Zij kleurde, bang om iets kwaads te zeggen, en toch zoo bitter

verlangend om de angst van haar ziel uit te spreken. Smeekend zag ze

op, maar toen ze Maud’s oogen ontmoette vol treurig begrijpen, brak

ineens haar zelfbeheersching. Ze sloeg de armen om haar hals en snikte

wild, als vroeger, in de dagen van groot kinderverdriet.

„O! Maud! als ik ze jou toch maar kon laten! Frederik heeft zulke heel

andere denkbeelden over opvoeding .... Vooral over broertje .... Het is

zoo’n goed kind, maar niet makkelijk te regeeren, zooals de menschen

dat noemen!—alsof het ons bij het opvoeden te doen moest zijn, om ze te

regeeren!—Als Frederik in z’n jeugd niet zoo geregeerd, gedrild was

geweest, zou ie nou misschien heel anders zijn. Maar ze hebben hem in

z’n kindsheid, al zijn wil—men noemde het koppigheid—er uit geslagen,

tot ie ’n onderdanig, willoos jongetje was geworden, met alleen angst

voor straf tot moreel richtsnoer, en natuurlijk, is ie nou later, toen

ie z’n eigen meester werd, een willooze, zwakke man geworden. Maar dat

ziet ie niet in. Zijn slap heen en weer slingeren door allerlei

hartstochten, houdt ie voor mannelijkheid en originaliteit, en als ik

er niet was, zou ie Hajo ook weer met den stok willen opvoeden, hem

klein krijgen, zooals ie ’t uitdrukt, en ik weet zeker, dat dan alle

energie en zelfvertrouwen in ’t kind verloren zouên gaan, en die zal ie

juist met z’n onstuimig karaktertje zoo vreeselijk noodig hebben. O!

Maud, als jij maar bij ze kondt blijven! en hen leeren zich zelf te

beheerschen, en zich rekenschap te geven van wat ze willen en of dat

goed is, en dan ook te volbrengen, wat ze zich voorgenomen hebben ....”

Gladys zweeg even, uitgeput, met een hijgenden snik.

„Lieveling, dearest, er is niets geen grond voor je angst,” zeide Maud.

„Waarom zou je ’r niet even goed doorkomen, als de twee andere keeren?

Maar als het je rust geeft, maak dan een testament waarbij je mij

wettelijk benoemt tot hulp en raadsvrouw van je man. De groote jeugd

van de kinderen en daardoor de behoefte aan vrouwelijk toezicht zullen

die beschikking in ieders oogen volkomen motiveeren.”

„Dat kan niet Maud.”

„Ja zeker, het kan wèl! Ik heb het nog pas, bij den dood van mijnheer

Banckhorst gehoord, die had ook aan z’n vrouw, omdat ze zoo ziekelijk

is, een raadsman toegewezen, om haar te helpen, haar zes jongens groot

te brengen.”

„Ja, dat kan een vader voor zijn kinderen doen, [17] als hij meent dat

de vrouw niet geheel berekend is voor haar taak, maar een moeder kan

het niet!”

„Waarom niet?”

„Omdat ze maar ’n vrouw is!”

„Hoe bedoel je? kan een moeder ....? Maar dat is belachelijk!”

„Nee, het is niet belachelijk, ’t is afgrijselijk!” zeide Gladys, en

ineens zich opwindend, terwijl twee brandend roode plekken zich op de

magere wangen teekenden: „Versta je, Maud? Frederik heeft ’t recht mij

bij zijn dood den eersten den besten man, die hem in z’n hoofd komt toe

te voegen als raadsman, zonder wiens toestemming ik niets met mijn

eigen kinderen doen kan! Maar ik .... de moeder, die hem onmachtig, en

....”—de emotie sleepte haar mee het lang gezwegen smartelijke uit te

spreken—„en onwaardig weet om hen op te voeden, ik ben machteloos!”

Met een kermenden kreet kwam ze plotseling overeind:

„O! Maud, laat ik maar naar boven gaan .... Het oogenblik .... zal

gekomen zijn. Is Frederik niet thuis?”

Maud legde haar arm steunend om de jonge vrouw, en schudde het hoofd.

