Ze stond op en rekte zich lang uit in een spannen van al haar spieren,

alsof ze haar krachten tegen den strijd wilde meten. En toen ineens, om

de beklemmende emotie te uiten die haar keel toekneep, danste ze de

kamer door, wilde Tarantellapassen, die ze in Italië geleerd had, tot

ze eindelijk hijgend voor Eugénie staan bleef en haar omhelsde.

„Dank je wel Eus, dat je ’t me gezegd hebt! Maar ik kan er niets aan

doen, laat ze dan in godsnaam maar lachen!”

Valérie Vermaezen’s bruiloftsfeesten waren schitterend. Het groote

buiten bij Wassenaar, Vreugdhof, leende er zich zoo goed toe, en het

weer was nog zoo mooi, dat den avond van het vuurwerk de dames zelfs in

haar lichte kleedjes en bloote hoofden hadden kunnen buiten loopen.

Eugénie en Edward, in hun qualiteit van bruidsmeisje en bruidsjonker,

waren al vroeg ’s middags naar Vreugdhof gereden. Er zou dien avond een

groot bal bij de Vermaezens zijn, ter eere der beide jonge paren en er

moest nog allerlei voor den Cotillon worden klaar gemaakt. De overige

familie werd eerst met al de andere gasten ’s avonds tegen half tien

verwacht, en von Görtzen, met zijn vriend van Smaarth en Betty de

Mureaux dineerden dien middag bij de van Starrens om na het eten allen

te zamen naar buiten te rijden.

Het was een vroolijk dinertje. Van Smaarth, die den laatsten tijd,

sinds ze uit Zwitserland terug was, telkens met Ottilie van Heemeren

gekibbeld had, was uitgelaten door reactie en maakte uit depit Mathilde

van de Bransen het hof.

Zij was een lang mager meisje, met een spits gezichtje, bleek, met

fletsbruin getinte kringen van zomersproeten om de oogen. Zij behoorde

tot de rijkste partijen van Utrecht en voelde zich ontzettend. Haar

levensillusie was om in Engeland te trouwen op een groot landgoed en in

afwachting daarvan legde ze er zich op toe om zooveel mogelijk in alles

Engelsch te zijn, van af haar kleeding tot haar High Church-sympathiën

toe. In Utrecht werd ze onder de jongelui erg stijf en vervelend

gevonden, maar in deze Haagsche bruiloftomgeving was ze hoe langer hoe

losser geworden, en vanavond was ze zelfs wat opgewonden tegen van

Smaarth, dien zij voor ’n Hollander erg aardig vond: „bijna jammer dat

ie geen Engelschman was.”

Aan het dessert had de champagne gesprankeld en de stemming onder een

hoogere atmosfeer gebracht. Er kwam iets luidruchtigs, iets baldadigs

in den toon, men zocht naar iets prikkelends om te kunnen blijven

lachen.

„Heb je die japon van Belle Pankaert gezien gisterenavond?” zeide

Corry. „Ik begrijp niet dat je niet bedankt als je niet beter voor den

dag kunt komen. ’t Leek wel roggenbrood met bessensap.”

„Zeker symboliek freule,” riep van Smaarth. „Roggenbrood beteekent

armoe en bessensap haar voorland: ’t besjeshuis.”

„Dan waren die onmogelijke gitjes aan haar hals zeker krentjes, die de

krenterigheid van mama verbeelden.”

„Nou, ik geloof niet dat haar moeder gierig is, maar zoontjelief kost

nog al wat.”

„Ja, die houdt, geloof ik, meer van andere vruchten dan van besjes,”

schaterde von Görtzen met zijn harden lach.

„Mijnheer van Starren vondt u Valérie’s toilet niet prachtig?” riep

Mathilde over de tafel.

„Nou, ik hou niet veel van zulke drukke opschiksels. Zoo iets glads,

zooals bijvoorbeeld Hilda daar aan heeft, vind ik veel mooier voor

jonge meisjes.”

