waren er hier bijeen uit alle steden van het land! Bijna allen
behoorden tot de invloedrijkste families, bijna allen hadden fortuin en
sommigen waren door de natuur mild genoeg begaafd. Zij zouden een
geweldige macht ten goede hebben kunnen zijn. Elke beweging om de
wereld een beetje beter en mooier te maken zou in haar een enthousiaste
voorspraak hebben moeten vinden, maar hoe weinigen van deze allen
voelden hare verantwoordelijkheid! Haar krachten gingen immers onder in
versnippering en zelfzuchtige amusementenjacht! O! zonder twijfel,
mooiheid, en vreugde en feestelijkheid in verfijnd artistieken vorm,
zijn noodig in elk harmonisch leven, even noodig als voeding en arbeid.
Maar waarom wisten de menschen nog altijd niet, dat het op evenwicht
aan komt! Daar buiten, duizenden, in wier leven nog bijna nooit een
vreugdezonnestraal valt, en hier binnen, zoo velen in wie het beste
gedood was door uitsluitend feestvieren! Was feestgenot niet als
suikergoed in een kinderleven: blijdschap als het van tijd tot tijd
wordt gegeven, bederf en ziekte als het in overvloed wordt gebruikt!
De quadrille was uit en Hilda zat alleen op de sofa in een der hoeken.
Ze had er op aangedrongen dat van Smaarth, Eugénie, met wie hij dezen
dans had, niet zou laten wachten: „ze kon best even alleen blijven,
mijnheer van Hervoren zou wel zoo dadelijk komen.”
Maar Maarten bleef lang weg en ze begon zich te verwonderen. Toen zag
ze hem ineens naderen, vlug, voorzichtig, tusschen de dansende paren.
„O! freule, hoe naar, dat ik u heb laten wachten ....”
Zij keek naar hem op, glimlachend, maar toen merkte ze dat hij sterk
ontroerd was.
„Wat is er?”
„Ik heb juist ’n telegram gekregen. In Chemnitz, in één van de
fabrieken, waar de onze veel zaken mee doet, is vóór ’n paar dagen een
ontzettende werkstaking uitgebroken. De meeste arbeiders zijn
socialisten en gedragen zich heel rustig en goed, maar ’n opgewonden
jongen van achttien jaar heeft gisteravond den fabrikant ergens
opgewacht en dood geslagen, en nou is er geweldige gisting.”
„O! mijn God!”
Huiverend stond zij naast hem. Het was haar plotseling duizelig, alsof
al het feestelijk mooie om haar heen maar een vertooning was, een stuk
dat men opvoerde, en dat het reëele leven dát was, van daarginds, vol
ellende, verbittering, misdaad.
„Laten we naar buiten gaan!”
Hij knikte en gaf haar zijn arm, en zij drongen door de rythmisch
slingerende golving der dansers en stonden op het balkon. In een
onbewuste beweging van gewoonte stak Maarten zijn sigaar op.
„Kijk, hoe ze dansen!” zeide Hilda zacht. „Zulke menschen hebben alles
vóór om zich te ontwikkelen en waarachtig superieur te worden en een
zegen te zijn, maar ze dansen liever .... altijd maar door .... op een
vulkaan ....”
Maarten hoorde eerst alleen haar stem, die hij mooi vond, maar haar
laatste woorden verstond hij, en toen keerde ook onmiddellijk zijn
aandacht weer volkomen tot haar terug. Hij wierp zijn sigaar weg:
„Is het waar, dat u advocaat wilt worden?”
„Ja.”
„Waarom? .... Den meesten advocaten is het niet te doen om te zien wat
recht is, maar om hun client recht te bezorgen! Ik zou het jammer
vinden als vrouwen zich ook met zulke dingen gingen bezoedelen.”
„Mij is het te doen,” zeide ze eenvoudig, „om onze wetten goed te
leeren kennen, en dan met kennis van zaken te protesteeren tegen het
verouderde, het onrecht er in, en al de zwakken te helpen. Er zijn nu
in den blinddoek van Themis veel verraderlijke gaatjes, en ik weet wel,
dat ik maar ’n heel gewoon meisje ben, zonder veel gave of macht, maar
ik zal er mijn leven aan wijden, om die gaatjes, al waren ’t er maar
een paar, toe te maken!”
