„Eddy dus ook al, die goeie lobbes van ’n Eddy! Zoo’n jongentje nog!

Wat heeft ze er aan, Til, om hèm ook al naar de diepte te halen! Maar

ze kan het niet meer laten! Is het niet om bij te huilen, ’n vrouw met

zoo’n rijken aanleg au fond? O! Corona had het in ’t voorjaar wel

gezegd: als Ottilie nu de kracht niet heeft zich flink aan te grijpen

en ’n omwenteling in haar leven te brengen, gaat ze onherroepelijk hoe

langer hoe lager zinken! En zoo zou ze nou voortgaan, anderen

bezoedelend, en op haar beurt bezoedeld wordend, anderen martelend en

op haar beurt gemarteld wordend ....”

„Hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!” herhaalde Hilda in een walging, die

een oogenblik alles donker in haar maakte. „En zoo zijn er duizenden,

millioenen, wel met allerlei nuancen en uiterlijke verschillen, maar in

den grond van hetzelfde type. Overal zijn ze, in alle landstreken! in

alle standen, waar men zich maar even de luxe kan permitteeren om de

meisjes de traditioneele opvoeding van nietsdoen te geven! Want uit

hartstocht wordt op deze wijze betrekkelijk zelden gezondigd, uit

lediggang, en het daaruit geboren verlangen naar prikkeling, veel!”

Hilda liep driftig voort, in sterke physieke beweging rust zoekend na

dezen schok. Eindelijk op een hoogen duintop, waar de zeewind koelte

aanwoei, zette ze zich neer. Het beeld van Ottilie vervolgde haar, ’t

was alsof er ergens een groote zwarte vlek was gevallen op het blank

vredige van dit avonduur.

En terwijl zij daar neerzat, hoorde ze ineens als in een hallucinatie

weer het hatelijke: „onvrouwelijk”, dat men haar den laatsten tijd in

alle schakeeringen van toon had toegeroepen. „Wat een dwaasheid toch

dat iedereen zich dadelijk zoo angstig maakte over onvrouwelijkheid,

terwijl men onverschillig bleef bij zooveel vrouwen-onwaardigheid, als

daar was in de wereld!”

En met groote duidelijkheid rees toen weer plotseling het moment voor

haar op, nu acht dagen geleden, op het bal bij de Vermaezens, toen ze,

wachtend op Maarten, alles om zich heen rustig had zitten opnemen. Daar

stond weer Valérie, in bestudeerde achteloosheid tegen den muur

geleund, het gouden haar, onder den lichtarm vlak boven haar hoofd,

waasde om het kopje als zondoorgloeide wolkjes, de volle roode lippen

waren geopend van opwinding, die haar adem sneller deed gaan. Zij was

heel mooi zoo, en van Gaefden zag haar aan, trotsch glimlachend, want

het is streelend voor ijdelheid zich de toekomstige bezitter van

zooveel moois te voelen. Maar Valérie stond half van hem afgewend, haar

oogen lachten tegen een jongen zeeofficier, die zich door de

rondwandelende paren heen, naar haar toedrong.

De muziek begon weer: een wals. Daar was hij, een buiging heel diep en

eerbiedig, toen een beweging nonchalant familjaar, de arm om haar

middel, ’n paar fluisterwoorden, die haar erg deden lachen, met ’n

onwillekeurig even omzien naar van Gaefden, en daar zweefden ze heen,

jong, slank, sierlijk in hun omstrengeling .... en toch .... Daar

kwamen ze aan, vlak langs Hilda, Valérie’s arm lag blank en week op de

donkere uniform, en haar oogen waren wijd open van opwinding. Wat ’n

prachtige bacchante zou men van haar hebben kunnen maken! En wilder

sleepten de tonen hen voort en vager werd haar blik en de jonge

officier greep haar sterker vast, en boog zich over haar heen, daar

waren ze weer, vlak bij Hilda, en zij verstond wat er gezegd werd en

.... walgde. Maar Valérie danste lachend en blozend voort, haar

goudvlokkige haren fladderden op tegen het gezicht van haar danseur en

zijn gloeiende adem was op haar voorhoofd.

