zich verantwoordelijk te voelen! Maar de wetten in dit land
veronderstelden niet eens dat een moeder zich verantwoordelijk kan
voelen! Die eischten van de vrouw alleen gehoorzaamheid, en aan den man
gaven ze de macht, alsof niet in negentig van de honderd gevallen van
ruïne en ondergang de man de schuldige was!
Zij pakte haar hoofd met beide handen en snoerde het vast in haar
krampachtige vingers alsof ze het dwingen wilde tot klaarder denken. Ze
had wel eens gehoord dat men een man wegens verkwisting onder curateele
kon laten zetten, maar tot wien moest men zich dan wenden? En ze kon
toch niet zoo maar een aanklacht indienen, zonder zeker te weten of
zijn spelen wel verkwisten was. O! voor zich zelf was ze er vanavond
zeker van! Allerlei kleine dingen hadden het haar al lang laten
vermoeden dat ie speelde en dat hun fortuin sterk was achteruit gegaan.
Maar hoe kon ze ooit zekerheid krijgen? Hij zou haar niet antwoorden
als ze er naar vroeg, en ze kon toch niet stilletjes de brandkast
openbreken om te zien wat er nog over was? Maar waren er dan geen
wetten die de vrouw beschermden tegen den man als hij haar eigen
aangebrachte fortuin wilde doorbrengen? Nee, straks had ie ’t immers al
gezegd: alles, alles behoorde hem; de getrouwde vrouw bezit niets!
Maar ze was toch met huwelijksvoorwaarden getrouwd. Haar vader had het
absoluut gewild! O! Frederik was er wel woedend tegen geweest, en zij
had er zich toen ook tegen verzet omdat hij arm was en zij rijk. En ze
had gelachen om den wensch van haar vader en ze was er boos om
geworden, omdat ze in die voorwaarden iets ondelicaats, als van
wantrouwen tegenover Freddy vond! Ze was immers zoo trotsch en gelukkig
geweest om hem alles te kunnen geven wat ze had. Hoe kan een jonge
vrouw, die haar eigen reine leven, haar toekomst vol visioenen van
geluk aan een man toevertrouwt, voorzorgen tegen hem kennen voor haar
geld?
O! wel moest men ter kwader trouw zijn of verregaand onnoozel in
menschenkennis om in ernst te beweren dat het billijk is om het min of
meer voordeelige van de finantieele positie der getrouwde vrouw, te
laten afhangen van haar meerder of minder practisch doorzicht in dit
moment van hoogste illusie en hoogst vertrouwen! Maar haar vader had
doorgezet. Een groot gedeelte van haar bruidschat had hij haar in land
gegeven en bij huwelijksvoorwaarde bedongen dat dit niet zonder hare
medewerking zou kunnen worden vervreemd of bezwaard.
Meer had hij niet kunnen doen, want ofschoon de wet toestaat dat de
vrouw ook kan bedingen: het beheer over haar roerende en onroerende
goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten, Frederik had
hiertegen zoo heftig geprotesteerd, er zich zoo diep beleedigd door
getoond, en Gladys zelf, bedroefd dat men zulke maatregelen van
wantrouwen tegen haar man wilde doordrijven, had zoo gesmeekt en
gehuild, dat haar vader het bij die eene voorwaarde had moeten laten.
Gladys dacht aan dit alles. Veel wist ze niet van geld en wetten, maar
door haar practische Amerikaansche opvoeding had ze toch meer begrip
van zaken dan de meeste Hollandsche vrouwen. En uit dien akeligen tijd,
toen ze zoo ellendig had gestaan tusschen haar vader en Frederik, kwam
haar vanavond alles weer duidelijk voor den geest. Ze herinnerde zich
nu dat men haar gezegd had, dat zonder die voorwaarde van Praege
onherroepelijk alles met haar vermogen kon doen wat hij wilde, het
verspelen, of .... nog erger, alles, alles! Maar nu kon hij tenminste
dat land niet weg maken zonder haar wil. Op de effecten had ze geen oog
kunnen houden, sinds hun huwelijk had hij die al zoo dikwijls verkocht
en weer andere ingekocht, dat het niet meer uit te maken was, welke van
haar geld waren, maar het land was veilig, goddank! Die goeie, wijze
papa! Misschien zou het nou nog blijken dat juist zijn voorzichtigheid,
waar ze toen zoo boos om geweest was, haar kinderen voor armoede zou
behoeden.
