
mantel heeft, plijven er maar drie slippen voor u self, naar mijn
onnoozel pechrip. Maar dat is alles hetselfde;—als Sir John Falstaff u
onaangenaamheids pechaan heeft, dan pen ik van de kerk en wil recht
chaarne mijn welwillendheid u aandoen en versoeningen en kompremiesen
tusschen u maken. 34
ZIELIG. De geheime raad zal er kennis van nemen; het is oproer.
EVANS. Het is niet choet, dat de cheheime raad van een oproer hoort; er
is cheen freese Chots in een oproer te hooren; heb wel attentaat
hierop.
ZIELIG. Nu, bij mijn ziel, als ik nog jong was, zou het zwaard het
uitmaken.
EVANS. Het is peter, dat frienden het swaard sijn en het uitmaken; en
tan is er nog een andere spikkulatie in mijn prein, die misschien iets
choets uitwerkt. Taar heb je Anna Page, tochter van den heer George
Page, dat een aartige maachtelijkheid is.
SLAPPERMAN. Juffer Anna Page? Zij heeft bruin haar en een fijne stem,
zooals de meisjes hebben.
EVANS. Zij is juist de persoon uit de cheheele wereld als maar te
wenschen is door u, en sevenhonderd pond geld en choud en silver fan
haar chrootvader op zijn sterfbed,—Chod cheve hem een froolijke
opstanding!—als sij in staat is seventien jaar te tellen. Het sou een
goede suinigheid zijn, als wij ons gehassebas en gewirrewar wechlieten
en een huwelijk maakten tusschen mijnheer Abraham en Anna Page.
SLAPPERMAN. Heeft haar grootvader haar zevenhonderd pond nagelaten?
EVANS. Ja, en haar fader laat haar nog meer tuiten.
SLAPPERMAN. Ik ken de jonge juffer; zij heeft goede gaven.
EVANS. Sevenhonderd pond en uitsichten zijn choede chaven.
ZIELIG. Nu, laat ons den braven heer Page een bezoek gaan brengen. Is
Falstaff daar?
EVANS. Zou ik u foorliegen? Ik feracht een leugenaar, zooals ik iemand
feracht, die niet te fertrouwen is. De ridder, Sir John, is er, en ik
pit u, laat u raden door uw welmeeners. Ik wil kloppen op de deur om
mijnheer Page. (Hij klopt aan). Hé, hola, Chot segene uw huis!
PAGE (van binnen). Wie is daar?
EVANS. Hier is Chots zegen en uw choede friend en de frederechter
Zielig; en hier is de jongeheer Slapperman, die u misschien een ander
liedje singen sal, als de saak naar uw smaak is.
(Page komt op.)
PAGE. Het verheugt mij, uw edelheden wel te zien. Ik dank u voor dat
wild, mijnheer Zielig.
ZIELIG. Ik ben verheugd u te zien, mijnheer Page; het moge u wel
bekomen. Ik wenschte, dat het wild beter ware geweest; het was slecht
geschoten.—En hoe maakt het de goede juffrouw Page?—En ik ben u altijd
van harte erkentelijk, ja, recht van harte.
PAGE. Ik dank u, heer.
ZIELIG. Heer, de dank is aan mijn kant; bij ja en neen, dat is hij.
PAGE. Ik ben verheugd u te zien, beste heer Slapperman.
SLAPPERMAN. Hoe maakt het uw lichtbruine windhond, heer? Ik hoorde
zeggen, dat hij bij Cotswold achter is gebleven.
PAGE. Dat was niet uit te maken, heer.
SLAPPERMAN. Gij wilt er niet voor uitkomen, gij wilt er niet voor
uitkomen.
ZIELIG. Dat wil hij niet.—’t Was een ongeluk, ’t was een ongeluk;—’t is
een goede hond.
PAGE. Niets bijzonders, heer.
ZIELIG. Ja, heer, hij is een goede hond, en een fraaie hond; wat zal
men er meer van zeggen? hij is goed en fraai.—Is Sir John Falstaff
hier?
PAGE. Ja, heer, hij is binnen en ik wenschte, dat ik een goed werk kon
doen.
EVANS. Dat is gesproken als een christenmensch.
ZIELIG. Hij heeft mij beleedigd, mijnheer Page.
PAGE. Nu, heer, hij bekent het eenigermate.
ZIELIG. Bekend is nog niet geboet; is het zoo niet, mijnheer Page? Hij
heeft mij beleedigd; inderdaad, dat heeft hij;—in een woord, dat heeft
hij;—geloof mij;—Robert Zielig, esquire, zegt, dat hij beleedigd is.
PAGE. Daar komt Sir John.
(Sir John Falstaff komt op, met Bardolf, Nym en Pistool.)
FALSTAFF. Zoo, mijnheer Zielig, gij wilt mij bij den koning verklagen?
ZIELIG. Ridder, gij hebt mijn dienaars geslagen, mijn herten geveld en
het huisje van mijn boschwachter opengebroken.
FALSTAFF. Maar toch „de dochter van uw wachter niet gekust?”
ZIELIG. Stil, geen grappen! gij zult dit moeten verantwoorden.
FALSTAFF. Dit wil ik terstond doen:—ik heb dit alles gedaan; ziedaar
mijn antwoord.
ZIELIG. Ik breng het voor den geheimen raad.
FALSTAFF. Gij deedt beter, het in uw geheime lade te houden; men zal u
uitlachen.