Hij zag haar aan met een langen peinzenden blik, die haar verlegen
maakte. Hij dacht na hoe dit mooie blonde kind in haar sierlijk witte
kleedje in deze omgeving tot zoo’n besluit had kunnen komen. Toen zeide
hij ineens met die weeke emotie, die een krachtigen man zoo boeiend kan
maken in de oogen eener vrouw:
„De eerste opera die ik ooit gehoord heb, was de Tannhäuser, met mijn
moeder, te Bayreuth, in den tijd, toen we nog rijk waren. En als
Tannhäuser dan zijn ontzettende zonde bekend heeft, bedekken al de
edelvrouwen haar gelaat met handen en sluiers en vluchten weg,
verschrikt en verontwaardigd. Slechts Elisabeth blijft, alleen tusschen
de toornige mannen, en beschermt den vreeselijken zondaar, en vraagt
boetedoening in plaats van vergelding! En toen zei m’n moeder, ik zal
het nooit vergeten: „Die vrouwen, die daar zoo hoogst fatsoenlijk zijn
weggevlucht zullen Elisabeth wel erg onordentelijk, misschien wel
onvrouwelijk hebben gevonden, want zij was de eenige geëmancipeerde
onder haar, die in plaats van de traditioneele braafheid vrij haar
geweten en hart durfde volgen, maar zij was dan ook de eenige van wie
redding en loutering uitging!”
Hilda zag naar hem op met haar jong stralenden glimlach, maar toen
ineens waren haar oogen vol tranen. Het greep haar aan, met een
trilling van geluk dat hij haar had begrepen en haar plan goed vond.
Zij stonden nu naast elkaar en zagen op het park neer en iets van den
mystieken vrede van het avondlandschap drong door in hunne ziel.
„Had hij kinderen?” vroeg ze zacht.
„Wie?”
„Die fabrikant die vermoord is?”
„Ja, een vrouw en twee kleine kinderen, maar de jonge moordenaar heeft
een gebrekkige ouwe grootmoeder, en twee ziekelijke zusjes van vijf en
zes, die hij onderhield!”
Hilda huiverde weer.
„Was ie goed voor z’n volk?”
Hij schudde het hoofd.
„En z’n vrouw?”
„Och ja, ze waren niet kwaad. Ze gaven wel de kleeren die ze afgedragen
hadden, en soms wat geld, maar zij had ’t te druk met h’r huishouden en
hij met z’n zaken, ze hadden geen tijd om aan de ellende om zich heen
te denken!”
Hij zeide het heel eenvoudig, maar Hilda verstond de bitterheid.
„Zal hij zwaar gestraft worden, die jongen?”
„Ik denk het wel! Al de magistraten van Europa leeren geschiedenis,
d.w.z. ’n hoop data en koningsnamen, maar van de lessen der
wereldgeschiedenis hebben de meesten van hen niets verstaan. Zulke
gevallen worden allemaal als op zich zelf staande misdaden beschouwd en
gestraft; van de ellende en verbittering waarin zoo’n jongen van kind
afaan is opgegroeid, hebben ze geen besef, en ze begrijpen ook maar
niet, dat zoolang ze de schreeuwende misstanden, waaruit deze gruwelen
voortkomen, niet verbeteren, het niets geeft, om van tijd tot tijd, als
het tot een uitbarsting is gekomen, een stuk of wat menschen te
guillotineeren of levenslang op te sluiten! Wat helpt het om de giftige
champignons van tijd tot tijd weg te schoffelen, als je den mesthoop,
waarop ze groeien, niet wegruimt!”
