....?”
„Wel natuurlijk! Je kent de wereld niet. Geloof maar dat de verhouding
tusschen man en vrouw heel anders wordt of zij tegenover elkaar staan
in een salon of in een collegekamer ....”
„Wel!” zeide Hilda uitdagend, „dan wordt het hoog tijd dat de meisjes
uit de balzalen naar de collegekamers gaan om daar ook een beetje
goeden toon te brengen. ’t Zou toch al heel erg zijn als onze
aanstaande rechters en ministers niet eens wisten hoe een meisje te
bejegenen, dat nog iets anders verlangt te doen, dan zich te amuseeren.
Maar dat geloof ik ook niet!”
„Natuurlijk,” zeide mijnheer van Starren. „Je begrijpt toch wel dat de
jonge lui je gewoon bespottelijk zullen vinden?”
„Nee oom, dat zie ik niet in! Een vrouw, die werken wil, waarin ook, is
evenmin bespottelijk als een man. Het komt er maar op aan hoe of ze
zich gedraagt, en ik zal wel zorgen, dat ik mij niet bespottelijk
aanstel, dat verzeker ik u!”
Een oogenblik zwegen zij. Mijnheer van Starren vond het ontzettend
lastig. Sinds jaren was hij gewend alles wat zijn dochters betrof, met
een ironischen lach van zich af te schuiven: „Daar moet mama maar voor
zorgen, aan dameszaken waag ik me liever niet!” Maar wat nu te doen met
zijn zonderlinge pupil?
„Dus u vindt het goed?” vroeg ze overredend.
„Goed? Nee, ik vindt het volstrekt niet goed! ik vind het onzinnig!
Maar natuurlijk, ik zal je niet tegenwerken, als je ’t bepaald wilt
doorzetten. Het volgende jaar ben je meerderjarig, dus dan zou je het
toch kunnen doen, en je moet het dan ook zelf maar weten.”
Hilda stond op. Zij had immers voorzien, dat ze geen sympathie zou
ontmoeten! dus dit was voldoende: geen tegenwerking.
„Dank u wel, oom.”
„En wanneer ga je naar de academie?” vroeg hij spotlachend.
„Omdat ik al grieksch en latijn ken, denk ik wel dat ik ’t volgend jaar
m’n staatsexamen zal kunnen doen. U vindt zeker goed, dat ik
privaatlessen neem?”
„Doe zooals je wilt, als je mij later maar niet de schuld geeft van dat
dolle plan.”
„Dat beloof ik u! Maar laat ik u nu niet langer ophouden.”
Zij stond bij de deur met den knop in de hand.
„Hilda, hoor nog es even.”
„Wat belieft u?”
„Weet je wel, dat, als je deze meisjesgril doorzet, je je
huwelijkskansen vreeselijk vermindert?”
„Mijn kansen op een gelukkig huwelijk niet,” zeide ze zacht, „want
alleen zou ik gelukkig kunnen zijn met iemand die ’t in mij liefhad,
dat ik verlang een werkende vrouw te zijn, in plaats van ’n
salonvlinder.”
Mijnheer van Starren glimlachte geheimzinnig, overtuigd, door de
kibbelpartijtjes, die hij tusschen Hilda en Eugénie had opgemerkt, dat
hij een gevoelige snaar ging treffen:
„Ik geloof niet, dat bijvoorbeeld, de jonge Cranz erg gesteld zou zijn,
op ’n advocate als verloofde!”
Hilda rekte zich lang uit, genietend in den triomf van haar antwoord:
„De opinie van mijnheer Cranz is me volkomen onverschillig, oom! Ik heb
hem juist dezer dagen geschreven, dat ik ook veel liever had dat ie me
niet als verloofde verlangde.”
„Heb je ’m bedankt?”—riep Edward in onbesuisde eerlijkheid.—„Dat is
kranig van je!”
„Heb je ’m bedankt? Maar kind .... Hoe kwam je daartoe? Waarom niet es
eerst raad gevraagd? ....”