Voorzichtig bracht ze haar in bed, met teere woorden uit haar

kindsheid.

Maar het oogenblik was nog niet gekomen. Gladys viel in slaap en na een

paar uur werd ze veel kalmer wakker, met iets zelfs van den ouden moed.

Toen had Maud het haar gezegd, het ongeluk van Frederik, want het was

avond geworden, en Gladys had telkens gevraagd, met angstigen argwaan

„of Free niet thuis was komen eten, en of Maud niet wist waar ie was.”

„O! het beteekent niks!” zeide Maud geruststellend, „de menschen, die

hem hebben gevonden, wisten natuurlijk niet waar ie woonde, en hebben

hem naar ’t ziekenhuis gebracht, en daar moet ie vannacht nou wel

blijven, maar ’t zal wel gauw over zijn.”

Gladys zeide niets. Met krampachtig vast gevouwen handen lag ze

achterover, heel bleek.

Toen, tegen elf uur werd er gebeld. Het was een particulier briefje van

den dokter van ’t Ziekenhuis, een vroegere clubgenoot van van Praege,

die als vriend bij hen aan huis kwam, om Gladys te waarschuwen dat er

onmiddellijk gevaar was en te vragen of er geen mogelijkheid bestond

dat ze nog kwam.

Maud was naar beneden gegaan, en las het briefje in groote

verslagenheid: „men mocht het immers niet wagen, ieder oogenblik kon

voor Gladys het moment dáár zijn.”

Met loome voeten ging ze de trap weer op. Door het stille huis, waar

iedereen waakte in angstig wachten, zweefde als een ongeluksbedreiging.

Gladys zat overeind toen ze binnen kwam, met starende oogen vol vreemde

ontzetting. Met een ongeduldig gebaar wees ze de baker om naar de

andere kamer te gaan:

„Wat was die bel?”

„Niks kindje, een vergissing, geloof ik.”

„Nee, nee, Maud, het kwam van Frederik. Hij is zeker gevaarlijk! O!

nee, bedrieg me maar niet! En ie gaat sterven en ik ook! En weet je wat

er gebeurt met mijn kinderen? De aangewezen persoon om hun voogd te

worden is natuurlijk Henk! .... Natuurlijk, de eigen broer van den

vader! ’n voorname Meneer, een geacht ingezetene! Groote God! en z’n

eigen natuurlijke kinderen laat ie in de ellende, en z’n gedrag is

altijd horrible geweest! maar heel deftig, in stilte! En dat wordt de

voogd van mijn kleintjes!” Ze snikte, met wringende handen.

„Nee, Glad, m’n lieveling, wees toch niet zoo bang! Ik zal immers voor

ze zorgen, als jullie heen moest gaan. Ik beloof het je immers, ik zal

voogdes worden!”

„Dat kan juist niet! Als dat kon was het alles goed! Maar het gaat

niet. O! mijn God!”

„Waarom niet, dearest? Omdat ik misschien Amerikaansche ben? Maar als

het moet, zou ik me immers dadelijk laten naturaliseeren. Ik wil alles

voor je doen ....”

„Nee, Maud, het kan niet omdat je vrouw bent!”

„Vrouw ben?” herhaalde Maud.

„Ja, de wetten hier, vinden een wilden, ongetrouwden cavalerieofficier

veel beter om zoo’n paar teere plantjes aan toe te vertrouwen, dan de

eigen zuster der moeder. Is het niet om krankzinnig te worden? O!

Maudy, maar je zult ze toch niet verlaten?”

„Dus, bij gebrek aan bloedverwanten, zou je staljongen nog eerder de

voogdij over je kinderen kunnen krijgen dan ik, de gestudeerde vrouw,

de eigen tante, die haar leven voor zulke kleintjes geven zou? Maar in

hemelsnaam, zijn die Hollandsche vrouwen dan zoo slaperig, dat ze zoo

iets dulden?”

