„O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik

heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige

rijkdomsprookjes verteld, dat noch Henk van Praege, noch iemand anders

van den familieraad gelooven wou, dat het zoo ver al was gekomen. En

als ik er dan op aandrong dat ze de zorg voor de kinderen aan mij

zouden toevertrouwen, zochten ze er, ik weet niet wat, achter en

weigerden grof. O! Hildy, ik heb hier geleerd, dit jaar, wat

trotsverloochening en geduld is. Maar ik heb het uitgehoûen, omdat ik

wist dat ik overwinnen moest. Zoolang ze dachten dat het schatrijke

kinderen waren, over wier fortuin ze den baas konden spelen, hebben ze

me bejegend alsof ik ’n landloopster was, die me wou indringen om

andermans goed weg te halen. Ze vertrouwden me nou eenmaal niet, en ik

was zoo totaal afhankelijk van hun beslissing. Het is tusschen ons een

harde strijd geweest! Maar langzamerhand begonnen ze toch te begrijpen,

dat dat fortuin, waar ze eerst zoo zeker van waren, dan toch voor den

dag moest komen. Er waren geen boeken, bijna geen effecten, en het

land, dat er geweest was, bleek verkocht of zwaar met hypotheek belast

te zijn. Zij onderzochten, schreven en verbaasden zich, maar toen ze

eindelijk begrepen dat de kinderen zoo goed als geruïneerd waren, gaven

ze toe. De vrouw is niet waardig gekeurd om lid van een familieraad te

zijn, [19] maar als de nood aan den man komt, is ze goed genoeg om te

helpen! En goddank in dit geval, dat de schaapjes nu maar arm zijn,

anders was ik machteloos geweest om iets voor ze te doen. Maar nou neem

ik ze mee naar Amerika!”

„En vindt Henk dat nou goed?”

„Och ja, hij is nu dol blij, dat ie zoo van de kinderen afkomt. Voogd

zijn over arme pupillen, is lastig! Maar de kleintjes zelf hebben veel

geleden door deze geschiedenis, vooral Mary, op die akelige kostschool,

waar ze haar heen hebben gestuurd. Ze ziet er fataal uit. Ik ben heel

bezorgd; als het iets langer had geduurd, was het voor haar te laat

geweest. Maar misschien dat de zeereis haar nog redt.”

„En wanneer ga je?”

„Morgen. Over Harwich naar Engeland en dan met de Cunard naar huis. O!

het is heerlijk om ze mee naar m’n land te nemen!”

Hilda sloeg haar beide armen om Maud’s hals en kuste haar. Ze wist hoe

haar eenvoudig verhaal een tragedie van leed en worsteling beduidde,

zooals er zoo vele in stilte worden afgespeeld.

„Lieve, lieve Maud, hoe heerlijk dat je hebt volgehouên. Nou kun je er

heelemaal voor zorgen en er ’n paar prachtexemplaren van Amerikaantjes

van maken!”

„Ja,” zeide Maud heel zacht, „ik zal probeeren er menschen van te

maken, zooals Gladys ze gehoopt had, en ik ben blij, dat ik ze weg kan

nemen hier, uit dit land, waar men altijd praat over „de vrouw in het

gezin”, maar waar men haar in familiezaken totaal machteloos heeft

gemaakt!”

Hilda keerde in de veranda terug, een klein beetje aangedaan door het

afscheid. Morgen zou ze nog even aan den trein komen om de kinderen te

zien. Ze had Maud eigenlijk niet zooveel gekend, in dat eéne jaar dat

zij in Holland was geweest, maar door haar vriendschap voor Gladys,

hadden ze zich beiden sterk tot elkaar aangetrokken gevoeld.

Hilda nam haar handwerkje weer op en deed een paar lustelooze steken,

maar toen bemerkte ze ineens dat er iets gebeurd moest zijn in haar

afwezigheid. Een soort verlegen zwijgen heerschte. Oom van Starren zat

haar met ironische nieuwsgierigheid aan te kijken, maar verschool zich

onmiddellijk achter de courant, toen zij opzag. Eugénie staarde strak

melancholiek naar buiten, en haar tante kuchte en schoof zenuwachtig

een open brief heen en weer, die juist moest gekomen zijn.