Bah! Dit waren dan de toekomstvrouwen, die staan zouden te midden der

woelingen die naderden? Het volgend jaar zou Valérie misschien al een

kindje in haar armen houden en dit was haar voorbereiding geweest!

En daar ginds was Betty de Mureaux met haar eeuwig kinderachtig

giegelen en Annie van Gaefden met haar diadeem van reigerveeren! Zij

wist hoe bloedig wreed dat tooisel was verkregen, [16] maar wat kon

haar dat schelen, als het maar goed stond? En daar verder was Corry met

haar onschuldig gezichtje, en valsch eerzuchtig hart, en Agathe van

Brehnen, die straks vol ophef verteld had van haar tir aux pigeons in

Berlijn bij Gräfin von Prinsau. Zoo’n duifje dat losgelaten wordt en

dan schieten! De kunst is om het diertje niet doodelijk te treffen,

maar de pootjes er af! O! dol amusant! en dan de vossenjacht bij Lord

Kingsline, waar ’n arm klein vosje door de honden bijna dood gejaagd en

dan verscheurd wordt, o! allergezelligst! En daar was ook nog Mathilde

van de Bransen, wier hoogste illusie het was om met een Engelschen

groot-grondbezitter te trouwen, en bij wie geen enkele kamenier het kon

uithouden, en mevrouw Jalingama, die zich zoo onbevredigd en onbegrepen

voelde, en haar drie snoezige babies altijd op de kinderkamer liet met

heel bedenkelijke bonnes, en freule Verakker, die haar leven tusschen

het tennisveld en het rijwiel verdeelde en Eugénie, met haar

overprikkelde zenuwen,—wat had ze er dien avond toch vreeselijk slecht

uitgezien—en mevrouw de Mureaux, de goedige, brave, wier ontwikkeling

niet verder ging dan het feuilleton uit de courant, en meiden en

naaisterspraatjes! en nu eindelijk Ottilie .... En met al deze typen

van vrouwen voor oogen, aan wier schoot het niet mogelijk is, dat een

zedelijk mooi en krachtig geslacht opgroeit, durfde men nog de vrees

uitspreken, dat echte vrouwelijkheid zou verloren gaan, als de meisjes

anders werden opgevoed, met meer besef van rechten, maar ook vooral van

plichten! Het was om te lachen, maar heel bitter! En wat bedoelde men

toch met dat vrouwelijke dat zou verloren gaan? In China was het

vrouwelijk om verminkte voeten, hier, in sommige kringen, om ziekelijk

dunne middeltjes te hebben, en onwetend en zenuwachtig te zijn. En

zeker, al zulke kunstmatig aangekweekte, door de traditie geijkte

eigenaardigheidjes zouden door de emancipatie verjaagd worden, maar

nooit dat aangeborene, dat onuitsprekelijke, dat de vrouw maakt tot een

ander wezen dan de man. De stempels van de natuur laten zich niet

uitwisschen, en zeker niet door wat folianten en professoren en

collegebanken! Wat is in den loop der tijden niet gebeurd met de vrouw?

En door alle omstandigheden heen, heeft zij toch haar eigen karakter

bewaard! In de middeneeuwen heeft zij gevochten en haar burchten

verdedigd, terwijl de man aan de kruistochten deelnam, ze heeft

geloofsvervolging, gevangenissen, vluchtend rondzwerven gekend, in

Amerika is ze haar man gevolgd in de wildernis, waar ze ontzettend hard

werken en haar kinderen en woning dikwijls bloedig tegen de Indianen

verdedigen moest, ze is mishandeld, vernederd, verlaten, bedorven,

verkocht, bespot, aangebeden, onteerd geworden, op alle wijzen, ze

heeft zich dood gezwoegd, door idiote modes heeft men haar lichaam

verminkt en haar geest, door kunstmatig domhouden, hier heeft men, door

haar slaafs-afhankelijk te maken, de ondeugden der slaven in haar

aangekweekt: sluwheid, onwaarheid, gebrek aan fierheid, daar heeft men,

door haar te vergoden, haar ijdel en wreed gemaakt, en niettegenstaande

dat alles is de vrouw vrouw gebleven, en zal zij dat eeuwig blijven!

ten spijt van alle pessimisten die haar bij emancipatie ontaarding

voorspellen!”