Gladys kreunde, haar gezichtje van heftige pijnen vertrokken. Maar na

een poosje werd ze weer kalmer en met beide handen Maud’s hoofd dicht

naar zich toe trekkend, zeide ze in ’n haastig gefluister: „Ja, de

wetten zijn hier zóo, dat zelfs de grootmoeder, al heeft ze bewezen,

door haar eigen kinderen uitstekend op te voeden, dat ze volkomen voor

haar taak berekend is, geen voogdes mag worden over de weezen van haar

zoon of dochter! Zelfs onze eigen, lieve moeder, Maud, als ze nog

leefde, zou geen voogdes van mijn kleintjes mogen zijn! O! weet je, het

komt alles voort uit dat ouwe principe, waar we in onze vroolijke

meisjesjaren zoo dol om hebben gelachen: dat de vrouw een inferieur,

onmondig wezen zijn zou! Maar toen wisten we niet dat het eenmaal zoo’n

ramp over ons brengen zou!”

„Lieveling, wind je toch niet zoo op! Denk toch aan je kindje! Willen

we samen nog es bidden, zooals vroeger, toen we klein waren?”

Gladys schudde heftig het hoofd.

„Ik kan niet, Maud, ik ben te wanhopend! O, jij bent veel beter dan ik!

Jij kon altijd je verdriet uitstorten aan God en dan getroost zijn,

maar ik kan niet ....”

„Toe probeer het es, lieveling. Het zou je zoo’n rust geven, als je je

kleintjes in Zijn liefde kon aanbevelen ....”

„Och Maud, er zijn immers zooveel kinderen verloren gegaan, die door

hun stervende moeders aan God waren opgedragen!.... En God heeft jou

immers gegeven, ’n verstandige, heilige vrouw, om voor ze te zorgen!

Wat kon Hij meer doen? Hij kan het niet helpen, dat de domme menschen,

met hun schandewetten, je krachteloos hebben gemaakt! Maar

niettegenstaande alles, Maudy, beloof je me dat je over ze waken zult?”

Rillend kwam ze overeind en bedekte Maud’s handen met kussen.

„Ik beloof het!” snikte Maud en een oogenblik hielden zij elkaar vast

en weenden samen in nameloos leed.

„Bedaar toch, liefste! Maar je zult immers niet sterven, en voor

Frederik is toch ook nog hoop!” „Ja, we zullen wèl sterven!” zeide

Gladys sidderend. „Ik voel het! Maar ik zal je wat zeggen,

Maud!....”—Haar oogen waren heel donker en fonkelden diep in de holle

zwarte kringen, en een huiveringwekkend pathos was in haar op dit

oogenblik.—„Als de vloek van een stervende moeder iets beteekent, Maud,

zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge

vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke

toestanden. Zeg het haar, dat ik geen rust heb gevonden op mijn

doodsbed, omdat ik mijn kinderen niet aan jou kon geven, omdat .... jij

van het geslacht der moeders bent. Zeg het haar, dat ik ze vloek!

vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die

wetten te brengen!”

„In Godsnaam Glad, wees toch bedaard!”

Maar met een smartgekreun, zonk de jonge vrouw ineens neer. De weeën

waren begonnen en er werd niet meer gesproken.

Het was een afgrijselijke nacht, en Gladys’ lijden was ontzettend, en

Maud stond er bij, en later Corona, die er bij geroepen was, en zij,

die zoovele vrouwen gered hadden, ze waren onmachtig hier.

Gladys kwam bijna niet meer tot bewustzijn, alleen riep ze ijlend, dat

men de kinderen weg moest brengen, dat hij, Henk, ze niet vinden kon.

Het was een dood kindje, en tegen den morgen stierf Gladys, en een paar

uur daarna kwam het bericht uit het ziekenhuis, dat Frederik van Praege

was overleden.

En een oogenblik hield de wereld op met haar lichtzinnig gesnater, een

enkel oogenblik was men gefrappeerd door den plotselingen dood van die

twee jonge menschen, maar niemand dacht er aan in welke wanhoopsangsten

Gladys was heengegaan.

