„Nou goed, het kan ook wel zijn, dat, als ’t er op aan komt, de meeste

meisjes thuis gemist kunnen worden, maar het beginsel van de

emancipatie: dat de vrouw overal nuttig kan zijn, en niet geboren is

uitsluitend voor ’t gezin, blijft afschuwelijk! Of kunt u ontkennen,

dat men den laatsten tijd, juist onder de geëmancipeerde vrouwen

zoovelen vindt, die niks van het huwelijk willen weten?”

„Vindt u ’t niet heel natuurlijk, Dominee, dat, nu ’t meer algemeen

bekend begint te worden, wat ’n schandelijk afhankelijke positie onze

wetten aan de getrouwde vrouw toekennen, sommigen zich voornemen er

zich nooit aan te onderwerpen? Zulke meisjes trouwen niet of worden

vrije-liefdeapostels. Maar vergeet u ook vooral niet, dat er altijd

mannen en vrouwen zijn geweest, die geen roeping voor het huwelijk

voelden! De millioenen die elkaar in de Bouddhistische en Christelijke

kloosters eeuwen lang hebben opgevolgd, kunnen het getuigen, waarom

zouên er dus ook onder de „nieuwe vrouwen” niet enkelen zijn die, om de

eene of andere reden niet verlangen ’n gezin te stichten.”

„Maar de emancipatie zal het in de vrouw aanmoedigen, dat ze zich aan

’t huwelijk onttrekt! Door de meisjes voor allerlei betrekkingen op te

voeden, zal men ze leeren neerzien op het stille werk van de

huismoeder.”

„Juist het tegendeel!” riep Corona warm. „Als het meisje er voor

opgevoed wordt om haar eigen brood te verdienen, zal ze het huwelijk

niet meer beschouwen als ’n eenige uitkomst van onderhouden worden, en

zullen dus de huwelijken uit zuiverder motieven gesloten, dit is,

mooier worden! Het huwelijk zal dan beteekenen: een roeping, geen

beroep meer, en dan pas zal de echtgenoote-moeder geëerd worden, zoo

als het moet! Juist vroeger werd er op de getrouwde vrouw neer gezien!

De Grieken dachten hun heiligste godinnen maagdelijk, de middeleeuwen

voerden de aanbidding der moedermaagd tot het hoogste op, en noemden

rein alleen de ongetrouwde vrouw! Natuurlijk, in ’n periode, toen het

huwelijk zoo ontzettend laag stond, [18] moest wel het vrouwelijk

ideaal zich in de jonkvrouw incarneeren! Maar ik zeg u, het zal de

triomf der twintigste eeuw zijn, dat de vrouwmoeder, die zich in mooie,

vrijwillige liefde gegeven heeft, ook rein en onbevlekt zal worden

genoemd, en dan zullen onze hoogst staande meisjes alle dweepen met

gewilde, onnatuurlijke eenzaamheid laten varen en blij-trotsch, wanneer

het lot er haar toe roept, haar liefdestaak aanvaarden.”

Moisette zag haar aan, een beetje bedremmeld om haar zoo eenvoudig

zeggen van al deze dingen, die door de dames van zijn gemeente

gewoonlijk onder geheimzinnig lachen en kleuren werden verstopt. Maar

het gaf hem toch ook een gevoel van vertrouwen, en ineens barstte zijn

geheim hem door de lippen.

„En Hilda dan .... Waarom heeft zij dan die gelofte gedaan? Zonder die

ellendige emancipatie zou ze nu rustig thuis zijn, vol verlangen en

heimwee naar iets anders, en de man die haar liefhad zou dan veel meer

kans hebben dan nu .... met al die studies en nieuwe belangen in h’r

hoofd ....”

Corona stond op, en boog zich over de tafel naar hem toe, haar groote

grijze oogen klaar en strak als in de oogenblikken, dat ze haar

patiënten suggereerde.