„Daar kon immers niemand me in raden. Ik kon toch alleen zelf oordeelen
of ik hem liefhad!”
„Nou ja, .... liefhebben .... Maar weet je wel dat er zich nooit meer
zoo’n partij zal voordoen ....”
„Ik verlang geen goeie partij! Ik verlang liefde, en als ik de echte
niet vind, wil ik er de prullige namaak ook niet van!”
„Kind, kind, wat ’n theorieën allemaal! En wat stel je je dan toch
voor? Dat die rechtstudie nou zoo iets verrukkelijks is, dat je daar
het grootste geluk in zult vinden?”
Hij wierp haar zijn woorden toe, driftig, maar zij bleef onbewogen:
„Ik stel me voor dat die rechtstudies heel droog en vervelend zullen
zijn! Dacht u heusch, dat ik nog zoo onnoozel was, om me een
meestertitel, op zich zelf, als een geluk voor te stellen? Natuurlijk
is hij voor mij ook maar een middel, geen doel! ’t zal ’n soort sleutel
zijn van een poort, die toegang geeft tot een prachtig arbeidsveld.”
Mijnheer van Starren zuchtte. Ontzettend onaangenaam vond hij ’t, dat
zijn pupil, die hij lief en mooi had gevonden, in de weinige uren, dat
hij haar zijn aandacht had gewijd, nu zoo onverwachts zulk een heel
anderen kant van haar karakter liet zien.
„Allemaal utopieën! idiote utopieën! kind! Geloof me! Als je met die
soort van dingen gaat dwepen zul je niks dan teleurstelling en getob
hebben!”
Maar toen, geprikkeld door het eeuwige refrein van „Utopie” antwoordde
Hilda ongeduldig:
„Oom, ik vind het heerlijk dat u het utopieën noemt! Want wat zijn
utopieën? Nieuwe gedachten waar men nog niet aan gewend is; en wat is
een nieuwe ontwikkelingsperiode anders dan een reeks daad geworden
utopieën! Is het niet waar? door alle eeuwen heen is het zoo gegaan.
Geen genie op moreel of practisch gebied is er ooit geweest, dien men
niet voor utopist heeft uitgemaakt, en zijn nieuwe ideeën voor
onmogelijke droomen uit het schimmenrijk! Mijn vader zei altijd: dat
bewijst alleen dat diegenen die de wereld droomers noemt, dikwijls
klaar wakker zijn, en dat de zoogenaamd wakkere en nuchtere menschen
slapen! Maar laat ik u nu niet langer storen. Dank u wel dat u mij m’n
gang wilt laten gaan.”
Hilda had onmiddellijk na het gesprek met haar oom haar Latijnsche
boeken van boven gehaald, in een passie om dadelijk met werken te
beginnen en nieuwsgierig om te zien of ze dezen winter niet te veel
vergeten had. Ze zat in de tuinkamer, in haar geliefkoosd
schommelstoeltje en wiegde zachtjes op en neer. Het was toch wel
prettig zijn gedachten weer zoo eens rustig heelemaal op éen punt te
vereenigen!
Eugénie kwam binnen. Wat zag ze er weer ellendig uit vanmorgen! Al die
staal en die rauwe biefstuk hielpen toch niets. Zwijgend ging ze naar
de piano—blijkbaar wist ze nog niets van Hilda’s plan—en begon een
Nocturne van Chopin, die zij instudeerde voor éen van de soirées van
Valérie Vermaezen’s bruiloft. Zij speelde goed, correct, met de
oppervlakkige bravoure, die lange uren van studie en dure lessen kunnen
geven. Zij liet zich nooit bidden; zoodra hare mama, die niets van
muziek begreep, maar heel trotsch was op haar dochter’s spel, vroeg om,
„dat beeldige dingetje, och, je weet wel,” stond ze altijd dadelijk op,
gedwee, wetend dat het zoo hoorde, en begon te spelen na het
gebruikelijke zinnetje: „dat ze in geen eeuw gestudeerd had.” Van wat
er echter verteld werd in die tallooze nootjes van teerheid en weemoed,
van hartstocht, en onrust daarvan had ze nooit iets verstaan.