Hilda zat met de kin rustend op de handen, de ellebogen op de knieën

gesteund. Langzaam, onder het voortpeinzen over deze dingen, voelde ze

de onrust van haar schrik wegglijden.

Toen zag ze ineens, naast zich op den grond, een lange zwarte schaduw

zich bewegen; ze keek op met ’n kleinen schok van vrees, die overging

in blijheid.

„Goeien avond, freule. Gut, bent u hier heel alleen?”

„Goeien avond, mijnheer van Hervoren. Ja ik had zoo’n behoefte aan wat

lucht en beweging, vindt u het heel erg ... ongepast?”

„Ik vind het heel erg .... begrijpelijk! Als u nou toch maar zoo alleen

niet al te ver de duinen ingaat!”

„Ik ben op m’n terugweg.”

„Mag ik ’n eindje met u meegaan?”

Zij knikte met een stralenden glimlach.

„Wat ’n heerlijk toeval, dat ik u vanavond nog even kan spreken, want

morgen vroeg moet ik naar Chemnitz.”

„Naar Chemnitz? .... Denkt u voor lang?”

„Dat zal er van afhangen. Nou de fabrikant dood is, hebben de

werkstakers alleen met de weduwe en den toezienden voogd van de

kinderen te doen, en die toeziende voogd is toevallig juist iemand,

waar ik vroeger in Amerika, mee aan hetzelfde werk ben geweest en goed

mee opschieten kon. En nou wou ik zien of ik met hem den boel niet gauw

weer op orde kon krijgen, en zóo dat de positie van de arbeiders

wezenlijk ’n flink stuk verbetert, want hun grieven waren billijk.”

„Zal het lang duren?” herhaalde Hilda.

„Ik weet niet, ik hoop het niet! Maar ik heb onbepaald verlof hier van

de fabriek, omdat er hun hier ook veel aan gelegen is, dat het werk

daarginds weer gauw doorgaat.”

Hilda liep zwijgend voort. Iets kilgrijs was ineens over de naaste

toekomst gegleden. Eugénie weg, Corry’s huwelijk op handen: dagen van

leugenachtige feestelijkheid, nou dit ook weer met Eddy .... en dan nog

Maarten weg .... ze huiverde terug voor die eenzaamheid.

„Als u terugkomt, zult u mij hier niet meer ontmoeten!”

Ze zeide het onder een plotselingen drang, vóór ze nog goed had

nagedacht.

„Gaat u dan weg .... freule?”

„Ja.”

„Waarheen?”

„Naar Amsterdam. Ik kan het hier niet meer uithouên. Ik zal Corona

vragen of ze geschikte kamers voor me weet. ’t Volgende jaar, zou ik

toch gegaan zijn voor de Academie, en nou ga ’k maar liever wat

vroeger.”

„Vindt uw oom het goed?”

„Hij weet het nog niet. Ik heb het vanavond pas bedacht, maar ik denk

dat ze ’t thuis heel prettig zullen vinden, nou ik toch zulke

overdreven denkbeelden heb!”

Ze glimlachte, met een nuance bitterheid om den mond.

Hervoren zag haar aan. Ze was zoo mooi, vanavond en zoo jong, zoo

aristocratisch in de hooge beteekenis van verfijnde beschaving, zoo

fier en zoo teer!