„Hilda ....”

„Tante?”

„Wij hebben daar juist ’n tijding gekregen, die ons .... heel pijnlijk

heeft aangedaan! Je weet dat je zonderlinge idees ons veel verdriet

doen .... maar ik dacht .... enfin, ik dacht, dat we ons toch nooit

over je zouden hoeven te schamen... En nou schrijft daar mevrouw van

Amstelwede, dat ze ons waarschuwt, dat ze je heel dikwijls met heeren

ziet wandelen, en dat ze je verleden zelfs met iemand in Laren is

tegengekomen...”

Hilda lachte. De gedachte aan die wandelingen met Maarten, vervulde

haar op eens met een tinteling van vroolijkheid.

„Heel lief van mevrouw, om zich zoo bezorgd te maken, maar haar

„Heeren” in ’t meervoud is niet heelemaal juist, dat zou me „des guten

zu viel” zijn.”

„Dus je erkent, dat je wel es met ’n heer hebt gewandeld?”

„O! ja, heel dikwijls.”

„En met wie?”

Hilda aarzelde, even overwegend, toen zeide ze eenvoudig:

„Met Maarten van Hervoren, en als het u gerust kan stellen, wil ik u

wel zeggen, dat ik in stilte met hem geëngageerd ben.”

„En zeg je ons dat zoo maar?”

„Nee, ik vertel het u heel in ’t geheim. Later zal hij u wel officieel

m’n hand komen vragen, maar zoover zijn we nog lang niet. We zijn nou

nog maar met ’t hart bezig, dat vinden we ’t interessantste op dit

oogenblik, maar ik beloof u, dat we later keurig in de vormen met u

over m’n hand zullen komen beraadslagen.”

Zij lachte, en haar stralend geluk ontwapende mijnheer van Starren,

ofschoon hij het ontzettend ongepast vond.

„En mag ik ook weten wanneer de freule den tijd zal gekomen achten om

er haar voogd officieel in te kennen?”

„O! nog lang niet! We hebben het nou nog zoo druk. We moeten allebei

nog zoo hard werken en we hebben alleen maar den Zondag om samen te

zijn. U begrijpt, maar éen van de zeven dagen, dat is veel te weinig om

er iets voor visites en presentaties af te nemen.”

„Dus je bent van plan om je voorloopig zoo te blijven compromitteeren?”

vroeg mevrouw van Starren vinnig.

„Ik compromitteer me niet!” zeide Hilda trotsch. „Als de wereld het

compromitteeren noemt, als een man en een vrouw samen wandelen, vóór

dat er ’n receptie met veel bloemenmandjes is geweest, dan wordt het

hoog tijd, dat ze die dingen anders leert inzien.”

„Maar wanneer denk je het dan wel publiek te maken?”

„Oom, over ’n jaar of drie, zoodra ’k m’n doctoraal heb gedaan. Dan

komen we plechtig om uw zegen vragen, en vervullen alle formaliteiten,

u zult es zien, onberispelijk, en dan schrijf ik m’n dissertatie en

dan, onmiddellijk na m’n promotie, trouwen we. Hebben we ons program

niet netjes klaar gemaakt?”

Mijnheer van Starren lachte, niettegenstaande al zijn cynisch ongeloof

in vrouwen, te overtuigd inwendig van Hilda’s kracht en ernst, om zich

ongerust te maken, en het overmoedig geluk, dat in elk van haar woorden

doorblonk, amuseerde hem.

Maar voor mevrouw van Starren was dit gesprek een teleurstelling, die

haar woedend maakte.

„Dus je blijft tóch studeeren, niettegenstaande je nou geëngageerd

bent? Ik had altijd gehoopt, dat, als je maar es ’n man hadt gevonden,

je al die kunsten wel zoudt laten varen. En hoe vindt die mijnheer van

Hervoren het? Zal hij de kindertjes wasschen terwijl jij pleidooien

maakt?”