Hilda zag glimlachend naar hem op. Zij was dankbaar tegenwoordig bij de

spanning in huis, voor elk vriendelijk woord.

Het was een heel wit kleedje, van doorzichtige Chineesche zijde,

waarvan de wazig volle plooien strak om het middel waren saamgehouden

door het stijve moiré van een breed lichtmauve lint.

„O! ja, dat is ook ravissant, alleen begrijp ik niet hoe Hildchen nog

zoo iets liefs wil dragen!” spotte von Görtzen.

„Waarom niet?”

„Zoo iets elegants voor een meisje dat studeeren gaat!”

Hij zag haar aan, uitdagend ironisch, en ze voelde ineens met onrust

dat iedereen haar aankeek.

„Wel ik vind juist dat een meisje dat studeeren gaat zich bijzonder

goed moet kleeden. Het zou al heel ridikuul zijn om je te gaan

verwaarloozen zoodra je ’n paar deftige boeken hebt gelezen.”

„Maar zul je dan later heusch zulke toiletjes blijven dragen?”

„Natuurlijk! De tijd is toch al lang voorbij, vindt je niet? dat

meisjes die ’t leven ’n beetje ernstig opnemen er als

vogelverschrikkers trachten uit te zien.”

„Nou, maar de meeste geëmancipeerde vrouwen zien er toch nog onmogelijk

uit, hoor!” riep Corry.

Hilda glimlachte, uiterlijk onverstoorbaar:

„Alsof niet ook een massa ongeëmancipeerde er onmogelijk uit zagen!

.... Je moet ook niet vergeten, dat de meeste geëmancipeerde vrouwen nu

ook nog tot een stand behooren, waarin ze heel, heel weinig geld voor

haar toilet kunnen besteden, en dat is, voor wie niet den slag van de

française bezit, om uit bijna niets, iets aardigs te maken, een groote

hinderpaal! Maar ’t is waar, er heeft wel zoo’n opvatting bestaan,

vooral hier in Holland, dat het wuft was, om er zoo goed mogelijk te

willen uitzien en dat, als je ernstig wou zijn, je je saai en smakeloos

moest kleeden. Maar dat zijn we nou toch heusch wel te boven, geloof

ik! Onze leus zal juist wezen: geen éen talent verwaarloozen—en het

uiterlijk is even goed een talent als iets anders—alles, op welk gebied

ook, zoo goed en zoo mooi mogelijk! dus ook onze kleeding!”

Er was iets lachbedwingends in Hilda’s kalme antwoord en von Görtzen

werd bang dat het gesprek deftig ging worden. Men moest haar niet

rustig laten verhandelen. Ze moest worden uitgelachen! Dat was

misschien nog het eenige middel om haar tot rede te brengen. Hij had

ook een zuster gehad, die nu met von Glansau getrouwd was, die absoluut

Roomsch wou worden en in ’n klooster gaan. Ook zoo’n geëxalteerd

meisje, en toen hadden ze haar allen zóó voor den gek gehoûen tot ze er

geen woord meer van had durven zeggen.

„Maar Meester Hilda, doctor juris, je laat toch zeker je haar

millimeteren?”

Hij schaterde het uit en allen lachten mee, zenuwachtig, uitbundig. Er

was ineens een prikkeling van boosaardigheid in hen, die de temperatuur

verhoogde, als in de oogenblikken dat er schandaaltjes befluisterd

werden.

„Ik heb u al gezegd, dat ik probeeren wou om alles zoo goed en mooi

mogelijk te doen, en dus zal ik zeker niet gaan nadoen, wat ik zoo

leelijk vind bij de heeren!”

Hilda riep het hard, om boven het gelach gehoord te worden, maar ze

werd niet verstaan. Allen spraken door elkaar, aanvallend, bespottend,

de tongen los, elkaar aanstekend en opwindend en minachtende dingen,

laffe grapjes, een oogenblik zelfs in overmoed, een paar grove

dubbelzinnigheden kruisten over de tafel.