Zachtjes, bijna schuw, legde ze haar hand op zijn arm, en toen snel
sprekend, half verlegen, half plechtig, zeide ze:
„Mijnheer van Hervoren, Edward heeft me verteld dat u u veel bezig
houdt met de sociale vraagstukken. Maar ik heb dikwijls gedacht dat de
sociale kwestie voor het grootste deel in de vrouwenkwestie lag
besloten. Zoolang de vrouwen, het talrijkste deel der bevolking, en
door de kinderopvoeding het invloedrijkste, dom en onverschillig voor
’t algemeen welzijn blijven, kunnen geen bonden, geen vereenigingen,
geen werkstakingen, geen vergaderingen, geen wetten de maatschappij in
evenwicht brengen. De vrouw, die achterlijk gehouden wordt, wreekt zich
onbewust, op ontzaglijke wijze. Elke poging tot vooruitgang en
verbetering, vindt in haar, in de kern van het gezin, een onzichtbaren
maar onverzettelijken tegenstand, en daarom geloof ik dat het groote
woord van sociale hervorming zijn moest: de vrouw te emancipeeren, dat
is: te vormen tot een ernstige arbeidster in het groote gezin der
menschheid. De prachtigste staathuishoudkundige theorieën zullen altijd
schipbreuk lijden, zoolang de menschen die ze toepassen niet beter
zijn, en hoe krijg je betere menschen? Alleen door goede moeders. In de
moeders ligt voor mij de oplossing der sociale kwestie en wat werd er
tot dusver voor haar opvoeding gedaan?”
Maarten nam haar hand voorzichtig in zijn beide handen, en hield die
een oogenblik vast.
Maar nu was de muziek binnen plotseling stil.
„De dans is uit, iedereen zal hier zeker dadelijk ’n luchtje komen
scheppen. Vindt u ’t niet naar om even het park door te loopen?”
„Heel graag.”
Zij wond haar wit kanten mantilla, die ze uit Italië had meegebracht om
het hoofd, op de wijze der Milaneesche meisjes, en hand in hand holden
zij de trappen af, tot in een van de donkere laantjes. Toen liepen zij
heel langzaam voort over de zwarte guipure die het maanlicht door de
boomblaadjes op den grond borduurde, en spraken heel lang nog over de
ernstige tijden die komen zouden, en hoe zij hard wilden werken om een
beetje meer recht en meer vreugde in de wereld te brengen, tot zij op
het laatst vergaten dat er leed en onrecht was, en heel hun ziel
vervuld werd met een jong en groot geluk.
Hilda was den volgenden morgen vroeg uitgegaan en had een lange les
gehad over Romeinsche antiquiteiten. Het schoot heerlijk op met de
studie, alle leeraars zeiden, dat ze het volgende jaar makkelijk het
staatsexamen zou kunnen doen.
Maar toen zij thuis kwam, was er als een zonderlinge benauwing, die op
haar neerviel. Het oude gezicht van Johan, die haar open deed, stond
geheimzinnig strak; op het groote portaal van den bel etage, waren de
keukenmeid en de werkmeid aan ’t fluisteren, die, toen zij haar zagen,
schuw ieder een kant opgingen; op de trap naar de eerste verdieping,
kwam ze haar tante tegen, die snel voorbij ging, met verschrikte oogen,
en Hilda had niet gedacht, dat die koele vrouw, met haar slappen gang,
zich nog ooit zoo vlug zou bewegen. Boven op den overloop stonden
Edward en Corry, zacht sprekend met onthutste gezichten; Corry vertelde
iets en Hilda ging naar hen toe met het plotselinge gevoel, dat er een
groot ongeluk was gekomen.
„Wat is er toch?”
„Eus doet zoo akelig. Ze wil haar bed niet uit, en ze doet niks als
huilen.”
„Is de dokter al geroepen?”
„Mama heeft h’m net ’n briefje geschreven. Ga zelf maar es kijken.
Misschien kun jij iets uit haar krijgen.”
Hilda ging de kamer in, waar Eugénie in bed lag, doodelijk wit, met
zwarte kringen om de bloedelooze oogen.
Zij zette zich bij haar neer en zei zachtjes een paar vriendelijke
woorden, maar Eugénie antwoordde niet en bleef haar aankijken met
loerende blikken. Toen ineens sloeg ze het dek weg en sprong uit het
bed en liep de kamer door, met wilde handen haar nachtkleed van boven
open rukkend, tot de knoopjes er afvlogen en het diep inscheurde.