En Maarten, die de laatste maanden overal met vuur had verkondigd dat

vrouwen de wereld in moeten even goed als mannen, dat de maatschappij

nooit in haar evenwicht kon komen vóór het vrouwelijk element er

volkomen een gelijke plaats naast het mannelijke heeft ingenomen,

Maarten voelde zich zwak worden in dit moment, vol angst om haar, die

zoo onervaren en broos ineens zou staan midden in de branding. Een

oogenblik kende hij die vrees, die velen van de edelste, genereuste

mannen het onrecht laat begaan van de vrouw terug te dringen, ver van

het groote leven. Maar toen viel hem een woord van zijn moeder in: „Het

is zoo natuurlijk, dat een man, die de worsteling, de wreedheid, het

gevaar van den levensstrijd kent, als hij een meisje ziet mooi en rein,

haar ver uit het gedrang zou willen wegvoeren, ergens, in een veilige

burcht met hooge muren. Maar laat hij niet vergeten, dat binnen die

muren wel eens doodelijk vergiftige bloemen konden staan van verveling,

en onvoldaanheid, en bekrompenheid en heimwee naar meer ruimte! Elke

man, die uit angst dat haar engelenvleugels zullen worden bezoedeld,

een vrouw zou willen opsluiten in een kooitje, al was het van goud en

fluweel, zou na een poosje merken, dat haar vleugels verdord en

verslapt zijn en dat hier of daar duivelenhorentjes zijn gegroeid.”

Hij nam zachtjes haar hand, zonderling ontroerd. In godsnaam, dit

kindje moest het volle leven dan ook maar ingaan, zooals toch eigenlijk

alle grooten onder de menschen gedaan hebben, en waar zij komen zou,

zou ’n beetje meer liefde en vreugde zijn!

„Maar wanneer zie ik u dan weer? Zal ik u dan vooreerst nergens meer

kunnen ontmoeten?”

Zij zag hem vol aan met haar groote oogen, en met een glimlach vol

wonderbare belofte, zeide ze heel eenvoudig:

„O! ja zeker, alle Zondagen zal ik thuis zijn voor mijn vrienden. U

moet me gauw komen opzoeken! Gladys zal u mijn adres wel geven ....

vaarwel ....”

Alles was nog donker en stil in huis, toen Hilda thuis kwam, alleen in

de keuken werd gelachen, de luide lach van dienstboden, die visite

hebben en hun meesters uit weten.

In de kamers kroop de schemering geheimzinnig uit de hoeken en wischte

de omtrekken der meubels uit, in de serre slechts viel nog wat licht

van den wolkenloozen avondhemel, waaraan de zon haar glans nog maar

kort van te voren had onttrokken.

Hilda zette zich neer in haar gewone schommelstoeltje; de eenzaamheid

en donkerte van het huis lieten haar onverschillig, alles was licht in

haar, alles vol stralende levensblijheid.

De gedachte dat Maarten wegging, misschien voor een langen tijd, was

haar op dit oogenblik zelfs niet eens meer pijnlijk. Hij ging om daar

ginds goed te doen, onrecht te herstellen! En in haar enthousiaste

meisjesverbeelding zag ze hem staan met zijn klare magnetische oogen en

blonde haren, midden tusschen de zwart dreigende figuren der

fabriekwerkers te Chemnitz, en als hij sprak zouden de harde trekken

zich verzachten, hij zou hun weten te geven, dat, wat voor velen, in

deze bange tijden van worsteling en argwaan, een hooge weldaad is: het

volle vertrouwen in éen dien zij geestelijk boven zich voelen. En dan

zou hij hun toestand verbeteren, alles regelen. Ze had het den laatsten

tijd van alle kanten gehoord, hij was zoo vreeselijk knap, en zoo goed!

O! ze was trotsch op hem! En in liefde is het hoogste weelde, trotsch

te kunnen zijn! En in dien tijd zou zij in Amsterdam haar kamers

inrichten: één heel eenvoudig slaapkamertje met veel zon en veel lucht

en een zitkamer .... O! heel anders dan hier al die meisjesboudoirs met

hun overlading van prullen, stijl twee-guldens-bazaar! Het zou een

mooie kamer zijn, met die voorname, zeldzame mooiheid die elke beurs

kan bekostigen, n. l. afwezigheid van alles wat leelijk is. Het zou

eenvoudig, bijna streng zijn, maar alles wat er was moest goed van

kleur, van vorm, van lijn wezen! Het moest alles getuigen van een

intens verlangen naar harmonie; de dagelijksche omgeving oefent immers

onbewust een grooten invloed op ons uit, en wie de mooiheid

verwaarloost in de kleine werktuigen van het bestaan—meubels, kleeding,

versierselen—kan nooit volkomen naderen tot die hartstochtelijke liefde

tot mooiheid in alles, mooiheid in het zichtbare om ons heen, mooiheid

in het onzichtbare van denken en voelen, die ten slotte voert tot een

hoog menschenleven!