En Hilda zat te midden van dit alles, pijnlijk gewond, maar zich

dwingend om kalm te blijven. Wat ging haar dit leven eigenlijk aan? Die

menschen hier spraken niet van haar en haar mooie plan, zooals zij het

zich voorstelde; zij hadden het over dat afgezaagde Fliegende

Blätter-type van de geëmancipeerde vrouw, dat ouderwetsche

basbleu-type, dat haast tot de legenden gaat behooren.

Maar in dit zelfde oogenblik, onder de pijniging van het spotgesuis om

haar heen, leerde Hilda ook plotseling begrijpen, hoe de pioniersters

der vrouwenbeweging, zij die het eerst, de door traditie en vooroordeel

afgebakende banen hebben verlaten, soms zooveel aanleiding hebben

kunnen geven, om zonderling en antipathiek te worden gevonden. Want er

behoort een beetje het gemoed van een heilige toe om niet bitter, maar

beminnelijk en waardig te blijven als men onophoudelijk omringd is, in

het huisgezin en in het publiek, van tegenwerking en afkeuring, als men

uitgelachen wordt door de vrouwen, met wie men is opgegroeid en door de

mannen als een abnormaal wezen wordt behandeld, als men voortdurend

ontmoedigd wordt bij dezelfde studies, waarbij men den man aanmoedigt,

als men met de grootste moeite zich toegang moet verschaffen tot

onderwijsinrichtingen en werkplaatsen, die voor elken man, zelfs den

minst begaafden openstaan. En dit alles hadden die vroegere vrouwen

moeten doorworstelen, strijdend tegen een vooroordeel, een onwil waar

wij ons nu zelfs geen voorstelling meer van kunnen maken. Geen wonder

dat velen van haar treurige typen werden, vol tegenstrijdigheden.

Dikwijls werden zij mannenhaatsters—helaas, haar ondervinding leerde

haar den man toen nog maar al te dikwijls als vijandig kennen—en toch

was haar hoogste streven om hem in alles na te doen. Men had haar

immers zoo tot in ’t oneindige voorgehouden dat hij de meerdere was,

dat hem de eerste plaats toekwam en de rechten en de vrijheid, dat

daardoor als vanzelf bij haar de overtuiging ontstaan moest, dat alles

gewonnen zou zijn, als zij maar zoo veel mogelijk, in alle opzichten,

op dien benijdbare kon gaan gelijken!

Toen kreeg men een oogenblik dat soort van ruwe vrouwen in

mannenkleeren, die het verschil der geslachten trachtten te ontkennen

en laag neerzagen op netheid en orde en zachtheid, omdat dat vroeger

speciaal vrouwelijke deugden werden genoemd. Het waren arme,

onevenwichtige individuen, zooals elke overgangsperiode ze voortbrengt,

vol goede bedoelingen en enthousiasme, maar zonder kracht nog om haar

eigen leven, in harmonie met haar nieuwe denkbeelden, tot iets moois te

maken. En de wereld, die dom is in het begrijpen der oorzaken, als zij

die vrouwen zag gaan, zeide dat het de wetenschap en de vrijheid waren,

die zoo het bekoorlijke in haar verwoest hadden, zonder te bedenken,

dat het veeleer de miskenning, de tegenkanting, de wreedheid der

menschen waren en de daardoor, uit reactie geboren zelfoverschatting,

die dit kwaad hadden uitgericht.

Maar die tijden waren nu immers voorbij! De moderne vrouw weet nu dat

haar kracht niet ligt in nadoen, maar in volkomen zich zelf durven

zijn! Zij eischt niet meer de rechten van den man, in een kinderachtig

„ook willen hebben wat een ander heeft!” Zij eischt haar eigen rechten,

omdat zij zich mondig en verantwoordelijk begint te voelen. Zij weet

dat er moreel en physiek een groot onderscheid tusschen den man en de

vrouw bestaat, en dat dit juist het leven rijk maakt en vol kleur, en

juist daarom eischt zij meer vrijheid voor zich zelf om naar eigen

aandrang haar weg te mogen kiezen, overtuigd dat het verschil der

geslachten te wezenlijk is, om nog, tot kunstmatige instandhouding

daarvan, verouderde scheidsmuren noodig te hebben. Zij zal haar

dochters opvoeden tot waarachtige vrouwen en haar zonen tot waarachtige

mannen, niet door hen voortdurend in te prenten: dit gaat niet voor een

meisje, dat hoort zoo voor een jongen, maar door beiden hun

eigenaardige gaven in volheid te laten ontwikkelen, en dan zal ze hen

samen de wereld in zenden om naast elkaar te arbeiden.