„Wat is ’t hier toch benauwd!”
Ze ging naar de deur, maar Hilda greep haar vast:
„Gut, Eus, je kunt zoo de kamer niet af, klee je dan eerst wat aan.”
„Laat me toch los ....”
Zij worstelden even, Hilda zich verbazend over de kracht van dat teere
lichaam, en weer had ze intens denzelfden indruk van eenige weken
geleden, dat er een vreemd, wreed, wild wezen door Eugénie’s oogen haar
aanzag, maar zij wist nu wat het was: het was de blik van de waanzin.
Maar na een kort moment waren Eugénie’s krachten toch uitgeput, en slap
liet ze zich weer in bed brengen.
„Kom Eus, het is niks, je bent maar ’n beetje overspannen! Ga wat
uitrusten, dan zul je wel weer zóó beter zijn. Je hebt je gisteravond
ook zoo vreeselijk opgewonden!”
Ze zeide het sussend als tot een klein kind.
Eugénie huilde nu stil, van tijd tot tijd opziende met haar loerenden
blik van onder uit de oogleden. Toen zeide ze op eens:
„Hildy, is het waar, dat je gisteravond tegen al die menschen hebt
durven zeggen: Lach jullie maar! Denk je dat ik de desolatie niet ken
van je leeg, zenuwachtig bestaan!”
„Ja, dat is waar.”
„O! ja, dat is het: Desolatie! De-solatie! de-so-la-tie!”
Langzaam, klagend snikte ze het uit, en Hilda zat naast haar en ook zij
huilde nu van weemoed om dit gebroken meisjesleven.
De huisdokter kwam, ’n oude onbeduidende man, die haast dadelijk weer
heen ging. En Hilda nam weer haar plaats bij het bed in; zij durfde
haar niet alleen laten.
„Hilda, ga nou toch weg! Laat me nou maar stil. Ik wil toch nooit meer
uit m’n bed komen, al bleef je hier honderd jaar zitten.”
„Je hoeft er ook niet uit te komen! Blijf maar eerst heerlijk wat
uitrusten!”
„Weet je wat het is Hil? Ze hebben altijd tegen me gezegd van klein
kind afaan: Eus, je zult wel gauw trouwen! je bent mooi, je zult
makkelijk trouwen! En ik werd altijd geplaagd met iedereen, o! dat
vervloekte plagen, dat je verbeelding al maar door opwindt, en zie je
daarom moet ik nou zoo vreeselijk huilen! Ik heb in geen tien nachten
geslapen, en gisteren, onder het dansen, dacht ik bij elken pas:
„trouwen”, en dat heeft me, geloof ik, zoo vermoeid ....”
Hilda streelde zacht haar hand.
„Arm kindje! arm, arm kindje!”
Maar na een poos werd Eugénie weer onrustig. Met wilde handen begon ze
opnieuw haar nachtkleed van boven open te trekken, en weer wou ze het
bed uit.
Hilda hield haar tegen, angstig gespannen. Toen ging de deur open en
mevrouw van Starren kwam binnen met Corona en achter haar de oude
huisdokter en een lange blonde man, de dokter van het
krankzinnigengesticht.
Hilda ging stil heen; de deur vlak tegenover stond aan, het was
Edward’s kamer en ze ging binnen. Edward zat schuin op de tafel,
vreeselijk zenuwachtig.
„Zou ze heusch gek worden? Hoe zou dat nou toch ineens zoo zijn
gekomen?”
„Het is niet ineens gekomen! Het is heel langzaam, al deze jaren door,
zachtjes aangeslopen ....”
Maar nu zweeg ze, luisterend. In de kamer daar tegenover klonk akelig
snikken, en het doffe, lage geluid van een mannenstem. Toen was alles
stil, en de doodsche stilte in huis viel plotseling beangstigend op hen
neer. De achterdeur beneden sloeg toe met een zwaren slag, Hilda
huiverde. Toen zag zij Corona en de beide doktoren de kamer uitkomen,
ernstig, zwijgend. Zij liepen achter elkaar het portaal over naar
mevrouw van Starren’s boudoir. Daar zouden zij consult houden.