Een donkere gloedgolf sloeg over Hilda’s gezichtje, bij de grof

sarrende woorden, en haar oogen, rein en intelligent, heel groot van

emotie zagen strak haar tante aan. Een moment dacht ze er aan haar te

vragen, hoe dikwijls zij en haar vriendinnen wel haar kindertjes

gewasschen hadden, al hadden ze ook geen pleidooien te maken gehad,

maar ze wilde niet hatelijk zijn en antwoordde zacht, ofschoon heel uit

de hoogte:

„Maarten vindt het goed dat ik studeer; we denken in al die dingen

hetzelfde, en als we later het geluk hebben kinderen te krijgen, zal ik

mijn best doen, er een betere moeder voor te zijn dan veel van de

dames, die zich nu voor die taak hebben voorbereid in de balzaal of op

het tennisveld of met romannetjes en prulhandwerkjes en wat

geliefhebber in kunst en filantropie. We zullen heel eenvoudig leven en

ik zal m’n huishoûen practisch en heel nieuw inrichten, zoodat het ’n

minimum tijd neemt, en dan zal ik arme vrouwen bij me ontvangen, die in

moeielijkheden zijn en om raad komen vragen, in den tijd dat andere

dames boodschapjes doen en visites maken, voilà tout. Maar zeker zal ik

mijn studies niet opgeven, juist nu ik geëngageerd ben, want meer dan

ooit heb ik nu recht van spreken, over alles wat de vrouw aangaat.”

„Wat bedoel je?”

Hilda glimlachte, plotseling opgewonden, en ze antwoordde in

hartstochtelijk enthousiasme:

„Wel, wie zal het vrouwenvraagstuk eerlijker, rechtvaardiger,

onpartijdiger kunnen opvatten, dan de vrouw die gelukkig getrouwd is?

Welke stem protesteerend tegen het onrecht, zal eerder tot de menigte

doordringen, die van de eenzame, die bitter geleden heeft door

onrechtvaardige wetten en zeden en zich uit in sombere aanklachten, of

die, van de gelukkige vrouw, die ’t luid uitjuichen kan, dat zij het

bij ondervinding weet, dat de man en de vrouw samen het leven kunnen

doorgaan, naast elkaar, als twee vrije gelijken, zonder maritale macht,

en vrouwen-onderdanigheid, en dat het zoo worden moet overal, overal!

Zeker, de onderdrukten en mishandelden mogen klagen! Het is zelfs heel

jammer, dat ze niet al veel eerder en veel luider geklaagd hebben, maar

de wereld zal haar licht verdenken van eigen belang te zoeken of van

persoonlijke grieven te willen wreken. Het is de vrouw van het

gelukkige huwelijk, in wier hart geen druppel bitterheid is, en die het

groote en goede van den man, in dengene die zij liefheeft, van nabij

heeft leeren kennen, die zich nu met kracht mee in den strijd moet

storten! Ze moet het welbehaaglijk egoïsme opgeven van: „Ik heb het

goed, wat deert mij de rest?” en zich solidair voelen met elke vrouw

die onrechtslijden wordt aangedaan. En ziet u, daarom juist moet ik nu

ook blijven studeeren, omdat ik weet dat mijn huwelijk heel mooi zal

zijn!”

Ze had in een jong, blij geloof gesproken, maar toen zweeg ze ineens en

liet zich mat in haar stoel achterover vallen: „Wat begrepen deze

menschen van solidariteit?” Mijnheer en mevrouw en Betty zaten met

onaangenaam kille glimlachjes voor zich uit te kijken, alleen Eugénie

had tranen in de oogen, maar ze schaamde zich er voor en ging haastig

naar de piano om met Betty een paar nieuwe liedjes van Massenet door te

zingen.

Hilda stond midden in haar gezellige, met eikenhout gemeubelde

studeerkamer en drukte hartelijk tot afscheid de hand van een armoedig

bleek jong meisje.

„Dank u wel, mevrouw, dank u!” snikte het schepseltje.