Hilda stond op, in een ontroering van vreugde: „En als dan haar kamer

heel mooi was geworden, zou Maarten komen .... op ’n Zondag ....”

Zij stak een kandelaar aan op den schoorsteen om mee naar boven te

gaan. Maar bij het opvlammen van het licht zag ze ineens in den spiegel

het schilderij daar tegenover, het portret van een overgrootmoeder van

Suylenburg, geheimzinnig stralend in de donkere kamer in haar hofkleed

van het eerste keizerrijk, wit satijn met den manteau de cour van goud

brocaat.

Het was een prachtige vrouw, ze was een Française geweest, een gravin

de Grandonne, die een schitterende rol had gespeeld aan het hof van

Joséphine. De familie-legende zeide, dat alle beroemdheden van dien

tijd aan haar voeten hadden gelegen, zelfs Napoleon zou een tijd lang

haar gunst hebben gezocht, maar na zijn tweede huwelijk was ze in

ongenade gevallen, en getrouwd kort daarop met den generaal van

Suylenburg, die haar naar Holland had gevoerd.

Hilda draaide zich om en stond voor het portret, den kandelaar hoog

houdend om het mooie kopje te zien, maar nu ineens voelde ze de stilte

van het huis doodsch om zich heen, en kreeg ze ’n zonderling dringende

behoefte iets te uiten van haar trillende emoties.

„Het zijn heel andere tijden, grootmama!” zeide ze lachend, „heel

anders, nietwaar? Andere politiek, andere zeden, andere illusies,

andere vrouwen! Wat hebt u uw haar kunstig gefriseerd. In m’n volgend

leven zal ik geen tijd hebben om zooveel zorg aan mijn kapsels te

geven, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, ik neem u immers ook niet

kwalijk dat u er zoo veel tijd aan hebt besteed? Wij moeten elkaar met

rechtvaardige toegefelijkheid zien te beschouwen, ieder in de lijst van

onzen eigen tijd, eigen omgeving, eigen opvoeding. En heusch, ik zal u

geen schande aandoen, al zouden in uw oogen mijn opvattingen, als u ze

had kunnen voorzien, al heel erg zonderling zijn geweest! Waarom kijkt

u zoo strak in den spiegel met dien vagen trotschen lach? Omdat de held

van Austerlitz u heeft liefgehad? Maar ook ik heb de liefde van een

held, verstaat u dat? en de beroemdsten zijn niet altijd de grootsten!

Er zijn zooveel soorten van helden, nietwaar? dat zult u nu ook wel

weten, nu u van uit de hoogte neerziet op al het kleinmenschelijk

gezwoeg om ’n beetje meer eer en macht. En ik ben blij mevrouw, dat

mijn held geen zwarte oogen en bloedige handen heeft, en lauwerkransen,

maar een vredepalm en de haren en den glimlach van een jongen

zonnegod.” En in de opwinding van haar ontwakende liefde, genoot Hilda

bijna kinderachtig van deze gevonden vergelijking, toen ging ze weer

voort:—„Alles, alles verandert, nietwaar? Alleen jeugd en liefde en

verlangen naar geluk blijven hetzelfde, en ik beloof het u, ik zal er

mijn deel van nemen, al zal ik soms de toga en den baret dragen, zooals

u vroeger uw manteau de cour! Bonsoir, grootmama. Blijft u maar gerust

zoo trotsch staan lachen. Ik heb zoo’n idée, dat ik meer zal genieten,

van wat het leven waarachtig heerlijks en moois te geven heeft, dan u

het ooit hebt gedaan!”

Toen ging Hilda naar boven en onder het opgaan van de trap zong ze

neuriënd een van die naïef teere Italiaansche liefdesliedjes, die men

in zuidelijke nachten, in de verte hoort zingen, en ze glimlachte tegen

de duisternis.

Gladys lag stil achterover op haar rustbed. Kleine trekjes van pijn

gleden soms even over het vermagerde gezichtje, maar de oogleden, met

de lange wimpers lagen mat gesloten, alsof ze sliep.