„En zij is al de zesde! in dat éene jaar dat ik hier ben! Het zesde
jonge meisje van onze kennissen dat deze soort ziekte krijgt!”
„’t Is waar! Hoe zou dat nou toch komen?”
„Het moet komen! Als je er ’n beetje aanleg voor hebt, moet zoo’n
opvoeding en leven er toe lijden!”
„Hoe had ze dan anders moeten leven?”
„Ze had meubels moeten boenen, of den grond moeten omspitten, en
bloemen kweeken, of sterrekunde leeren, of in een Kindergarten gaan,
weet ik het, als ze maar iets gewerkt had en goed!”
„Waarom naaide ze dan ook niet wat meer? Ik heb het mama verleden nog
hooren zeggen, dat ze h’r eigen onderlijfjes moest maken, met eigen
gehaakte kantjes, net als Betty, maar ze wou niet.”
„Natuurlijk niet! Zoo iets is ook goed voor zoo’n gansje als Betty,
maar geloof je dat een meisje met een vluggen geest, en sterke
verbeelding, zooals Eugénie, er bevrediging in kan vinden, om daar
dagen voor zich zelf te zitten pikken, aldoor met het gevoel, dat ze in
een kwartier, precies dezelfde dingen, die ze maakt, heelemaal klaar
kan koopen, nog mooier gewerkt en bijna voor ’t zelfde geld? Och kom!”
Maar opeens klonken fluisterstemmen, en voetstappen gingen voorbij. Het
waren de dokters, die samen vertrokken. Corona stond voor Eugénie’s
deur en Hilda greep haar beide handen met een beweging van angstig
vragen.
„Wat denk je er van?”
„Misschien loopt het dezen keer nog al af. Maar ik voor mij zie het
heel ernstig in. Ze moet absolute rust hebben, afzondering, liggen, en
dokter van Meeuwen meende wel dat het dan na ’n paar maanden over zou
zijn. Maar dan? Als ze dan hier weer terugkomt, wordt ze hopeloos wèer
zoo! O! dat ellendige gemis aan evenwicht! De helft van m’n patiënten
zijn slachtoffers van het overwerken en de andere helft van het
overnietsdoen! Voor een poosje, toen ik je tante met Eugénie es bij
Gladys ontmoette, zei ik al tegen mevrouw: „uw dochter ziet er slecht
uit; ik geloof dat haar zenuwen veel geleden hebben. Kunt u haar niet
hier of daar heenzenden? Ik bedoel geen pretbadplaats, maar ergens,
waar ze wat te doen heeft, waar ze haar hart aan kan geven, waar ze
zich voor iets in moet spannen!” „Och! wat zou ze kunnen doen?” zei je
tante, „’k zou niet weten waar ze geschikt voor zou zijn! En ’t zal ook
met haar zenuwen wel zoo’n vaart niet loopen.”
„Typisch!” zeide Hilda. „Zulke dames als tante zijn overtuigd dat ze ’n
schitterende opvoeding aan haar meisjes hebben gegeven, maar als ’t er
op aan komt, erkennen ze dood leuk dat ze nergens geschikt voor zijn.”
„Nergens!” zeide Corona peinzend. „En toch is het de drang van elke
vrouw, waar iets in zit, om zich aan iets te geven. Al is het maar dat
ze kousjes breien voor de negerkindertjes in de Congo: ze moeten iets
doen! En natuurlijk, als ze geen voedsel krijgen voor dien drang, die
op zich zelf toch zoo mooi is, gaan ze allerlei verkeerde dingen doen,
kwaaltjes aankweeken, en emotietjes en gedachten opzoeken, die haar
zenuwleven vermoorden!”
„En wat zal er nu gebeuren?”
„Dokter van Meeuwen zal dadelijk twee pleegzusters zenden. Ze moet zoo
gauw mogelijk naar de Boschjes getransporteerd worden, en ik heb op me
genomen om het alles even met je tante te regelen. Is ze hier?”
Corona ging binnen en Hilda keerde terug in Edward’s kamer, de deur
open, om te luisteren.