Met strakke klaarheid was dit alles plotseling voor Hilda’s geest

opgegaan, pijlsnel had ze het op eenmaal overzien en begrepen.

„Freule, mag ik u het eerste kistje sigaren aanbieden, zoodra u aan het

rooken begint?” riep van Smaarth. „Maar ik zou u aanraden niet vóór den

herfst te beginnen, vóór er zure appels zijn.”

Betty de Mureaux viel in met een eindeloos gegiegel.

„Zie je nou wel dat iedereen het gek van je vindt!” zeide mevrouw van

Starren zegevierend.

Zij stonden nu allen op van tafel en slenterden den tuin in, waar de

koffie gediend werd. Mijnheer van Starren bleef even achter met von

Görtzen om een sigaar op te steken:

„’t Geeft je niks, Ferdinand, of je haar nog zoo plaagt. Ze hoort tot

de dwepers, die loopen liever hun hoofd te pletter dan hun idees op te

geven.”

Von Görtzen lachte met een klein schouderophalen:

„Wie weet?”

Toen ging hij weer bij de dames en sarrend begon hij op nieuw:

„Liebes Hildchen, zul je me waarschuwen als je mannenhaatster gaat

worden? Dan zorg ik ’n beetje uit de buurt te blijven.”

Corry steunde hem dadelijk met haar hoog kirrend lachje.

Van Smaarth kwam vlak bij haar staan en met impertinente ironie:

„Zult u mij ook waarschuwen, freule? Dan verlaat ik onmiddellijk het

land! In dezen dynamiettijd zou ik erg bang zijn .... toe, zult u mij

sparen?”

Hilda kon niet antwoorden door dit lachgedruisch heen, en haar onmacht

beklemde haar een oogenblik. Maar wat zou ze ook antwoorden? Deze

menschen zouden haar toch niet verstaan, als zij hen zeide hoe absurd

het was, mannenhaat te verwachten bij haar, die zulk een vader had

gehad! En evenmin zouden zij haar begrijpen, als zij er hen op wijzen

wilde hoe onbillijk het toch van de wereld was om altijd de vrouw te

bespotten, die, verbitterd door treurige ervaringen mannenhaatster is

geworden, terwijl men aandachtig luistert naar den man die, verbitterd

door even treurige ondervindingen, vrouwenhater werd. Van af sommige

oude klassieke schrijvers en kerkvaders tot Schopenhauer [15] en

Strindberg toe, zijn er altijd mannen geweest, die de vrouw hebben

gegeeseld, omdat zij enkelen harer hadden leeren verachten, en

natuurlijk staan daar tegenover even zooveel vrouwen, die, om het leed,

haar door enkelen aangedaan, den man hebben leeren vloeken. O! Haten

was altijd, bij wie het ook deed, een bewijs van eenzijdigheid en

bekrompenheid, een bewijs dat er niet diep genoeg was doorgedacht om te

hebben begrepen, maar niemand mocht vergeten, dat er, voor wie veel

geleden heeft, ook veel verontschuldiging is!

„Zie je wel, Hilda, dat de heele wereld je zal uitlachen,” proestte

Corry.

Misschien vindt de freule dat wel aardig; zoo’n martelaarskroontje

flatteert wel ....”

Het was een echte fou-rire geworden, een aanstekelijke zenuwlach, die

hen allen liet schudden om hun eigen geestigheid. Maar het pijnlijkst

sarrend klonk het hooge gelach van de drie meisjes.