„Het is niet waar, dat Hilda ’n gelofte heeft afgelegd; dat was maar ’n

verzinsel van juffrouw Wendelings. Maar wees voorzichtig, Dominee! Dus

u zoudt liever willen dat de freule van Suylenburg nu smachtend zat te

hunkeren, om ’n makkelijke buit te zijn voor den eersten den besten,

die haar van liefde kwam spreken? Juist zooals op ’n bal de

muurbloempjes dadelijk dankbaar bereid zijn, och arme, voor ieder die

zich voor een dans over haar ontfermt? Maar ik zal u vertellen wat zij

mij gezegd heeft bij het afscheid nemen! „Cora,” zei ze, „er zijn nog

velen, die gelooven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft,

dan voor het voordeel of het genot van den man. Deze ontkennen, dat ook

wij ’n eigen leven hebben gekregen om het te gebruiken, hetzij in,

hetzij buiten het huwelijk, zoo als wij dat, volgens ons eigen geweten

en aanleg het beste vinden! Maar het is niet een van dezulken, dien ik

mij tot levensgeleider zal kiezen! Eén is er, die zich nu verbeeldt mij

lief te hebben, maar hij begeert mij alleen voor eigen genot! Hij zal

razend zijn als ie hoort dat ik ga studeeren. Maar ik wil geen man, die

’t hoog in mij zou achten, dat ik werkeloos voortsoezelde tot ’n

huwelijk me kwam bevrijden! Ik wil er geen, die me zou wenschen te

bezitten, niet door vrijwillige liefde, maar door de afmatting van ’n

ouderwetsch meisjesbestaan!”

Moisette zakte in zijn stoel, de handen voor het gezicht. Er was een

waarheid in Hilda’s overgebrachte woorden die hem even verbijsterde.

Hij worstelde om het neergeknakte zelfvertrouwen te herwinnen, maar er

was plotseling over zijn bedoelingen, waarvan hij zich nooit goed

rekenschap had gegeven, een licht opgegaan, dat hem deed duizelen.

Dus ze had z’n liefde, die hij meende dat ze nooit begrepen had, wel

degelijk geweten! Maar ze had zich van hem afgewend, omdat ze de

drijfveeren van zijn strijd tegen de emancipatie onzuiver en onedel had

gevonden!

Hij stond op, en rakelde in de kachel, tot de kamer even met akelig

krijschend ijzergeluid gevuld was. Zijn voorhoofd was klam van het

angstzweet. Hij wilde het zelf nog niet bekennen, en toch drong hem

reeds het stoer eerlijke in zijn karakter, om het te belijden, dat

Hilda bij intuïtie juist had gezien.

Onder al zijn theoretische bezwaren, was de hoofdfactor van zijn

bestrijding altijd geweest een angst van egoïsme dat Hilda zou

aangestoken worden en hem dan zou ontglippen. Om haar liefde te

veroveren, had hij zich krachteloos gevoeld, hij wist niet waarom, maar

hij voelde het altijd weer duidelijk als hij bij haar was, dat hij de

tooverspreuk niet kende, die toegang zou geven tot haar ziel. Toen was

hij gaan hopen, als bondgenooten, op verveling en onvoldaanheid, die

hij wist dat zooveel meisjes tot capituleeren dwingen. Hij had berekend

dat die periode zoowat zou intreden in dit tweede uitgaansjaar en dan

zou hij komen en haar bemachtigen. Maar nooit waren deze berekeningen

in haar grove naaktheid voor zijn geest getreden; in naïef zelfbedrog

had hij ze omkleed met mooi klinkende argumenten van allerlei aard, en

nu was ze heengegaan! Ze had klaarder in zijn ziel gezien dan hij zelf,

en voor goed was ze nu van hem vervreemd!

Corona stond op, iets mompelend dat ze wel es gauw terug zou keeren om

de informaties over ’n arm gezin te halen, waarvoor ze eigenlijk

gekomen was.

Maar hij hoorde haar niet. Bij de deur stond ze nog even stil en zag om

naar de ineengezakte gestalte voor het vuur.