Voor de twaalfde maal begon ze nu weer die negen lastige maten, triolen
tegen zestienden, en weer ging het niet volkomen goed.
Plan! ....
Met haar beide handen sloeg ze wild op de toetsen, die het
uitschreeuwden met een valsch gekerm. Toen bleef ze bleek en moedeloos
een oogenblik stil zitten. Hilda zag naar haar op, een beetje
verschrikt, maar toen kwam Corry ineens binnengehold, heel zenuwachtig!
„Gut meisjes, luister es! Hij is tòch gekomen! Hij is binnen bij papa!
Boven aan het raam zag ik hem juist uit het rijtuig stappen! O! ik ben
zoo blij! Voel mijn handen es, Eus, ijskoud hê? O! als papa nou maar
niet raar doet ....”
„Wie bedoel je?” riep Hilda gespannen.
„Von Görtzen natuurlijk!”
„Natuurlijk!” zeide Eugénie, langzaam, heel droog zoodat niemand recht
kon begrijpen of het ernst was of ironie! „Natuurlijk is het von
Görtzen, en niet Rooselaar. Welk meisje van dezen tijd gelooft nou nog
aan liefde? Een kroontje en vooral een geldzakje! Dat zijn de idealen
voor de teedere meisjesharten uit onze wereld.”
„Eus, zeur nou niet!” zeide Corry driftig.
Hilda keek weer in haar boek: En eergisteren was ze nog zoo lief tegen
Rooselaar geweest!
„Had hij je gezegd dat ie komen zou?” vroeg Eugénie.
„Ja, gisteravond bij Gladys zei hij wel zoo iets, maar hij had al zoo
dikwijls allerlei dingetjes gezegd, dat ik er toch maar half op
rekende.”
Toen zwegen zij, gespannen. Corry liep rond, bijtend op haar kanten
zakdoekje, geen minuut stil, radeloos nerveus en Eugénie vanaf haar
pianokrukje, zat haar somber aan te staren.
„Freule Corry, mijnheer laat vragen of u even bij hem wilt komen,”
zeide de knecht.
„Heel goed, Johan.”
Toen, kalm ineens, met die plotselinge zelfbeheersching die men soms
bij de meest zenuwachtige vrouwen vindt, stond Corry op uit de chaise
longue, waarin ze zich de laatste minuten gewenteld had. De bewegingen
van haar elegant figuurtje hadden plotseling iets verstijfds, er was
iets deftigs over haar gekomen in dit éene oogenblik. Even ging zij
voor den spiegel en streek de donkerblonde kroesjes een beetje terug
van het voorhoofd, en toen, hoog opgericht met vaste langzame stappen,
ging ze de kamer uit, haar vroolijke kinderoogen heel koel nu, met den
strakken blik van eerzucht, waarmee ze voortaan, het leven door zou
gaan.
Hilda zuchtte een zwaren zucht en Eugénie begon haar stuk weer van
voren af aan.
Maar de moeielijke passage mislukte nu volkomen. Hardnekkig begon ze op
nieuw, altijd maar weer op nieuw. Eindelijk ging het een paar maal
goed, maar toen was het weer totaal mis.
Woedend smeet ze het boek dicht, sloot de piano en kwam vlak voor Hilda
staan.
„Geloof jij nou dat kunst veredelt?”
„Ja zeker.”
Hilda zag op, glimlachend om de naïeve gewetensvraag die zoo
onverwachts op haar werd neergeslingerd. Maar sinds haar explicatie
samen over Cranz, deed Eugénie telkens zulke vragen. Zij was
voortdurend heel lief tegen haar, maar behandelde haar nu ook ineens
als een soort orakel waarvan zij op alles, wijze antwoorden wilde
ontvangen.
„Nou ja, het wordt altijd wel gezegd, maar zou het waar zijn?” drong
zij aan.
Hilda verliet haar makkelijke houding van lezen.