Edward zat nog altijd op een punt van de tafel en slingerde zenuwachtig
met zijn éene been op en neer. Mijnheer van Starren kwam even boven,
erg onthutst, maar ging dadelijk weer weg, in een wrevelig verdenken,
dat het maar kuurtjes waren. Corry was een poos geleden al naar mevrouw
van Gaefden gereden, waar ze moest gaan lunchen. Zij geloofde ook au
fond, dat al die drukte maar wat aanstellerij was van Eus.
Toen ritselden de zwarte mantels van twee pleegzusters door de stilte
van het portaal, de deur van de ziekenkamer ging open, even met een
naar klein gepiep, en toen, na een kort geruisch van sprekende stemmen
was er een gil, die Hilda sidderend naar binnen joeg.
Eugénie lag worstelend op den grond, zich krampachtig aan het bed
klemmend, terwijl de verpleegsters tevergeefs probeerden haar aan te
kleeden.
„Wat is er lieveling? wees maar rustig. Huil maar, dat zal je goed
doen! ....”
Hilda nam haar sussend in de armen en drukte haar warm tegen zich aan,
in een passie van ontferming. En ’t was alsof de zieke zich plotseling
veilig voelde in de omarming dier sterke jonge vrouw. Zachtjes snikkend
liet ze nu toe dat men haar kousen en schoenen aantrok, en in een
grooten mantel wikkelde, en Hilda steunde haar half dragend de trap af
tot in het rijtuig, dat haar wegbracht met Corona en de beide zusters.
Daarop stonden zij zwijgend tegenover elkaar, in den gang, mevrouw van
Starren en Hilda, en bittere woorden zwollen in haar op, tegen de
deftige, door de wereld geëerde matrone, die haar kind had opgevoed tot
deze ruïne.
Maar het was maar één oogenblik, toen vloog Hilda haar voorbij de trap
op naar haar kamer: „het hoogste was immers om niet bitter te zijn maar
rechtvaardig!”
En daar, neergevallen op den rand van haar bed, nog trillend van
ontroering, gebroken door den aangrijpenden weemoed van dit verloren
leven, zeide ze zacht voor zich heen:
„Vergeef het haar! Zij wist niet wat ze deed, toen zij haar dochters
opvoedde! Maar de nieuwe vrouw zal anders over hare kinderen weten te
waken!”
Hilda dwaalde lusteloos door het leege huis. Er was vanavond op het
Kurhaus een Schumann-Concert; zij hadden er vroeger om gegeten en
dadelijk na tafel waren mijnheer en mevrouw van Starren weggereden met
Corry en von Görtzen, die „een culte” voor Schumann zei te hebben.
Hilda was alleen achtergebleven en liep rond door de stille kamers met
een gevoel, dat haar ongewoon was, van niet te weten wat ze wilde doen.
Ze had den geheelen dag hard gewerkt, wiskunde, en ze voelde zich wat
moe om nog te gaan lezen. Ze verlangde naar buitenlucht, ze had wel
naar ’t strand willen gaan, als het niet al te gek was geweest, op dit
uur voor een meisje alleen. En rondslenterend van de eene kamer in de
andere, dacht ze er aan hoe de gewone sleur van gedachtenloos
voortleven, die een oogenblik door Eugénie’s onverwachte ziekte
verstoord was geworden, nu alweer was teruggekeerd na zes en een halven
dag!
De berichten uit de inrichting in de Boschjes waren goed: de freule
mocht nog niemand zien, maar ze was rustig en at en sliep wat beter. En
iedereen was nu gekalmeerd. Mevrouw van Starren vooral deed haar best
om de zaak luchtigjes voor te stellen. Nu, met Corry’s bruiloft op
handen, moesten de menschen niet denken dat er een ernstig ziektegeval
in de familie was. „’t Was alleen maar wat oververmoeidheid,” zeide ze,
„na al de drukten van Valéries huwelijk. Eus was ook altijd zoo
consciëntieus in alles wat ze deed, en als bruidsmeisje had ze zich
zeker wat veel ingespannen. Maar ernstig was ’t volstrekt niet.”