Hilda klopte haar vriendelijk op den schouder, en toen ineens, na een

kleine aarzeling, bukte ze zich en kuste haar op het voorhoofd.

„Niemand weet er iets van, daar in huis, als alleen mevrouw, en die is

zoo hartelijk en lief. Je zult zien, Joukje, dat je nou ’n heel goed

gelukkig leven zult beginnen, als je maar erg je best doet.”

„Dank u wel mevrouw!” herhaalde het meisje, en ze wilde nog iets

zeggen, maar ze kon het blijkbaar niet vinden. Het gebruikelijke woord:

„dat de Heer haar beloonen zou,” was haar op de lippen, maar ze durfde

het niet meer uit te spreken, sinds Hilda haar er straks zoo streng op

geantwoord had, dat een liefdedaad alleen eenige waarde heeft, als ze

belangeloos wordt volbracht, en dat onbaatzuchtigheid geen belooning,

zelfs geen hemelsche, vraagt!

Heel goed had Joukje die redeneering niet begrepen, maar ze had wel

gezien dat die toespeling op vergelding Hilda hinderde en verlegen

bleef ze voor haar staan, tot ze ineens, zelf verrukt over den mooien

gevonden zin, heftig uitstootte:

„Ik zal u eeuwig dankbaar zijn!”

Hilda knikte hartelijk:

„Dag Joukje.”

Toen liet ze haar uit en met langzame passen van nadenken keerde ze

terug en liep de kamer een paar maal op en neer.

Joukje was haar eerste client geweest, nu zoo wat anderhalf jaar

geleden. In ontzettende schrik en schaamte had het meisje haar kindje

bij de geboorte gedood, en Hilda was haar raadsvrouw en advocate

geweest en had bijzonder veel belang in haar gesteld.

Haar geschiedenis was zoo eenvoudig en treurig, zooals trouwens de

meeste van die geschiedenissen. Heel jong was ze in Friesland aan een

zuivelfabriek gekomen, en ze had er hard gewerkt, maar ook vroolijk,

want ze was vlug en sterk. Maar toen was die wet aangenomen, die de

vrouw in den arbeid heet te beschermen en haar verbiedt zondags te

werken,—dat noemden de heeren beschermen!—Toen waren langzamerhand al

de vrouwen in de fabriek afgeschaft; de zuivelbereiding eischt

zondagswerk, als vrouwen die niet mochten verrichten, dan moest men wel

mannen nemen! [20] Zij had haar ontslag gekregen met al de andere

meisjes, en daar stonden zij in grooten nood; zij kenden niets dan dat

ééne vak, en daar waren ze uit verdreven. De meesten zochten dienstjes,

en ook Joukje was op een advertentie naar den Haag gekomen, maar

mevrouw had haar boos dadelijk weggezonden. Ze kende niets en mevrouw

had gesproken van bedriegen om je in een net gezin aan te bieden als je

niets kent. O! er werd tegenwoordig zoo dikwijls schande geroepen over

de dienstmeisjes, die zoo slecht voor haar werk zijn opgeleid. En

terecht, maar waar moeten deze kinderen het ook leeren, als ze niet bij

toeval een knappe moeder hebben of een lieve juffrouw in haar eerste

dienstje ontmoeten! Wat doet de maatschappij voor de opvoeding van het

volksmeisje? [21] En Joukje had geen moeder en vond geen lieve

juffrouw.

Toen was ze, na een paar angstige weken, juist toen ze het laatste

kwartje uit haar beurs had zien verdwijnen, en niet wist waarheen, bij

een gezin gekomen, waar de meid was weggeloopen. Het was een druk,

slordig huishouden, met ziekelijke kinderen, een verbitterde vrouw, een

man, die soms dronken thuis kwam en een volwassen zoon, uit een vorig

huwelijk. Het was haar heldentijd geweest van inspanning en goeden wil.

Ze was zoo bang om weer op straat te staan. Als je dat eens ondervonden

hebt, ben je er bang voor, nietwaar? Maar toen was die voorzoon haar

beginnen te vervolgen. Ze had het niet gewild, en toch was het

eindelijk gebeurd. En hij beloofde haar ook zoo plechtig om te trouwen!