„Ja zeker!” zeide ze warm. „Kunst, tenminste voor ons dilettanten,
beteekent eigenlijk: heel groote liefde voor alles wat mooi is! En het
mooie en het goede, het edele, zijn immers au fond hetzelfde? Kunst
ontwikkelt, wekt in ons op het gevoel voor het mooie, onze behoefte er
aan, ons verlangen er naar, en juist dat verlangen werkt veredelend.
Want mooiheid in lijnen en vormen, en klanken en kleuren en woorden
noemen wij Kunst, en mooiheid in gedachten en gevoelens en daden noemen
wij Deugd! en daarom zijn deugd en kunst ten slotte eigenlijk voor wie
het leven rijk en breed willen opvatten, twee woorden met éénzelfde
beteekenis, d.i. Liefde tot Volmaaktheid. Daar waar goedheid en
schoonheid dan ook als heel aparte dingen worden beschouwd, krijg je
altijd onsympathiek eenzijdige wezens; daar krijg je òf een type van
dorheid en koû, en bekrompen braafheid, bij wie kunst als iets
vijandigs, zondigs wordt beschouwd, in wiens nabijheid men zich schaamt
te lachen of een bloem en een zonnigen hemel te bewonderen, òf wel een
even akelig type van menschen, vol holle phrasetjes over kunst, die hun
huizen met artistieke lapjes en prulletjes mooi maken en zuchten van
aesthetisch gevoel, maar hun innerlijke leven arm en leelijk laten! En
beiden zijn even ver van een waarachtig edel menschtype verwijderd.
Want levensharmonie wordt alleen daàr geboren, waar mooiheid in alle
dingen, zoowel in die van het inwendige als in die van het uitwendige
leven wordt gezocht, m.a.w. dáár, waar men schoonheid en goedheid
liefheeft, als één begrip.”
Eugénie had met nieuwsgierige aandacht naar deze, voor haar nieuwe
gedachte geluisterd. Maar toen werd ze ongeduldig ineens:
„Nou ja, je vat alles ook altijd zoo zwaar op. Natuurlijk veredelt
liefde voor echte prachtige kunst. Ik heb ook wel es bij mooie muziek
en mooie schilderijen ’n gevoel gekregen, dat er nog wat hoogers in de
wereld was om over te denken, dan onze gewone
koetjes-en-kalfjespraatjes en dat doet je altijd wel goed, maar ik
bedoelde straks meer, het pianospelen en schilderen dat wij zoo doen,
wij meisjes ....”
Hilda lachte even:
„Nou zie je, of jij nou nog zoo vlug loopjes kunt maken en al schildert
Corry een millioen vierkante lapjes met landschappen en stillevens, ik
geloof heusch niet, dat jullie daar een kriezel edeler of gelukkiger
door zult worden! Maar dat kun je ook eigenlijk geen kunst noemen.”
„Vind je het dan eigenlijk nonsens?”
Hilda was op het punt om uit den grond van haar hart ja te zeggen,
denkend aan al die ontelbare uren, die aan zooveel interessanter
vruchtbaarder werk hadden kunnen worden besteed en geen ander resultaat
hadden gehad, dan wat slecht schilderwerk van Corry en van Eugénie dit
brillante, onbeduidende spel. Maar zij bedacht zich en antwoordde
voorzichtig, zoekend naar woorden die duidelijk zouden zeggen wat zij
al zoo lang in stilte had gevoeld:
„Ja eerlijk gezegd, geloof ik wel dat al dat dilettantische kunstgedoe
meestal erge nonsens is! Maar het hangt er heelemaal van af hoe je het
opvat: als de dilettanten hun kunstbeoefening wilden gebruiken als
middel om zich zelf te ontwikkelen en hun rusturen mooi te maken zou
het uitstekend zijn. Muziekmaken, vooral zingen, oefent het gehoor,
versterkt de muzikale intelligentie, en het vermogen om de
meesterstukken te begrijpen, en daarbij is ensemble spelen een lief
mooi gezelschapspel, onder jonge lui en in ’t huisgezin. En teekenen
oefent het oog en de hand, leert nauwkeuriger opmerken, de natuur beter
kennen, met schilderen kan men allerlei dingen in huis aardig
versieren, en het gevoel van afstanden, lijnen en kleuren, dat er door
ontwikkeld wordt, komt in het leven bij alles te pas. Maar zooals nu de
meisjes haar „aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar
als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het
heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven,
met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en
ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven
het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met
verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer
net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om
beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander
werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze
van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit,
wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik tenminste ....”