Hilda liep den tuin in, maar ze vond vanavond de perkjes vervelend
klein en de schutting erg hoog; driemaal liep ze al de nette
kiezelpaadjes door, maar toen kon ze het niet meer uithouden. Het was
vreeselijk onbehoorlijk wat ze doen ging, maar in hemelsnaam, ze
verlangde zoo naar lucht!
Ze vloog naar boven om hoed en handschoenen te halen en toen met groote
vaste stappen, liep ze het Nassauplein af, de Laan Copes door, toen in
het pontje het kanaal over, en den Waalsdorpschen weg op.
Alles was hier eenzaam op dit oogenblik, en hoe verder ze kwam, hoe
rustiger ze ging, gelukkig als een oproerig kind, dat ontsnapt is aan
zijn strafkamer.
Door een paadje dwars door het kreupelhout ging ze de duinen in. Wat
was het mooi hier! Een zoete, sterke geur steeg op uit het eikenhout,
en hier en daar waren kleine blanke duinpannen, omzoomd door helm, die
zachtjes wuifde boven warm gekleurd mos, als blonde kinderharen, die
golven over donker fluweelen kleedjes.
Hilda voelde zich blij. Het heidekind was in haar wakker, het was
heerlijk haar jonge lichaam te strekken in die wijde eenzaamheid, en
dan een poosje achterover te liggen, opziend naar de wolkjes boven, die
de avondzon in gloed had gezet.
Hoe grappig toch, dat, wat ze nou deed, eigenlijk zoo iets heel
verschrikkelijks was. O! als haar tante of mevrouw de Mureaux het eens
wisten! Maar waarom begreep men dan toch ook niet dat een jonge vrouw,
even goed als een jonge man, soms behoefte kan voelen aan beweging en
lucht en vergezichten, en dat die behoefte niet altijd juist alleen
komt, als men iemand ter begeleiding bij de hand heeft. Die goeie
natuur had toch het meisje geen longen en beenen gegeven om ze alleen
te gebruiken op een deftig gechaperonneerd wandelingetje of bij wat
boodschappen in volle straten!
Wat was het dan anders in Amerika, waar toch zooveel van de ruwste,
bedorvenste elementen uit het oude Europa zijn heen gestroomd, maar
waar elke vrouw, zonder het minste gevaar voor haar reputatie, vrij en
veilig kan gaan waarheen en wanneer zij wil. Wat was het hier toch
eigenlijk vermoeiend met al die belemmeringen! en wat waren die
belemmeringen ten slotte alleen maar een kwestie van vooroordeel en
gewoonte!
Hilda liep voort in stille jubeling. Het blondgroene landschap was zoo
vol mysterieuze bekoring bij deze avondverlichting. Maar toen stond ze
ineens stil, luisterend met snelleren hartklop. Er werd ergens gepraat
.... een mannenstem, die lachte! Wat voor menschen zouden hier zijn op
dit oogenblik? Soldaten, die iets vergeten hadden, ’s morgens bij de
exercitie .... of stroopers .... of ....? Ze luisterde scherp, meer
ontroerd dan ze zich zelf wilde bekennen. De wind woei de klanken
zachtjes naar haar toe .... het was dáár, achter dat boschje! Maar nu
was er ook een vrouwenstem, een uitdagende, hooge lach. Waar had ze
dien meer gehoord? En plotseling had ze vóór zich een paar lichte,
brutale oogen en zwarte haren .... Ottilie van Heemeren? .... was het
mogelijk dat het haar lachen was geweest?
Voorzichtig sloop Hilda tegen het duin op; daarachter moest een pan
zijn, waaruit de stemmen kwamen, en zonder zich af te vragen of het ook
gevaarlijk kon zijn, ging ze door het kreupelhout tot aan den rand van
het duin, waar het met sterke glooiing een kleine diepte vormde.
En ja, het was Ottilie. Daar lag ze in het mollige zand, nog lauw warm
van de zon, en naast haar zat Edward, over haar heen gebogen, haar
rechterarm, waarvan hij de mouw had opgestroopt, kussend met wild
gretige lippen. En zij lachte ....
Hilda zag toe, één seconde, toen rende ze het duintje af, wegvluchtend
in razenden opstand.