„Arme man! O! al dat lijden! ... lijden! ... Maar hier was ’t wel heel

noodig dat hij, die het laatste jaar met ’n fanatisme, onverschillig

voor zooveel ellende, elke verbetering in den toestand der vrouw had

bestreden, het in tranen leerde begrijpen dat de tijd voorbij moet

zijn, dat meisjes anders dan door eigen, vrijen liefdedrang tot een

huwelijk komen.”

Marguérite van Arkel en kleine Rosa van Soeterwolde, Frank’s

dochtertje, zaten samen ijverig te werken. Sinds het kind gekomen was,

dien zomer, had Marguérite haar intrek bij Corona genomen, om samen met

haar de zorgen voor de kleine nieuweling te deelen, en het huisje was

gebleken elastiek te zijn, het ging best zoo met haar drieën.

„Tante Maggy, ik heb de postbode zien langs gaan, mag ik even gaan

kijken?”

„Zou je niet liever eerst je opstel afmaken?”

„’t Is bijna af, en tante Cora heeft gezegd dat er vandaag weer ’n

mailbrief kon zijn. Mag ik even gaan zien? Toe, ik heb zoo’n idee dat

er iets van paatje is.”

„Nou ga dan maar even.”

Marguérite zag haar glimlachend na. Het was een mooi, elegant kind, met

trotsche bewegingen. Alles in haar beloofde dat ze eenmaal de hoop van

haar vader zou vervullen en een tooneelspeelster van groote gave zou

worden.

„Tante, twee brieven, twee brieven!” juichte het kind.

Marguérite nam ze aan:

„Twee uit Amerika, maar één maar van paatje. Hier, breng die maar boven

op tante Corona’s kamer.”

„En is die andere voor u?”

„Ja, voor mij.”

En toen het kind gegaan was, scheurde Marguérite den brief open,

verwonderd over het onbekende handschrift. Het was van mevrouw

Tachilde, zeide de onderteekening, de vriendin van Frank, de begaafde

actrice, wier zeldzaam talent, met het zijne, de reputatie van hun

klein Théâtre had gemaakt.

„Ik ken u niet!” schreef zij, „maar Monsieur de Soeterwolde vertelde

mij veel van u en uw vriendschap voor Corona, en daarom kom ik tot u

heden, u smeekend om al uw invloed te gebruiken om haar te overtuigen,

dat zij Frank niet langer mag laten vergaan van eenzaamheid! Het is

prachtig van haar geweest dat zij jaren lang haar innigste verlangen

heeft geofferd, om in de kracht van vlekkeloosheid het goede zaad te

zaaien, en ik heb haar daarom zeer bewonderd en lief gehad. Maar zeg

haar nu, dat alles grenzen heeft! Frank kan zijn hopelooze droefheid

niet langer dragen. Wij vrouwen zijn zoo veel sterker in lijden, niet

waar? Maar ik zie hem wegkwijnen van verlangen, van gemis aan vreugde

en sympathie, die zijn kunstenaarsziel zoo noodig heeft. Er zijn weer

hevige scènes geweest tusschen hem en zijn vrouw, zij maakt hem het

leven ondragelijk, en toch blijft zij weigeren te deforceeren.

Natuurlijk, de positie als echtgenoote van een beroemd kunstenaar is

veel aangenamer dan die van gescheiden vrouw. Maar ik ben overtuigd dat

zij hem ontrouw is, alleen heeft niemand haar nog ooit daarop kunnen

betrappen.

In New York, een drie weken geleden, heeft Frank een zware kou gevat,

die hij uit mistroostigheid negligeert. Ik ben zeer bezorgd over hem!

O! laat Corona hem tot zich roepen en hem het leven teruggeven met haar

liefde! U moet niet gelooven dat ik over het algemeen apostelin ben van

de theorie der vrije liefde, welke bij ons in Frankrijk, in de

vooruitstrevende kringen zoo veel veld wint. Maar in dit geval, van

Frank en Corona, zie ik maar éen weg! Laten zij hun liefde stellen

boven al het andere! Het mag niet, dat een zoo kostbaar leven als dat

van Frank te gronde gaat door wetten van menschen, die nog barbaarsch

genoeg zijn om onverbreekbaar te verklaren den band tusschen twee, die

elkaar niet liefhebben! O! laat Corona hem nu tot zich roepen! Zeg haar

dat de tijd voorbij is, dat zij haar roeping van zieledoktores onder de

vrouwen hooger mocht stellen dan haar liefde. Laat zij zich nu wijden

aan Frank! Het is het eenige wat hem redden kan, en laat zij het gauw

doen, opdat het niet te laat zij!