Maar zoodra de gevolgen zichtbaar werden, was ze weggejaagd door de

moeder, en hij had haar laten gaan. Natuurlijk, hij was volkomen in

zijn recht: de wet, met touchante zorg voor den sterke, den man,

beschermt hem tegen elken overlast, die hem zou kunnen worden aangedaan

door de zwakke, de vrouw, die hij verstoot.

Joukje was nu juist uit de gevangenis teruggekeerd, en Hilda had haar

bij zich laten komen en had een goeden dienst voor haar gezocht.

Peinzend liep de jonge vrouw haar kamer op en neer, het lange huiskleed

van goudbruin laken golfde haar na in mooie plooien, bij elke beweging

van haar sierlijk lichaam.

Toen zette ze zich ineens in onstuimige haast voor haar bureau en las

de laatste pagina’s over, van de brochure die zij bezig was te

schrijven. Het was een soort vervolg op haar dissertatie, een heftig

pleidooi voor de noodzakelijkheid van vrouwenvakvereenigingen.

„Zeker, het is heerlijk”—had zij geschreven—„dat velen zich groote

moeite hebben getroost om vakvereenigingen van arbeiders tot stand te

brengen maar hoe weinig werd er in die richting, hier in ons land, nog

voor de arbeidsters gedaan! O! als alle dames, die zich nu tot in het

oneindige bezighouden met het geven van aalmoezen in alle vormen, op

alle manieren, dat Danaïdenwerk: het inwerpen in een bodemloos vat,

wilden nalaten, en haar denkkracht en tijd wilden gebruiken om zich

zelve en de werksters van het nut, de noodzakelijkheid van vereenigen

te overtuigen, hoeveel meer goed zouden zij voor de toekomst doen!

Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe

kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral

ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor

gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat

mindere loon! Is dit niet juist eén van de kankerplekken in het

arbeidersleven! Door het mindere loon toch, wordt de vrouw niet de

kameraad, maar de onderkruipster van den man, niet een eerlijke

mededingster, die op een gegeven oogenblik medestrijdster zijn zal,

maar een gevreesde, gehate concurrente, die hij weren wil, waar hij

kan. Lage vrouwenloonen verdrijven de mannen uit het werk, en drijven

de vrouwen de fabrieken in: een volkomen ontredderde toestand. Men

heeft het op sommige plaatsen reeds gezien, dat de mannen bij groote

menigten werkeloos rondliepen, terwijl de vrouwen, op wier schouders

toch al het zware huishoudjuk drukt, de kostwinsters werden, eenvoudig

omdat de patroons de goedkoopste arbeidskrachten hadden gezocht! En ook

is het lagere vrouwenloon immers de bestendiging van den rampzaligen

waan, dat het mindere wel goed genoeg is voor de vrouw, dat zij met

minder tevreden moet zijn, dat haar arbeid, al spant zij zich ook nog

zoo in, toch altijd minder waarde bezit!

En dat lagere loon, hoe dikwijls beteekent het niet hongerloon! En wat

zijn de gevolgen van hongerloonen? De arbeidster wordt er door

gedwongen, om na de werkuren bijverdiensten te zoeken, die haar

gewoonlijk òf zedelijk te gronde richten, òf lichamelijk zoo uitputten,

dat zij daardoor ongeschikt voor krachtigen arbeid op het werk komt. En

daaruit ontstaat dan die droeve cirkelgang, waarin nu zoo menig arm

vrouwenbestaan wordt rondgesleurd: eerst het lage loon, daardoor de

nachtelijke bijverdienste die haar de dagtaak afgemat laat hervatten,

door die afmatting slecht werk, wat den patroon aanleiding kan geven de

loonen nog lager te stellen, en door het nog lagere loon, nog grooter

nood om uitputtend nachtwerk te doen!