Hilda zag rond, trillend onder de terging, en een oogenblik steeg er

woede in haar op. Maar toen, plotseling kwam er een vreemd teeder

gevoel van namelooze weemoed over haar, een intens besef hoe

erbarmelijk dom zulk lachen was.

Toen richtte ze zich op, met bevende lippen, tragisch, en ineens met

een groote stem, warm van emotie, overheerschte ze al deze geluiden van

spot:

„O! ga je gang maar! arme meisjes! Denk je dat ik de desolatie van

jullie leeg, zenuwachtig leven niet ken? Voel jullie dan niet dat heel

je bestaan kan worden samengevat in deze twee huiverige woorden:

Wachten en betreuren! Eerst wachten op een huwelijk, dat in deze tijden

voor velen van ons nooit komen zal en wachtend je zoowat amuseeren tot

de vermindering van succes je zegt om je terug te trekken, en dan

betreuren en verlangend terugzien op die verloren fladderjaren, die de

rijkste van je leven hadden kunnen zijn. Daar, dat is jullie heele

bestaan! En lach me maar gerust uit, dat ik het mijne anders wil

gebruiken. Jullie gelag zal de nieuwe gedachten niet overschreeuwen!

zij zitten in het bloed van dezen tijd! Het jonge geslacht zal ze

kennen zonder ze geleerd te hebben! Het nadert, het ontwaken! Wat doet

het er toe of jullie spottend en verwonderd wilt achterblijven? Wij

zullen voortgaan waar de Tijdgeest ons roept. O! lach jullie maar, ik

heb medelijden met jullie! en daarom kan je gelach me niet boos maken

....”

Maar met een schok hield ze op, heel bleek met strakke oogen. In de

veranda, op den drempel stond Maarten van Hervoren, en hun blikken

ontmoetten elkaar in groote ontroering. Hilda was altijd een lieve,

elegante verschijning, maar als zij zich opwond in haar eigen

gedachten, en de groote klare oogen verdonkerden zich, opfonkelend in

bezieling, was er een pathos in haar, ging er een bekoring van haar

uit, die de mooiste vrouw met een arm zieleleven nooit kan bezitten.

Maarten stond getroffen en bij het elkaar onverwacht ontmoeten van hun

blikken was er een duizeling van weelde in hen beiden.

Een oogenblik was het maar, toen raakte ze verward, niet begrijpend

ineens hoe ze daar zoo heftig had durven staan spreken, tusschen al die

vijandige gezichten, en wat Maarten daar zoo in eens kwam doen, en met

een schuwheid, waar ze later woedend over was, vluchtte ze hem voorbij,

de kamer in en naar boven.

Het stuipachtig dolle gelach der anderen had langzaam opgehouden,

verkild in de plechtigheid van Hilda’s woorden, en zwijgend, onhandig

stonden ze nu bij elkaar.

„Mevrouw, ik hoop niet dat ik u stoor? De knecht zei me, dat ik u in

den tuin zou vinden. Ik kom direkt van Vreugdhof met ’n lijstje

benoodigdheden, die de freule Eugénie me dringend heeft gevraagd om

dadelijk mee terug te brengen. Ze zijn aan het repeteeren van den

cotillon voor vanavond, maar er kwam nog allerlei te kort.”

„O! geeft u mij ’t lijstje maar!” zeide Corry. „Laat es zien? Tien

meter rood tarlatan, spelden, twee vel goudpapier ....” mompelend las

ze even voort en holde toen weg, om alles klaar te maken.

„U kwam juist in op de speech van de freule van Suylenburg, niet waar?”

lachte Betty.

„Was de freule aan ’t speechen?”

Er was bij sommigen een oogenblik van aarzelen. Maarten’s reputatie van

politiek verschrikkelijk rood zijn, maakte von Görtzen en van Smaarth

wantrouwend om het gesprek in zijn bijzijn voort te zetten.

Maar Mathilde van de Bransen was vol opgewonden bereidwilligheid om

inlichtingen te geven:

„Ja, hebt u ’t niet gehoord? We hadden haar ’n beetje geplaagd .... o!

we hebben ons ziek gelachen, omdat ze advocaat wil worden, en toen

hield ze ’n woedende speech.”