Uwe Eloise Tachilde.”

Marguérite stond voor het raam en herlas den brief. IJskoud kropen er

rillinkjes langs haar rug en haar hart bonsde.

„Altijd weer die zelfde strijd, die nu al jaren lang verzengend

Corona’s leven folterde! Maar nu scheen de crisis gekomen.”

Kleine Rosa was stil aan de tafel teruggekeerd, en knoeide aan haar

opstel, maar de intelligente kinderoogjes gingen verlangend telkens

naar Marguérite aan het raam. Eindelijk kon ze het niet meer uithouden:

„Tante, van wie is die brief?”

„Van mevrouw Tachilde.”

„O ...? van mammy Eloise? kent u die dan!”

Ze sprong op en vleide zich heimweeachtig tegen haar aan.

„Toe, vertel es wat er in staat? Heeft ze geen groeten aan mij

verzocht?”

„Hieldt je zooveel van mevrouw Tachilde?”

„O! ja, vóór ik u en tante Corona kende, hield ik natuurlijk het meest

van haar en van paatje.”

Marguérite bukte zich en kuste het kind zachtjes een paar maal op het

voorhoofd. Het was een onbewuste beweging van teederheid, waar ze niet

bij dacht, want in haar zorgenden angst om Corona was ze uitsluitend

vervuld met de vraag hoe ze haar toch dien brief zou vertellen. Maar ze

luisterde: de sleutel werd omgedraaid in het voordeurslot en lichte,

vlugge stappen gingen de trap op. Het was Corona. Eerst ging ze naar

haar slaapkamer om zich te verkleeden en te wasschen, uit voorzorg voor

besmetting. En dan zou ze naar de studeerkamer gaan en den brief vinden

van Frank! Wat zou daarin staan?

„O! mijn God! Wat zal er nou gebeuren?”

„Waarom zegt u dat, tante?” vleide kleine Rosa. „Toe, laat me dien

brief even zien. Zegt ze er niks in van mij? En hoe gaat ’t met haar

man? Daar hield ik ook zooveel van. Die kon zulke prachtige versjes.

Toe tante ....”

Maar Marguérite duwde haar ongeduldig weg. Ze had den telegraafbode de

stoep zien opkomen, en de klank van de bel liet al haar zenuwen samen

trekken.

„Freule, een telegram voor u.”

De oude Marijken kwam binnen, het kleine vuile potlood en het stukje

papier, dat geteekend moest worden, voor zich uitgestrekt.

„Toe tante, geef mij dien brief nou!” zeurde het kind.

Maar Marguérite hoorde haar niet. Ze had haastig geteekend en het

couvert gescheurd en de ontzettende tijding gelezen:

„Frank zoo juist overleden. Verkoudheid vliegende tering geworden; in

bloedspuwing gebleven. Prepareer Corona.

Tachilde.”

Een oogenblik stond Maggy roerloos, vernietigd door het machteloos

gevoel, dat allen hebben gekend, die onafwijsbaar lijden zagen komen

over hen, die zij liefhebben.

Maar toen ineens kwam de reactie, een wild verlangen om zich over dit

rampzalige op iemand te wreken, en met een schok van razernij draaide

ze zich naar het venster, en nog eenmaal was daar weer de oude

Marguérite vol hartstochtelijken opstand, de Marguérite van vroeger,

vóór Corona haar geleerd had dat streng beheerschte verontwaardiging

grooter kracht is dan woeste verbittering.