Eugénie draaide zich om en ging voor het raam staan, zenuwachtig een
deuntje neuriënd dat zij accompagneerde met trommelen op het glas.
Toen, na een poosje zeide Hilda peinzend:
„Zie je, vroeger heeft papa mij ook veel muziek laten maken en
teekenen, en op reis heb ik zelfs nog lessen gehad van allerlei
beroemde meesters. Want papa vond, dat iedereen in de gelegenheid moest
worden gesteld om te zien welke aanleg in hem zit. En toen het bleek
dat ik niet zonder gave was—want anders was ik er dadelijk mee
uitgescheden—maar dat ik gewoon, wat de menschen noemen: „een beetje
talent had”, liet hij mij doorwerken met goeie lessen, tot ik hem ’s
avonds onze lievelingsmuziek kon voorzingen en spelen en dat ik
krabbelingen kon maken van dingen, die wij op reis aardig vonden. Maar
later, toen ik eens de moeielijkheden van het begin overwonnen had, wou
hij volstrekt niet meer dat ik uren lang zou zitten blokken, om een of
ander salonstuk machtig te worden of een niet al te onverdienstelijk
stilleven voort te brengen. Integendeel, later had hij veel liever dat
ik mijn meesten tijd besteedde aan ’t lezen van dingen, waar we samen
heerlijk over konden praten en die mij een klein beetje meer begrip van
het leven konden geven....”
Eugénie kwam ineens, met driftige stapjes, terug van het venster, pakte
Hilda bij de schouders en schudde haar heftig heen en weer, terwijl ze
tusschen de vastgeklemde tanden siste:
„Waarom .... heb je .... me .... dat .... nooit .... eerder gezegd?”
Hilda zag op, glimlachend, meenend dat Eugénie scherts met haar aanval
bedoelde, maar toen ontroerde ze, en staarde angstig in het
zenuwtrekkend verwrongen gezicht vlak boven haar hoofd. Een oogenblik
had zij den duidelijken indruk dat ’n ander wezen, ’n wild wreed wezen,
door Eugénie’s oogen op haar neerkeek en met een huivering trachtte ze
zich los te maken.
Het was een korte worsteling, toen, met een smak wierp Eugénie haar
achterover in den stoel en holde snikkend den tuin in.
Roerloos bleef Hilda even zitten, heftig ontsteld door de onverwachte
scène. Zij begreep het eerst niet, ze was verschrikt, boos, en haar
schouders wrijvend, waar de stijf geknepen vingers pijnlijke plekken
hadden gekneusd, stond ze op om Eugénie te volgen en haar rekenschap te
vragen. Maar toen, op eenmaal, had ze als een visie van heel Eugénie’s
leven en ze zag dat ze onbewust wreed was geweest. In dat
meisjesbestaan zonder éen enthousiasme, zonder éen plicht, en zonder
bestemming, was het vlugge pianospel nog de eenige trots geweest, het
eenige, dat haar de illusie had gegeven toch iets te kennen, iets te
zijn, en nu was ook dat haar ontnomen. Hilda had spijt. Was ze te hard
geweest? Maar dat Eugénie met die vraag over het veredelende van kunst
zoo ineens voor den dag was gekomen en zich haar antwoord dadelijk zoo
verschrikkelijk had aangetrokken, was immers het beste bewijs hoe ze
zich in stilte al lang onvoldaan moest hebben gevoeld. Als Hilda het
haar vandaag niet gezegd had, zou zij morgen toch uit zich zelf zich
bewust zijn geworden van het leeg doellooze van al haar gespeel. Maar
wat moest ze nu doen om haar te troosten? Ze zou naar haar toe gaan, en
haar zeggen .... wat? Wat kon er gezegd worden? Niemand kon op dit
oogenblik iets doen voor Eugénie; zij moest haar eigen strijd
uitstrijden.