In de Oude Molstraat, in zijn armoedige kamer op de tweede verdieping,

waar alles het onderkomene, verlepte had, van achteruitgegane menschen,

die sinds jaren, om zich nog even staande te houden, kamers verhuren,

zat Moisette voor zijn schrijftafel. Een stapel papieren lag vóór hem,

die hij aandachtig doorlas, met nu en dan een kleine zucht van

ongeduld. Hij vond het verschrikkelijk vervelend deze soort lektuur,

waar hij zich heelemaal niet in thuis voelde, maar een kinderlooze,

zeer gefortuneerde nicht in Poitiers, had hem tot haar erfgenaam

gemaakt, en hij was nu wel genoodzaakt kennis te nemen van de stukken,

die men hem daarover had toegezonden. Telkens dwaalden zijn gedachten

echter af; het idee, dat hij nu rijk was, kon hem soms ineens

fascineerend overweldigen. En hij dacht aan Hilda. O! hij wist wel, dat

zij tot de vrouwen behoorde, wier liefde niet afhankelijk is van een

beetje meer of minder geld, maar ’t was toch net of dit fortuin hem

dichter bij haar had gebracht. Zij had hem altijd getoond, dat ze niet

van hem hield, hij wist het wel, en met razende onrust kwam die

zekerheid altijd weer z’n hoopvolle oogenblikken bederven. „Maar tot

dusver was ie ook zoo angstvallig geweest. De vrees, dat iemand uit

haar omgeving, of zij zelf misschien, hem verdenken zou van onzuivere

bedoelingen, van berekening, had hem onhandig en teruggetrokken

gemaakt. Maar nu, nu hij haar gelijke was geworden,—want was in deze

eeuw geld eigenlijk niet evenveel als geboorte?—nu zou hij heel anders

zijn.”

Hij had haar in lang niet gezien! heel zonderling! sinds September

niet, en ’t was nu al December. Hij had niet den moed gehad naar haar

te vragen, uit vrees dat men zijn geheim zou raden. Een paar oude dames

hadden er hem al mee geplaagd, en hij kon het niet hebben, dat

onkiesche handen dat teere plekje aanraakten. Zorgvuldig had hij dus

altijd vermeden om over haar te spreken, ofschoon hij innerlijk van

verlangen getrild had om iets van haar te hooren, en hij overal

getracht had haar te ontmoeten. Maar nu zou hij er openlijk voor

uitkomen, dat hij haar het hof wou maken. Iemand van zijn fortuin

hoefde zich niet meer zoo schuw weg te houden! en hij zou vandaag nog

naar mevrouw Cranz gaan en haar vragen waar Hilda toch was.

Sinds Bernard’s declaratie en haar weigeren, wist hij wel, dat zij

zelden meer bij de oude mevrouw kwam. Een pijnlijk onderhoud had er

tusschen haar plaats gehad. Mevrouw Cranz had dringend gesmeekt dat

Hilda op haar besluit zou terugkomen, en zich over Bernard zou

ontfermen, Hilda had droevig geweigerd, en ofschoon zij met veel kussen

en tranen gescheiden waren, in haar omgang was sinds dien tijd een

kleine smartelijke bijsmaak overgebleven, die het Hilda onmogelijk

maakte om nog dikwijls te komen.

Maar in elk geval zou mevrouw Cranz toch weten waar Hilda was. Hij had

haar het laatst gezien twintig September, op een tentoonstelling in den

Kunstkring, en er was toen iets vreemds over haar geweest, alsof ze

rondliep in een droom, sterk vervuld van de eene of andere gedachte.

Hij had haar zien staan, onbewegelijk, voor een teekening van Thys

Maris, een kwartier lang, met een zonderlingen glimlach, en toen

heengaan met een diepen zucht en een optrekken van de wenkbrauwen alsof

ze worstelde met vragen waarvan ze de oplossing niet vinden kon.

Moisette strekte zijn beenen lang uit onder de schrijftafel, achterover

hangend in zijn stoel, de hand onder het hoofd, een beweging van genot

om zich aan zijn gedachten over te geven.

„Wat kon bij een jong meisje zulk vragenvol gedroom anders beteekenen

dan verlangen naar ...? Natuurlijk, ze had Cranz wel geweigerd, omdat

.... enfin .... z’n reputatie .... misschien ook ’n wezenlijke

antipathie? Maar nu ze zich blijkbaar onbevredigd, zoekend begon te

voelen, nu was de tijd gekomen, dat hij, Moisette, te midden van de

leegheid van haar meisjesleven zou verschijnen en het zou weten te

vullen met nieuwe emoties ....!”