Ze strekte de armen uit en schudde haar kleine kramptrekkend

saamgeknepen vuisten tegen het Binnenhof, dat ze kon zien liggen, dwars

over het Voorhout en den Vijver heen, onverschillig voornaam in den

zonnig neveligen winterglans.

„O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jaren lang over allerlei

nietigheden en voor deze groote zedelijke kwesties hebben ze geen

tijd!”

Wild en dreigend, met hoekige gebaren, die vreemd waren in deze vrouw,

gewoonlijk vol rustige distinctie, stond ze een oogenblik, maar toen

zag ze neer in twee groote kinderoogen, die haar aanstaarden, angstig

verbaasd, en snikkend sloeg ze haar armen om kleine Rosa en trok haar

op haar schoot, al haar heftigheid wegsmeltend in maar eéne impressie

van naamlooze deernis.

Maar Corona zat stil voor haar bureau op dit moment, in zulk een

duizeling van vreugde dat ze zich angstig voelde worden.

De ziel kan zich wennen aan de houding van leed, en als een zieke, die

na maanden lang liggen weer hersteld is, en weet dat hij loopen mag, en

het kan, maar het nog niet durft, zoo is ook soms onze geest aarzelend

om bij de eerste aanraking van geluk zich hoog op te richten, na lang

te zijn neergebogen in smart.

Zachtjes drupten de tranen op het papier, waarin Frank haar schreef de

wonderspreuken van zijn liefde en zijn hoop. Ze probeerde ze goed te

begrijpen, maar langzaam eerst drong de volheid van vreugde in haar

bewustzijn door.

De brief was drie dagen geschreven na dien van Madame Tachilde aan

Marguérite, maar dezelfde mail had ze aangebracht. In die drie dagen

was ontzettend veel gebeurd: de ontrouw van Frank’s vrouw, waarop ook

Eloise in haar schrijven gezinspeeld had, en die zij al lang reeds had

vermoed, was ineens helder aan het licht gekomen. De bewijzen en

getuigen waren er, en Frank kon zich nu dus vrij maken.

„O! Corona, mijn liefste, mijn bruid, mijn vrouwtje! Is het mogelijk,

dat eindelijk, eindelijk het oogenblik gekomen is, waarop je in mijn

leven de gezegende plaats zult innemen, die ik zoo lang voor je bestemd

had! Een jubelende, alles overheerschende vreugde doortrilt me. Ik ben

den laatsten tijd heel ziek geweest, en zelfs heb ik niet kunnen

optreden, omdat mijn borst me te veel zeer deed. O! lieveling, wees

niet boos op me! Misschien ben ik onvoorzichtig geweest, maar de

hopeloosheid van onzen toestand maakte me onverschillig voor alles.

Maar nu zal ik beter worden! Over eenige weken ben ik bij je! En ik

weet zeker, dat, als ik je maar eens in mijn armen heb gehouden, als

mijn bruidje, ik weer gezond zal zijn.

O! is het niet als een droom? die plotselinge verlossing van den ouden

verschrikkelijken band, en de zaligheid die ons nu wacht? Maar in de

stille denkuren, liefste, is toch soms bij al de overstelping van mijn

vreugde, groote opstand in me tegen de toestanden, waaronder we leven!

O! als we zedelijke wetten hadden gehad, zou dit alles niet gebeurd

zijn? Wij zouden lang gescheiden zijn geweest, deze vrouw en ik, en zij

zou niet bij het vele kwaad, dat ze aan mij misdaan heeft, ook nog dit

bedrog, deze valschheid hebben gevoegd! Maar toen zij mij het leven

ondragelijk maakte, toen ze een gevaar was voor mijn kind, toen niets

ons meer verbonden hield dan haar koppige wil, toen .... was voor de

wet die gevloekte band heilig! Eerst moest er een scandaleus proces

komen, en nu eerst, ten koste van de openbare schande van de vrouw, die

haar het leven gaf, kan ik mijn kindje een ware moeder geven! Curieus

die opvattingen! Om van te walgen! En dat men niet eeuwig herhale dat

zulke wetten een bescherming zijn van huwelijkstrouw! Bij God, trouw

die door een wet moet worden beschermd, is al gebroken! De zedeloosheid

onzer groote steden bewijst trouwens genoeg wat die wetten vermogen om

het huwelijk rein te houden! niets! niets! niets! Het onherroepelijk

aan elkaar verbonden zijn, met geen andere hoop op verlossing dan een

proces vol schande, o! ik heb het doorleefd Corona, voor den zwakken

kan het niets brengen dan bedrog, nog dieperen val, en voor den sterken

.... lijden!