Toen draaide Hilda zich langzaam om en raapte het boek op dat straks
gevallen was. Ze moest nu maar eerst hard werken, dat ze gauw met haar
studies klaar was, heel gauw! O! ze zou vreeselijk hard werken! En als
ze dan haar meestertitel had, die in de oogen der wereld een voetstuk
is,—de wereld is zoo dol op titels en graden—dan zou ze van af dat
verhevenheidje het uitroepen .... uitschreeuwen als het moest—:
„Ontwaakt dan toch! jullie meisjes van bij de dertig! Voel je dan niet
dat je vrouwen bent in de kracht van je leven! en dat je dat leven niet
gegeven is om min of meer aardig zoowat te liefhebberen in kunst! Voel
dan toch je verantwoordelijkheid als arbeidster in de maatschappij, die
in deze overgangsperiode alles gebruiken kan, wat je maar aan verstand
en hart hebt gekregen!
En de meeste meisjes zouden glimlachen en schouderophalend voorbij
loopen, maar enkelen zouden naar haar luisteren, en van die enkelen zou
groote kracht uitgaan.
Corry’s engagement met von Görtzen was tot September geheim gebleven,
dat wil zeggen een publiek geheim, want de eerste dagen had zij niets
gedaan dan vertrouwelijke briefjes schrijven. Zij hadden het saai
gevonden om het met Augustus publiek te maken, toen haast al de
kennissen uit de stad waren, maar nu, begin September, nu iedereen weer
zoo wat thuis was, vooral dit jaar, om de bruiloft van Valérie
Vermaezen, hadden zij het op een groot feest bekend gemaakt en spoedig
zouden zij nu aanteekenen en trouwen. Het had ineens een verbazende
drukte gegeven, beraadslagingen, besprekingen in het oneindige, en
Hilda had daarvan in stilte genoten, omdat het de aandacht zoo volkomen
afleidde van haar eigen schrikwekkend besluit. Alleen één morgen had ze
een heftige scène met haar tante gehad, met al de bedreigingen en
klachten die bij de omstandigheden pasten: „Zij gooide zich weg, geen
goed huwelijk zou zich meer voordoen, ze zou een schande zijn voor de
familie!....”
Maar toen Hilda, onbewogen, den storm over zich had laten heengaan, was
het er bij gebleven. Corry’s druktes hadden alle gedachten gevergd en
Hilda had, met Corona’s hulp, privaat lessen gevonden en ’s morgens
rustig op haar kamer zitten werken.
„Hilda stoor ik je erg?”
Eugénie stond aarzelend aan de deur.
„Nee zeker niet.”
Zij kwam dicht bij haar zitten:
„Hildy, waarom ben je toch zoo kil tegen Cor?”
Hilda kleurde:
„Daar kan ik niks aan doen, Eus. Ik vind dat ze infaam gehandeld heeft
en nou kan ik niet lief tegen haar zijn!”
Eugénie dacht even na. Vooral sinds Mathilde van de Bransen, Corry’s
intiemste kostschoolvriendin, uit Utrecht, was komen logeeren, was
Hilda’s strakheid in ’t oog vallend. Al de vriendinnen waren vol
plagerijen en complimentjes, iedereen had lieve woordjes voor het jonge
paar, al sprak men er ook nog zooveel kwaad van achter zijn rug,
iedereen bracht hulde aan de aanstaande gastvrouw van het Majoratsgut
in Silezië, alleen Hilda was stil en stug.
„Nou ja, wat gaat het je eigenlijk aan. Laat ze doen wat ze wil! Als je
je al de zaken van andere menschen wilt aantrekken, heb je geen leven
meer.”
„Weet je ’t van Rooselaar?”
„Nee?”
„Zoodra ie ’t heeft gehoord, heeft ie in ’n vlaag van wanhoop z’n
familie, z’n mooie vooruitzichten, alles in den steek gelaten en is
naar de Transvaal gegaan.”