O! gelijk loon voor mannen en voor vrouwen! Dat is het wat een redding

zou zijn, en, in die kringen, waar de strijd om het bestaan het felste

woedt, verbroedering zou geven tusschen mannelijke en vrouwelijke

arbeiders, waar nu een vijandschap dreigt, die ten slotte verzwakkend

op beiden moet werken.

Krachtig bloeiende vakvereenigingen zullen veel kunnen doen voor dit

alles en nog voor zoo veel meer! Zij zullen, door de macht van alles

wat aaneengesloten is, ook tegen de onbillijkheid kunnen strijden der

arbeidswet, die nu alleen de vrouw en het kind beschermt. Bescherming

van den arbeid is zoo hoog noodig. De enquête van 1890 heeft het maar

al te zeer bewezen! Maar niet voor de vrouw alleen! Zeker, het is heel

erg als de vrouw, de moeder, wordt afgebeuld door te lang dagwerk in

ongezonde lokalen, maar is het niet even erg als de man, uitgeput door

overmoeienis naar de jeneverflesch grijpt en zijn gezin te gronde

richt, of vroeg sterft of verstompt door overmatig lang werken! Wie uit

menschelijke beginselen handelt, wenscht voor beide geslachten

wettelijke bepaling van minimum loon en maximum arbeidsdag en strenge

bescherming tegen uitbuiting, alleen op verschillende wijzen toegepast,

naarmate van de verschillende bedrijven. [22] Want zoolang alleen de

vrouw beschermd wordt, moet, wat tot haar heil bedoeld was, menigmaal

haar den strijd om het bestaan nog verzwaren! Waar twee individuen zich

op den arbeidsmarkt komen aanbieden, de een—de vrouw—aan vaste uren

gebonden, de ander—de man—vrij om te werken, hoe en wanneer hij wil,

zal maar al te dikwijls de laatste in de oogen van den patroon meer

waarde hebben dan de eerste. Het moge reeds dikwijls absoluut met

cijfers bewezen zijn, dat bij den korteren arbeidsdag evenveel en beter

werk wordt geleverd, dit feit is lang nog niet genoeg doorgedrongen en

dus zal meestal nog de beschermde achter staan bij den onbeschermden,

waar de werkgever de vrije keuze heeft tusschen beiden.

Maar de tijden zijn gekomen, dat dit alles veranderen moet! Ieder die

het waarachtig goed met volksgezondheid meent, d.i. het welzijn van

heel het land, zal ijveren voor krachtige gelijke bescherming, en

gelijk loon voor arbeider en arbeidster beiden......................

.........................”

Hilda had het halfluid nagelezen, zich opwindend bij den klank harer

eigen woorden. Hier en daar had ze iets onderstreept of een letter

verduidelijkt, toen sloeg ze het cahier dicht met dat gevoel van

beklemming, dat allen hebben gekend, die werkten voor anderen. O! het

angstige gevoel van zoo klein en machteloos te staan tegenover de

groote taak, van met alle inspanning en gloed zich te hebben gegeven,

en waarschijnlijk nog zoo weinig te hebben bereikt!

Maar ze stond op en met langzame, moede schreden ging ze de open deur

in van de kamer daarnaast.

Daar stond het wiegje van kleine Jeanne, haar kindje, en ineens met

stillen jubel voelde ze zich omstraald door de vrede-atmosfeer van haar

eigen mooi interieur.

Zooals iemand, van buiten, uit het schreeuwend marktgewoel, waar

dronken mannen vechten, en vrouwen glimlachen met geverfde wangen, waar

kleine kinderen schreien en dieren worden mishandeld, binnen tredend,

ineens, in een Gothische Cathedraal, zich in het zachte licht der

hoogrijzende zuilengangen, plotseling gelukkig en beschermd voelt, zoo

was het Hilda telkens hier, als ze inging in haar woonkamer. Maar

vandaag trof het haar sterker nog dan anders; als licht viel het in

haar ziel, alle moreele moeheid van haar wegnemend, haar vervullend met

jonge verrukking.