Maar wat spreek ik nog van lijden, mijn liefste! Alleen van geluk wil

ik vervuld zijn! Het uur nadert waarop we trotsch onze liefde aan de

wereld zullen bekennen, en voor goed samen zullen zijn, om te leven

voor alles wat hoog en heerlijk is. O! mijn vrouwtje.................

.........................”

Corona kuste den brief, in een siddering van vreugde. Hoe was het

mogelijk dat nu zoo ineens gekomen was, dat, wat jaren lang een

onbereikbare zaligheid had geschenen! Ze stond op en liep even de kamer

door.

„Hoe mooi en goed was toch het leven soms!” Frank’s bitterheid over de

wetten kon ze niet eens meer deelen in dit oogenblik. Niets was in haar

dan vreugde. Toen wierp ze zich weer neer voor de schrijftafel, en

schreef trillend van blijde opwinding:

„O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je. Kom toch! Ik zal met je gaan

waarheen je wilt! Nu kan niets ons meer scheiden! Ik heb zoo

onuitsprekelijk naar je verlangd. Nu begrijp ik pas hoeveel! O! kom! ik

heb je zoo lief! Nu mag ik het je zeggen! En de weelde van het te mogen

neerschrijven, overstelpt me!.....”

Maar toen schrikte ze, en keek om. Ze had de deur geheimzinnig zachtjes

hooren sluiten, en iemand kwam snel, met stille stappen naar haar toe.

„O! Maggy, ben jij het, hoe heerlijk....”

Maar ze zweeg. Marguérite stond voor haar, zoo doodelijk bleek, met

groote angstige oogen in donkere kringen, zoo tragisch en

onheilbrengend, dat ze haar sprakeloos aanstaarde.

„Cora, mijn lieveling!”

En ineens sloeg ze de armen om haar hals en barstte uit in heftig

snikken. Ze had op de schrijftafel Frank’s brief zien liggen, en daar

naast Corona’s woorden: „O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je!” Dus

het grootste leed moest juist komen in dit oogenblik van eerste

vreugde!

„O! Cora, mijn leven zou ik hebben gegeven om dit niet te laten zijn!

O! mijn lieve, lieve, arme Corona!”

Corona, met een driftige beweging, trachtte zich los te maken.

„Wat is er toch. Maar zeg het dan toch, Maggy!”

Maar Marguérite hield haar vast omsloten en schreide voort, zoo

hartstochtelijk droevig, tot Corona in het smartelijk contact dezer

omhelzing begon te voelen het ongeluk dat gekomen was.

„Is het Frank?” zeide ze met bleeke, machtelooze lippen. En ze dacht

aan de ziekte waarover hij geschreven had.

Marguérite drukte zich nog vaster tegen haar aan.

„O! lieveling!”

„Is ie dood?”

„O! lieveling, mijn lieveling!”

„Is ie dood?” En met een stijve beweging van wanhoop rukte ze zich los.

„Is ie dood?” Bijna dreigend herhaalde ze: „is ie dood?”

Marguérite boog snikkend het hoofd.

„Corona, lieveling, waar ga je heen? Mag ik bij je blijven?”

Maar Corona had zich afgewend. Ze ging heen, gebroken, het hoofd slap

voorover gebogen, de handen ineengeklemd in stuipachtig wringen. Ze

ging haar slaapkamer binnen en sloot de deur, en Marguérite durfde haar

niet volgen. De teerste vriendschap is machteloos, helaas, in de groote

ure, waarin de drinkbeker tot op den bodem toe moet geledigd worden.