„Dominee, daar is juffrouw Wendelings.”

Hij kwam overeind met een kleinen schok van tegenzin.

„Laat de juffrouw maar even hier naast, in de spreekkamer.”

Haastig begon hij de papieren bijeen te schuiven, en borg ze weg. Toen

ging hij naar een hoek van de kamer, waar een kleine deur achter ’n

armoedige portière van dunne, vuilbruine stof wegschool, en opende die.

„Komt u binnen, juffrouw Wendelings, kan ik iets voor u doen?”

Hij zei het heel zacht en vriendelijk, juist neerbuigend genoeg om even

te herinneren dat hij op een hoogtetje stond.

Bertha zag er slecht uit, en het verlies van haar frischheid maakte

haar leelijkheid nog grover. Ze droeg een armelijk rouwtje, uit de half

versleten kleeren van haar moeder gemaakt, want in ’t voorjaar, kort

nadat zij haar ontslag had genomen van het kantoor, was de oude mevrouw

gestorven.

Zwijgend zat Bertha aan de tafel, midden in de kamer, Moisette was

tegenover haar gaan zitten en wachtte. Maar verlegen, zenuwachtig de

handen in elkaar geperst, bleef ze zwijgen.

„U hebt mij misschien iets te vragen?”

„Ik kwam ... u zeggen ... dominee ... Dominee ik kwam u vertellen dat

ik geëngageerd ben.”

Iets warm vriendelijks kwam in zijn gezicht. Niettegenstaande al zijn

overtuiging, dat hij goed had gedaan met haar weg te nemen van haar

kantoor, was er toch soms in zijn geweten een angstig klein kneepje

geweest over haar toekomst.

„Wel, wel, dat vind ik aardig! Dat doet me plezier, juffrouw

Wendelings! Ik feliciteer u van harte, en .... wie is de uitverkorene!”

„Mijnheer B. R. Jastens.”

Hij zag haar vragend aan; de naam zeide hem niets.

Toen ging ze voort, heel mat, met verlegen, toonlooze stem:

„Hij woont in de Batjanstraat. Hij is gepensioneerd Indisch Ambtenaar,

en hij is negen en zestig jaar.”

Bij ’t zeggen van zijn leeftijd zag ze even schuw op, om te zien welken

indruk het op Moisette zou maken.

„Dan is er wèl een zeer groot verschil tusschen u beiden! maar men ziet

dikwijls dat dat de beste huwelijken geeft ....”

„O! ja, hij zou m’n vader kunnen zijn.”

Moisette werd onrustig bij de slappe moedeloosheid in haar manieren.

Hij zocht om iets hartelijks te zeggen.

„En hebt u elkaar al lang gekend? ....”

„Ja, al twee jaar. Vroeger liep ie me altijd na, maar ’k was bang van

hem. En verleden jaar heeft ie me ook gevraagd, maar ’k wou niet. Hij

heeft zoo iets engs en dan is er ook nog zoo’n Indisch kind van hem in

huis, ’n meisje van veertien, ’n ondeugende kat, en daar was ik ook

bang van.”

„En heeft nou toch Amor over dat alles gezegevierd? Kom aan, dat is

goed.”

Hij glimlachte, vreeselijk banaal in zijn gewild doen, alsof hij nog in

liefde bij haar geloofde. Maar zij antwoordde niet, te gebroken om te

reageeren, en slap ineengezakt bleef ze tegenover hem zitten.

Er was een poosje benauwende stilte, toen begon ze, haperend, schuw

vlak langs hem heenziende, naar een vlek op het behang:

„Ik kwam u vragen, of u ons zoudt willen trouwen?”

„Zeker m’n kind, zeker wil ik dat doen.”

„’t Is al over veertien dagen, ziet u. U begrijpt .... ik moet nou toch

al van hem leenen, want ik heb geen cent meer in huis, en dus vindt ie,

hoe eer hoe beter. ’t Pensioen van mama is natuurlijk dadelijk

opgehoûen en ik heb haast niks kunnen verdienen; in Tesselschade en

Arbeid-Adelt hebben ze me es wat werk gegeven, maar ze vonden dat ’k

niet mooi genoeg naaide. Ik kan het ook niet zoo erg goed en ’t is ook

zoo moeilijk! En ’t geeft toch nauwelijks droog brood, al kon ik het!