Ze zag om zich heen in de rustige kamer vol harmonische kleuren en

gezelligheid, en lang bleef ze staan bij het wiegje, waar het kindje

sliep. Wat was het mooi zoo, het onschuldkopje op het witte kussen. Wat

was het wreed, afgrijselijk daarbuiten, wat was het zalig hier binnen!

Als het kindje groot werd, zou het ook eens daarginds, in het bange

gewoel staan! Een angstige gedachte voor een moeder! Maar welk een

troost lag er dan in de overtuiging, dat zij met inspanning van alle

krachten haar deel bijdroeg, om die arme wereld daarbuiten een beetje

minder ellendig te maken! O! als alle moeders mee wilden helpen...! Hoe

was het mogelijk dat er nog waren, die de toekomst van haar kinderen

liefhadden, en toch blind en lam bleven tegenover het kwaad, dat te

bestrijden valt in die maatschappij, die later het worstelstrijdperk

voor haar lievelingen zijn zal!

Als het dan niet uit rechtvaardigheid en barmhartigheid was, moesten de

vrouwen tenminste uit moederliefde zich rekenschap geven van de

strijdvragen harer eeuw, en ontfermend de handen uitsteken daarheen,

waar lijden en zonde heerschten!

Maar nu ging de deur open en Maarten kwam binnen. Met een klein geluid

van vreugde zag ze op, en liep naar hem toe. Hij had zijn armen wijd

uitgestrekt en sloeg ze vast om haar heen, toen ze zich tegen hem

aannestelde.

„Dag lieveling!”

„Mijn klein vrouwtje!”

Zwijgend, in een blij genieten van zich weer samen voelen, liepen ze de

kamer door, dicht naast elkaar gaande en glimlachend stonden ze bij de

wieg waar het kindje sliep.

Het was vijf uur, het gezellige theeuurtje, dat Maarten van de fabriek

thuis kwam en zij samen praatten. ’s Avonds hadden ze zoo dikwijls te

werken, of er waren vergaderingen, of ze gingen wat mooie muziek

hooren, of enkele uitverkoren vrienden kwamen hen bezoeken. Maar om

vijf uur waren ze altijd samen alleen, en spraken. Het was hun

vreugdeuurtje: zij vertelden elkaar van hun werken, ze dachten hardop

over alles, en maakten plannen over de opvoeding van het kleine popje

in de wieg, en zeiden elkaar hun emoties, en ondervindingen, en hun

liefde.

„Waar dacht je aan, toen ik binnen kwam? Je stond zoo diepzinnig te

peinzen?”

Maarten zeide het lachend en nam haar hand, die hem het kopje thee had

gereikt, en kuste zachtjes, spelend elk der slanke vingertjes.

„O! ik dacht aan allerlei, ik geloof aan allerlei tegelijk! Aan Joukje

Helma, die nou uit de gevangenis terug is, en aan een rijk jong

vrouwtje, dat vanmiddag om advies kwam vragen, ook alweer een van die

schepseltjes, die zoo maar getrouwd zijn, en dan teleurgesteld willen

scheiden, en aan Eugénie, die weer heelemaal in de war schijnt te zijn

en aan Corry’s oudste jongetje, in Kreuznach, dat zoo klierachtig zijn

moet, dat je eigenlijk niet hopen mag dat het leven blijft, en aan al

die ouders, die je zoo om je heen ziet, die ’t al heel mooi vinden als

ze hun jongens opvoeden om materieel flink in de wereld vooruit te

komen, en de meisjes om in een of ander huwelijk geborgen te worden,

zonder zelfs ’n vermoeden te hebben, wat het is om een kleine

menschenziel te helpen groot en goed worden!”

Zij zagen elkaar aan en glimlachten, den glimlach van hun eigen mooi

geluk.

Toen werd kleine Jeanne met grappige pruilgeluidjes wakker. Hilda zag

op de klok: het was tijd om haar drinken te geven, en terwijl zij het

kleed losmaakte om het zoete mysterie der moeder te vervullen, van het

tot voedsel geworden bloed, zeide ze zachtjes voor zich heen:

Hilda van Suylenburg · 第 34 / 35 段