„Advocaat?”

„Ja, wat ’n idee, he?”

„Miserabel!” zeide von Görtzen. „Waar moet het heen als meisjes uit

onze kringen zoo’n voorbeeld gaan geven? Ze zullen al haar

bekoorlijkheid gaan verliezen, en wat dan? ’t is horrible.”

Maarten lachte ironisch:

„Nou, bekoorlijk zullen ze wel altijd blijven, ’t zou alleen kunnen

zijn, dat ze zich ’n beetje minder moeite gingen geven om ons te willen

bekoren! Maar tot dusver heb ik juist dikwijls gevonden, dat vrouwen,

die zich hadden aangepakt, bijzonder aantrekkelijk waren. En kom, von

Görtzen, laten we het ook maar niet zoo veel beter willen weten dan de

natuur, die de vrouw net zoo goed hersenen als handen heeft gegeven,

toch om ze te gebruiken, veronderstel ik. Waarom zou de provisiekamer,

de keuken en het salon nou eigenlijk zooveel betere kweekplaats van

bekoorlijkheid zijn dan de studeerkamer? Het is ’n beetje onlogisch om

te denken dat intelligentiewerk den man zou veredelen en de vrouw zou

doen ontaarden.”

„Nou, ik vind het dan toch maar allesbehalve aantrekkelijk zoo’n

basbleu met inkt aan haar vingers ....”

„Daar zijn we ’t over eens, handen moeten gewasschen worden, maar hoe

denk je over rooie gesprongen handjes door ’t opdoen van de wasch?”

Op dit oogenblik kwam Corry terug.

„Alles is in uw rijtuig, mijnheer van Hervoren, alles wat op ’t lijstje

stond, is er.”

„Freule, ik dank u zeer.”

Maarten ging heen, maar mevrouw van Starren zag hem na met een lach van

boosaardigheid:

„Ik wensch hem van harte toe, dat ie nog es ’n vrouw krijgt, die haar

kindertjes ba ba leert zeggen in ’t Grieksch.”

Allen proestten het uit, maar in hun schateren was iets gedwongens, het

wilde niet vol meer klinken, er was een barstje in de stemming gekomen,

en zij bleven in den tuin doelloos om elkaar heen drentelen, tot het

ook voor hen tijd was om naar Vreugdhof te rijden.

Maarten stond beneden aan het hooge terras, waar de rijtuigen vóór

reden en hielp de dames uitstijgen. Eerst kwam de groote landauer met

mevrouw van Starren en Corry en von Görtzen en van Smaarth en vlak

daarachter de coupé met Betty en Mathilde en Hilda.

„Hebt u nog dansen, freule?”

Hilda glimlachte en gaf Maarten haar balkaartje. Het souper en de twee

dansen daarvóór waren nog open.

„Mag ik die alle drie hebben?”

Zij knikte, blij dat hij zoo onbehoorlijk veel durfde vragen, en ging

toen de trappen op van het terras, naar de balzaal, aan den arm van

Charles Pankaert, die den eersten dans van haar had en al op haar had

staan wachten.

Het was alles mooi als een sprookje in huis: de vestibule en de lange

gangen met donker dennengroen en lichte art-muslins versierd, vroolijk

als een reusachtig meisjesboudoir, en de balzaal, zuiver empire, alles

wit en goud, vol bloemen en palmen en honderden waskaarslichten.

Chrysanthen en rozen, Valérie’s lievelingsbloemen, waren overal

aangebracht; zij klommen langs de wanden en hingen af van de luchters,

omlijstten de deuren, stonden hoog op tegen het palmengroen achter de

sofas, en weerkaatsten zich in groote Japansche vazen in de spiegels

der hoeken.

Hilda was opgetogen. Alles wat er artistieks in haar was, ontroerde bij

deze geurende feeërie. De oude betoovering van den vorigen winter was

weer over haar, maar een beetje anders nu toch; ze genoot er van, maar

met open oogen, niet meer bedwelmd.