En ’k heb zeventig brieven op advertenties geschreven voor juffrouw van

gezelschap en kinderjuffrouw en op eén huwelijksadvertentie zelfs, maar

d’r is niks op gekomen, en .... nou is dit wel het eenige!”

„Ja, dat is het! En laat het u tot een troost zijn, dat het huwelijk

toch ook uw eigenlijke bestemming is. Het is wel jammer, als men het

niet met dat zekere enthousiasme aangaat, wat alles gemakkelijk maakt,

maar ik verzeker u, wanneer u al uw best doet om een getrouwe,

christelijke gade voor mijnheer Jastens te worden, dan zult u daarin

een groote satisfactie vinden, zooals elke deugdzame plichtsbetrachting

die geeft!”

Bertha stond op, ineens. Een razende verbittering tegen den man, dien

zij liefhad, en die nooit iets van haar liefde had willen begrijpen, en

nu in dit wanhoopsoogenblik een paar holle zinnetjes over plicht tegen

haar durfde .... leuteren, schudde haar even wakker uit haar dofheid

van overwonneling. Ze had lust om hem ook pijn te doen, en iets van

haar eigen rampzaligheid in hem te zien echoën.

„Weet u dat freule van Suylenburg naar Amsterdam is gegaan om voor

advocaat te studeeren?”

De stoot was te onverwacht, Moisette kon hem niet met zijn gewone

kalmte van zelfbeheersching pareeren.

„Sinds wanneer? Weet u het heel zeker?”

„Heel zeker! En er wordt verteld, dat ze ’n gelofte heeft gedaan om

nooit te trouwen!”

Het laatste verzon ze er bij, terwijl ze het uitsprak. Van nature was

ze goedhartig, maar de pijn van dit oogenblik gaf haar een

onweerstaanbare prikkeling van boosaardigheid.

„Dus u wilt ons trouwen? Morgen over veertien dagen?”

„Ja, ja, ik kom nog wel es bij u aan, om er over te spreken.”

Hij stond op, zenuwachtig, en liet haar uit op het portaal, en hoorde

niet eens den krijtenden snik, die opklonk uit de nauwe, donkere trap

toen ze afdaalde. Hij vloog terug in zijn kamer en greep zijn hoed,

maar toen zag hij Corona van Oven op den drempel van het spreekkamertje

staan.

„O! dokter .... Ik wou juist naar u toe gaan ....”

„U moet me vergeven, mijnheer Moisette, maar de meid liet me daar

binnen, en de deur stond aan en .... ik kon niet helpen .... dat ’k

hoorde wat hier gezegd werd ....”

Uitdagend stonden zij tegenover elkaar. Een kleine prikkeling van

antipathisch aangelegde naturen was er altijd tusschen hen geweest,

maar tot dusver, als hun wegen elkaar kruisten, meestal in arme

woningen, hadden ze dat verborgen achter gewilde hoogachting.

„U mocht het gerust hooren, het waren geen geheimen; juffrouw

Wendelings kwam me vragen om haar huwelijk in te zegenen.”

„Ja, maar hoe kunt u nou toch zoo iets goed vinden? Ziet u dan niet dat

het huwelijk, dat dit arme kind gaat doen, prostitutie is?”

„Nee, zulke verbintenissen komen soms heel goed terecht.”

„In negen van de tien gevallen is het ’n zedelijke zelfmoord! Dat „goed

terecht komen” beteekent zoo dikwijls in versuffing of verbittering

zwijgen! En in elk geval zijn het uit zulke huwelijken, dat de laffen,

de cynischen, de gloedloozen, de zwakken d.i. de misdadigers geboren

worden! En dat moest u weten, dominee.”

Hij zag haar even strak aan, zonder eigenlijk te verstaan, te veel

vervuld van het nieuws over Hilda om te kunnen ingaan op beschouwingen

over Bertha’s besluit.

„Is het waar, wat ze straks gezegd heeft over de freule van

Suylenburg?”

„Dat ze in Amsterdam studeert? ja! maar ....”

„En u hebt haar dien weg ingedreven?”