Dien ganschen avond en den ganschen nacht bleef Corona alleen, en de

deur gesloten, en wie zal het ooit beschrijven wat het arme

menschenhart doorworstelt gedurende zulk een nachtwake.

In de ijvervolle eentonigheid van hard werken, was voor Hilda de winter

gauw omgegaan.

Bijna elken Zondag was Maarten gekomen en had haar mooie boeken

gebracht over kunst of godsdienst, of economie, of wijsbegeerte, of

verzen, waar ze veel over spraken. Dit jaar was voor haar zoo mooi

geweest, vol vredige schoonheid van zich voelen sterker worden en

rijker aan weten en liefhebben en begrijpen der groote dingen.

En nu was de vakantie gekomen, na het goedafgelegde staatsexamen. De

volgende week zou ze naar Zwitserland gaan met Marguérite van Arkel, en

Corona en de kleine Rosa, die zonder veel moeite voor goed door haar

moeder aan dokter van Oven was afgestaan. En Maarten zou hen spoedig

volgen! „O! het leven was goed voor haar!” dacht ze, en ze glimlachte.

Toen zag ze om zich heen naar de bekende gezichten, die ze in zoo lang

niet gezien had, niet meer sinds ze in September naar Amsterdam was

gegaan.

Daar waren ze allen weer; juist als verleden jaar: oom van Starren, die

het Dagblad doorlas van a tot z, net als vroeger, en zijn thee dronk

met een hinderlijk slurpen, dat de meisjes altijd zenuwachtig maakte;

tante, koel, onberispelijk achter het theeblad; Eugénie, die sinds

Maart uit Godesberg was teruggekeerd, zoo goed als hersteld, hadden de

doktoren aarzelend gezegd, maar heel teer en prikkelbaar nog; Betty de

Mureaux met haar bolbleek lachgezichtje ..... Alles, alles was hier

onveranderd gebleven, alsof ze allen hadden geslapen dit jaar, alsof ze

niet hadden meegeleefd in dezen tijd zoo vol raadsels en strijd op alle

gebied, en vol hartstochten, aanloeiend van uit donkere verten. ’t Was

net alsof deze allen rustig in een kinderkamer-atmosfeer hadden

geleefd, waar pretjes en koekjes de hoogste emoties zijn. Er was iets

slaperigs hier, in die elegante veranda, in den keurig opgeharkten

tuin, zelfs in het mooie antieke zilver, waarin zich het fijne

Japansche blauw weerspiegelde, en waar Hilda anders zoo graag naar

keek, was iets vervelend zielloos vanavond. O! ze voelde het, na dit

jaar van jong, krachtig leven, zou ze het hier nooit meer hebben kunnen

uithouden.

„Freule, daar is Miss Arlington, om u even te spreken.”

Hilda sprong op en wierp haar handwerkje haastig neer. Tante van

Starren vond niet dat het goed stond, als meisjes met leege handen aan

de thee zaten. Jaar in jaar uit hadden ze daarom allen werkjes gemaakt,

werkjes zonder nut en zonder kunst, die bijna niet vorderden en wier

eenige reden van bestaan was, dat het onvrouwelijk stond om ze niet te

maken.

Hilda ging naar het salon, waar Maud Arlington op haar wachtte.

„O! Maud hoe lief dat je bij me komt! Wist je dat ik hier was?”

„Ik zag in de courant dat je gisteren door je examen bent gekomen, en

toen dacht ik wel dat je hier zoudt zijn. Ik wou je even feliciteeren,

lieve, en dan afscheid nemen ....”

„Ga je terug naar Amerika? Toe, vertel me gauw, hoe staat het met de

zaken?”

„Goed, ik heb overwonnen!”

Iets van triomf klonk in Maud’s diepe altstem, maar de zorgrimpels op

haar voorhoofd stonden strak.

„Vertel er me alles van, dear! Hebben ze het je nog erg lastig gemaakt,

die heeren van den familieraad? Ze zijn schandelijk tegen je geweest,

is het niet?”

Hilda van Suylenburg · 第 33 / 35 段