„Hoe mooi!” zeide ze zacht.

„Ja, prachtig.”

Zij wandelden verder, Charles druk pratend, maar zij luisterde niet. Ze

vond hem vervelend, hij had een ironische hoffelijkheid, die haar niet

op haar gemak maakte, een manier om neerbuigend over „de dames”,

„dames-smaken” en „dames-gewoonten” te praten, die haar ergerde, vooral

als ze aan die twee stille vrouwen dacht, op het bovenhuisje in de van

Speykstraat.

De avondlucht, zoel vochtig, zware geuren meedragend van late

zomerbloemen en gevallen blâren stroomde binnen door de vijf wijd

opengeslagen deuren, die op een balkon uitkwamen, dat met breede

trappen, naar beneden, naar het park voerde.

En heerlijk lui onderging Hilda al deze weelde-indrukken van licht en

vroolijkheid. Ze voelde zich bijkomen van de schokkende emotie van die

scène straks, na het eten. De opstand, die nog lang in haar had

nagebruist, begon zachtjes weg te zakken, ze voelde zich onbezorgd

worden, ontheven van dat drukkende verantwoordelijkheidsbesef van

ergens voor te moeten strijden, en met een verstrooiden glimlach liep

ze mee, prettig voortsoesend, in de glanzende rijen.

En toen begon de muziek, en het rythmisch bewegen. Ze danste gaarne en

ze deed het goed en vanavond was zij er juist in een stemming voor.

In de quadrille d’honneur der beide bruidsparen zouden Hilda met van

Smaarth en Corry met von Görtzen vis à vis zijn. Het was al lang

afgesproken, en er was niets aan te veranderen, maar, na het geterg der

anderen en haar eigen heftigheid van straks, vond Hilda het wel heel

vervelend, toen het oogenblik gekomen was om de carrés te vormen.

„Nun Hildchen? Dit is toch ’n betere plaats voor jonge dames dan de

collegekamer? Vindt je zelf niet dat dansen ’n vrouwelijker werkje is

dan wetten inpompen?”

Sarrend fluisterde von Görtzen het haar toe, terwijl zij diep voor

elkaâr bogen. Zij antwoordde niet, naar haar plaats terug gevoerd vóór

ze iets kon zeggen, maar ze zag hoe hij aan den overkant even Corry

iets toefluisterde en hoe zij toen beiden giegelend haar van het hoofd

tot de voeten opnamen.

Toen was het zorgeloos genieten ineens weer voorbij. De blije stemming

van al het mooie om haar heen was weg, ze voelde weer het vermoeiende

van zich te moeten verdedigen, en in een pijnlijk ontwaken zag ze rond

op al die bewegende figuren.

Was het niet een parodie op den ernst der tijden, zoo vol leed en

getwijfel en met geweldige stormen aanbruisende van beneden uit de

diepten van het volk, om de feestzaal de eigenlijke plaats voor het

jonge meisje te noemen? Afleiding en pretzoeken de voornaamste

bezigheid van de aanstaande moeders van een nieuw geslacht? Allons

donc! O! het meerendeel van de menschen hier, beschouwde het nog zoo,

maar wat was dan daarvan ook het resultaat? Dat de meesten dezer

schepseltjes zich verbeeldden echt vrouwelijk te zijn, omdat zij zich

goed kleedden, en lief glimlachten en koketteerden met zachte

stemmetjes in vreemde talen, en zelfs geen begrip hadden van wat een

echte vrouw zijn kan en moet!

Sommigen harer waren heel bekoorlijk, zeker, en vrouwenbekoorlijkheid

kan zijn als ’n zonnestraal, koesterend, levenwekkend, maar wanneer zij

niet gelouterd is door ernstige levensopvatting is ze als ’n

dwaallichtje, dat danst boven vergiftuitdampende moerassen en domme

menschen verwarren die beiden soms, en noemen zonnestraal en

dwaallichtje bij denzelfden naam!

Hilda van Suylenburg · 第 29 / 35 段