„Nee, ik heb haar de richting van den weg alleen aangeduid, maar ze is

hem zelf, uit vrijen wil, ingegaan.”

„Ja, dat kennen we, die vrije wil! Denkt u dat ik niet weet, hoe u ’n

massa jonge meisjes met stil geweld aan het werk hebt gezet om ze maar

van ’t huwelijk af te hoûen? ’k Ben blij dat ik ’t u nu es zeggen kan.

Ik vind het onverantwoordelijk!”

„Ik zet ze aan ’t werk, omdat haar leven leeg is: vol van beuzelarij en

leeg van geluk. En als ik ze daardoor kan redden van zoo’n huwelijk,

waarbij de drijfveer van de bruid meer is verliefdheid op verandering,

dan liefde tot haar man, wel des te beter! Maar ik wil ze volstrekt

niet van het huwelijk zelf afhoûen. Als ze op haar pad iemand

tegenkomen, dien ze liefhebben, dan gaan ze immers van zelf met hem

mee! Daar hoeven we heusch geen theorieën over te verkondigen!”

En Corona glimlachte.

Moisette scheen niet te luisteren, opgewonden ging hij voort:

„Maar het wordt tegenwoordig immers ’n rage, dat alle jonge meisjes het

huis uit willen, om maar een of ander te beginnen, ook al zijn ze thuis

nog zoo noodig! Het is misérable met die emancipatie.”

„U vergist u,” zeide Corona koel. „Dat „thuis zoo heel noodig zijn”, is

in de meeste gevallen maar ’n fictie, getuige het feit dat, zoodra er

zich ’n huwelijk voordoet, al die bezwaren, die het meisje weerhielden

om zich naar hartelust aan ’t een of ’t ander te wijden, dadelijk

vervallen! Gewoonlijk beteekent het „thuis niet gemist kunnen worden”,

het egoïste verlangen van de ouders om wat gezelligheid om zich heen te

hoûen, of wat sleur, of wat angst dat de wereld het gek zal vinden, of

er wat achter zal zoeken, als meisjes het huis uitgaan, die ’t niet

bepaald voor het brood moeten doen.—Zeker, er zijn gevallen dat er

heusch thuis groote plichten te vervullen zijn: bij ziekelijke ouders,

of moederlooze broertjes en zusjes en zoo meer, maar gelooft u dan

niet, dat, als ik zoo’n geval ontmoet, ik juist de eerste zal zijn,

juist in naam van de emancipatie, die ernst en verantwoordelijksgevoel

wil, om haar te wijzen op de taak, vlak in haar nabijheid, in plaats

van op eene aan den blauwen horizont! Maar u begrijpt toch wel, dat

elke vrouw, die toewijding in zich voelt, in zulke omstandigheden van

zelf zal thuis blijven! En .... doet zij ’t niet, wel, dan is ’t

eenvoudig dat zij nog niet rijp is voor dat zware liefdewerk! Laat haar

dan maar gaan, waarheen haar heur lust trekt, om zich zelf te

ontdekken; dat zal beter zijn èn voor haar eigen, èn voor haar

huisgenooten, dan haar tegen wil en dank thuis te hoûen, zooals dat

tegenwoordig nog dikwijls gebeurt! Want plichten, die alleen door vrije

toewijding goed zijn te volbrengen, en alleen veredelen, als zij met

bewuste zelfverloochening worden gedaan, zijn ’n vloek, en voor ’t

karakter ’n groot gevaar, als zij in dwang worden volvoerd!”

Zij zag hem aan, sprekend met groote kracht, om zijn aandacht te

trekken, die ze zag dat afwezig was. Ze had zoo dikwijls over deze

idées moeten strijd voeren! en zoo dikwijls meisjes zien ten onder

gaan, voor wier jonge schouders de taak te zwaar was, of voor haar aard

ongeschikt, en die door haar omgeving, zonder het minste

gewetensbezwaar, kalm, alsof het van zelf sprak, werden opgeofferd.

Maar Moisette dacht aan Hilda’s belofte om niet te trouwen en Corona’s

woorden gingen over hem heen, zonder dat hij ze overwoog.

Hilda van Suylenburg · 第 32 / 35 段