Ze lag te peinzen, zooals ze tegenwoordig zoo dikwijls deed, in haar

lange gedwongen rusturen; ze dacht aan haar huwelijk en hoe het

zachtjes aan een ruïne was geworden, in plaats van de tempel, dien ze

gewild had. Eerst was ze toch gelukkig geweest, wel al heel gauw met

oogenblikken van pijnlijke verwondering, maar ze had altijd honderd

soorten excuses voor Frederik kunnen vinden: z’n opvoeding was ook zoo

oppervlakkig geweest, en z’n vrienden zoo ruw! Hij had ook geen zusters

gehad, hoe kon ie dan weten, hoe licht een fijnvoelende vrouw gewond

is, hoe kon hij haar dan begrijpen, als ze zich soms ineens gekrenkt

terugtrok, of smachtend bij hem kwam, zwijgend bedelend om woorden, die

hij nooit zei.

Maar toen, langzamerhand, was ie hoe langer hoe ruwer geworden, en ze

was bang beginnen te zijn, en vreemd, ze had een korten tijd er een

akelig genot in gevonden om voor hem te vreezen.

Maar op een avond, had ze hem in de naaste kamer tegen vrienden hooren

bluffen over de beste manier om een vrouw te regeeren. „De Rus, die z’n

vrouw met den knout geeft,” had ie gezegd, „was veel beter

menschenkenner dan de Amerikaan, die haar als z’n gelijke behandelt,

want de vrouw is nou eenmaal de geboren onderdane, ze geeft alleen

liefde aan wie haar angst inboezemt, als ze verliefd is, heeft ze

behoefte om op haar knieën te dienen.”

O! wat had ze dien avond gehuild, uren en uren lang! Maar toen had ze

ook begrepen waarom Frederik’s theorie in sommige huisgezinnen

schijnbaar opging en hoe ze er hem zelf mogelijk wel in had versterkt.

Oorspronkelijk toch is er in elk jong, onbedorven mensch, zoowel man

als vrouw, een instinct gelegd om zich slechts aan den besten den

edelsten te geven. Dit is het ingeschapen principe van zelfbehoud van

het ras, dat zich doet gelden overal, waar de huwelijkskeus niet

bepaald wordt door wat iemand bezit aan fortuin of rang, overal waar

niet door sociale wanverhoudingen van eeuwen dit instinct te zeer is

verbasterd. Bij elk paar, dat elkaar lief heeft, vindt men er de uiting

van in een eigenaardige behoefte om elkaar te verheerlijken: de man

ziet in zijn verloofde een feetje of een heilige, waarvoor hij zou

willen knielen, de vrouw ziet in haar man een held, waartegen ze zou

willen opzien in een gelukkig gevoel van ontzag.—En misschien is dit

wel de groote les van het leven over de verhouding tusschen man en

vrouw, dat in de oogenblikken van hoogste intimiteit, waarin het twee

individuen gegeven is, elkaar te naderen, zij zich beiden aanbiddend

voor elkaar voelen neerbuigen, in een onbewust raden van het goddelijke

dat in hen is.—Maar in een maatschappij als de onze, met zooveel

onwaarheid en verwrongenheid, valt dikwijls van dien oorspronkelijk

mooien drang niets meer te bespeuren dan de karikatuurachtige echo er

van, in de zinnetjes van den banalen hofmaker, of in de laffe

onderdanigheidsphrases van energielooze vrouwen, en menigmaal geeft

zelfbedrog den leugennaam van eerbied en hoog opzien aan wat slechts

is: misdadig zwak toegeven en vreezen. Ja, dat was het! Het vreezen van

de vrouw, en er een soort voldoening in vinden was de karikatuur, de

ontaarding van haar ingeboren verlangen om hoog te houden den vader van

haar kinderen! In veel huisgezinnen, waar de man door flinkheid meent

te regeeren, dankt hij zijn prestige alleen aan dat onbewuste verlangen

van de vrouw, en veel van de macht, die de man tot dusver bekleed

heeft, was daaraan alleen te wijten! Want zoo menige vrouw, in een

uiterst pogen om in de platheid van het dagelijksch leven, in haar man,

dien zij scherpzinnig genoeg is om in al zijn kleinheid te hebben

doorzien, toch den held harer jeugdidealen te redden, zoekt een

leugenachtige bevrediging in vreezen, als hoog opzien niet meer

mogelijk is.