„Wezenlijk? .... hoe naar!”
„Ja, heel naar!”
Eugénie zat even stil, getroffen, toen op haar ouden cynischen toon:
„Nou ja, maar waarom is ie dan ook zoo stom geweest om er in te
loopen?”
„Hê Eus, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen! Hij moest er immers
inloopen, omdat Corry heusch van hem hield tenminste .... voor zoover
zoo’n poppenzieltje tot liefde in staat is! En dat vind ik juist zoo
afschuwelijk in haar dat ze eerzucht boven liefde heeft gesteld. Zie
je, er wordt tegen mij nu heel wat gezeurd over „onvrouwelijkheid,”
maar dàt vind ik nou onvrouwelijk, in de ergste beteekenis! Edward was
er in de eerste dagen ook woedend over, en dan kwam ie hier bij me
zitten razen, maar ik geloof dat je mama hem es flink de les heeft
gelezen en von Görtzen heeft nou zijn hart gestolen met de vrije
beschikking over z’n paardenstal, en nou is ie heelemaal tam! Och ja,
’n beetje heilige verontwaardiging minder en ’n beetje wereldwijsheid
meer, zoo moet je er komen!”
Hilda had het bitter gezegd. Haar gemoed was gemaakt om sympathie met
stroomen uit te deelen, om vroolijk te zijn, en lief te hebben, en zij
leed er onder zich zoo alleen, in opstand, ver van al de anderen te
voelen.
„Och, misschien dat men het op den duur met jouw heftige, eerlijke
verontwaardiging nog verder brengt dan met mama’s practisch cynisme,
maar menschen als wij hebben nou eenmaal de kracht niet om je op dat
pad te volgen. Eddy vindt je au fond wel erg kranig, geloof ik, maar ’t
is zoo veel makkelijker, zie je, om verstandig te zijn en je den boel
niet aan te trekken. En jij bent toch ook soms wel erg overdreven, neem
me niet kwalijk! Maar weet je waarom ik nou eigenlijk bij je kwam? Om
je ernstig aan te raden om weer aardig tegen Corry te zijn.”
„Waarom? Tegen von Görtzen ben ik natuurlijk beleefd, maar ’t is me
niet mogelijk om hartelijk tegen haar te zijn. Haar heele leven gaat
nou eén leugen worden, want ze houdt heelemaal niet van Ferdinand, en
ik vind het een walgelijke geschiedenis.”
„Nou maar, ik waarschuw je! Denk je niet, dat het Corry vreeselijk
begint te hinderen? Het herinnert haar onophoudelijk datgene, wat ze
juist met alle kracht wil vergeten, en alles wat tegenwoordig pijnlijk
op haar zenuwen werkt, zet zich om in woede tegen jou. En ze zal zich
wreken!
„Geloof je?”
„Ja zeker! je wou immers dat voorloopig je plan voor de wereld geheim
bleef, tot je ’t volgend jaar je examen gedaan hebt? Nou maar, ik kan
je dan zeggen, dat Corry overal rond gaat en het uitfluistert met
venijnige lachjes vol suggesties van iets heel belachelijks. En
Ferdinand doet mee. Hij heeft natuurlijk èn als Duitscher èn als
conservatief aristocraat een vreeselijken hekel aan emancipatie. Zulke
mannetjes vinden alles wat op vrijheid lijkt horrible, behalve voor
zich zelf. En hoe vinniger Cor er nou over praat, hoe aardiger hij haar
vindt, en ik zie nog aankomen, dat ze je al bij de kennissen onmogelijk
maken.”
Hilda zat zwijgend, driftig op haar pennehouder bijtend. Deze eerste
aanraking met de wereldwreedheid maakte haar innerlijk wild van
opwinding. Ze had het wel vooruit geweten dat men haar uitlachen zou!
Maar het deed toch meer pijn, dan ze gemeend had, nu ’t oogenblik
gekomen was.
„Natuurlijk, meisjes als Corry worden gevierd en ik word uitgelachen!”