Gladys bleef stil liggen peinzen. Ja, zoo was het ook met haar gegaan,

maar na die korte periode van angst waren de lange jaren gekomen van

geduldig, droevig worstelen, tot ze overwonnen was verleden .... op

dien nacht.

Met een zacht gekreun verlegde ze het moeë hoofd.

Maud kwam binnen, voorzichtig, met haar onhoorbaren hospitaalstap, en

zette zich aan het raam neer, met een pas begonnen babysokje. Maar ze

haakte niet, met strak turende oogen en onrustplooien dwars over het

voorhoofd, keek ze de straat in.

„Er was ’n boodschap gekomen .... ontzettend! .... Frederik was van z’n

paard gevallen, ’n wild jong dier, dat ie verleden week gekocht had, en

men had hem bewusteloos, met gebroken sleutelbeen naar ’t ziekenhuis

gebracht. Er was groot gevaar, maar hoe kon ze het aan Gladys

vertellen? Nou juist op dit moment ....”

„Maudy, ben je daar?”

„Ja lieveling, wat is er? Ik dacht dat je sliep.”

„Kom es hier! Ik heb zoo’n afschuwelijke hoofdpijn, en ik voel me zoo

angstig!”

Maud stond op en knielde naast de rustbank. „Ze kon het nu toch niet

vertellen? Gladys moest eerst kalmer zijn.”

„O! Maud, ik ben zoo bang.”

„Wat is er dat mijn kleine vrouwtje beangstigt? Herinner je je nog wel

onze Fransche gouvernante, die ons altijd bang maakte voor spoken? ik

geloof heusch om nog ’n beetje „poëzie” in ons te redden, omdat ze

beweerde dat onze Amerikaansche opvoeding, „le charme poétique de la

femme”, in ons zou verderven. Ik geloofde nooit ’n woord van haar

griezelige geschiedenissen, maar jij was dikwijls erg onder den indruk,

en dan moest ik je zóó in m’n armen nemen, zóo, niet waar? om je te

bedaren. Zullen we es probeeren of het ouwe middel nog helpt?”

Maud sprak gewild vroolijk, om haar af te leiden, maar de jonge vrouw

drukte angstig steunzoekend het hoofdje vast tegen haar schouder.

„Maud, ik heb gedroomd, dat ik en het kindje stierven, en ik was blij

dat het kindje ook dood ging, want wat is een klein menschje zonder

moeder! Maar de twee anderen bleven achter, zoo teer, met zulke fijne

zieltjes, en zoo jong en zoo heel alleen .... Begrijp je niet, dat het

me met doodsangst vervult!”

„Zie je wel, dat het maar spoken waren? Wie gelooft nou aan droomen?”

Maud dwong zich om luchtig te schijnen, maar een kille angst was in

haar borst.

Gladys zag haar aan met de grijze kinderoogen groot van ontzetting.

„Ik kan het niet verdragen, dat je er om probeert te lachen. Er sterven

immers zoo veel vrouwen aan! .... Het helpt niks of je er over heen

praat! O! als ik ze alleen moest laten ....”

Maud voelde het teere lichaam in haar armen sidderen van angst.

„O! als ik ze jou maar kon toe vertrouwen, Maudy, .... dan zou ik wel

rustig kunnen afwachten .... maar .... O! mijn God, mijn God! ....”

„Lieveling wind je toch niet zoo op!”

Gladys haalde diep adem, als om kracht in te nemen voor het

smartelijke, dat ze zeggen moest.

„Misschien heb je wel gemerkt, Maud .... ons huwelijk is .... niet

geworden .... wat ik gehoopt had! O, Frederik heeft heel veel goeds

.... hij is bijvoorbeeld honderdmaal beter dan z’n broer Henk, die ruwe

cavalerist, maar ....”

Hilda van Suylenburg · 第 31 / 35 段