En de tranen, die ze straks, in haar angst niet had kunnen vinden,
kwamen nu zachtjes op, onder de verteedering van dat denken aan de
zorgende liefde van haar vader. Het was of de gedachte aan dat land
haar ineens van haar grootste angst had bevrijd.
Maar ze hoorde de trap weer kraken, langzaam, geheimzinnig, alsof
iemand voorzichtig naar boven sloop. Ze luisterde, bang, het moest
Frederik zijn, want de huisdeur was nog niet toegeslagen. Kwam hij weer
bij haar?
Toen van Praege straks naar beneden was gegaan met het geld in zijn zak
en een zeer voldaan gevoel over zijn handigheid, dat hij het met zoo
weinig scènes en gezeur van Gladys had weten te krijgen, was het hem
ineens ingevallen dat de heeren daarginds wel een oogenblikje konden
wachten: ze bleven toch nog uren bij elkaar, en misschien was het nou
wel het goeie moment om den knoop maar door te hakken met Gladys, over
die kwestie, die hij toch al lang had willen afdoen. Hij had er wat
tegenop gezien, maar vanavond voelde hij zich juist heel flink, na zijn
gemakkelijk zegenvieren over haar.
„Gladys,” zeide hij binnenkomend, met een soort verlegen deftigheid,
die haar dadelijk met argwaan vervulde. „Nou we toch over die
vervelende geldzaken gesproken hebben, wou ik je nog even vragen ....
ik wou je maar even zeggen .... dat, niet door mijn spelen ....
volstrekt niet, maar enfin, door Amerikaansche fondsen en daling van
effecten, enfin .... daar hebben vrouwen zoo geen verstand van, maar
door allerlei omstandigheden is ons fortuin wel erg ingekrompen en nou
zou het ’t beste zijn, dat we ons land bij Gouda maar verkochten, omdat
de pachten zoo laag zijn tegenwoordig, en dan kunnen we daarvoor in de
plaats effecten koopen, die hooge rente geven. Begrijp je me? Ik zou je
er niet mee lastig vallen, maar het land is van jou en pro forma moet
je dus je handteekening geven. Dat vind je toch zeker goed? Ik heb er
al met den notaris over gesproken.”
Gladys slikte met kracht de worgende angst neer, die haar keel
samenkneep. Ze wist dat hij loog, dat hij het land wou verkoopen om het
geld in zijn macht te krijgen, om het vrij, naar zijn eigen wil te
kunnen gebruiken en dat zijn naïeve poging om de zaak luchtig voor te
stellen, bedrog was.
„Nee!” zeide ze zacht. „Ik hecht erg aan dat land, dat ik van papa
gekregen heb ik wil het liever niet verkoopen. En Maud zegt dat soliede
effecten nou toch ook niet veel rente geven, dus dan kunnen we het best
zoo laten.”
„Maud weet er niks van!” zeide hij ineens driftig. „Vrouwen hebben geen
verstand van geldzaken. En als ik zeg, dat het beter is om het land te
verkoopen, dan is het zoo! Ik vraag je niet om raad, nietwaar? Alleen
maar om je handteekening.”
Gladys kneep de handen samen tot de nagels diep in haar vleesch
drongen. Voor haar beteekende strijd: pijn en vermoeienis, die ze
haatte, maar ze moest wel, nietwaar? voor haar kinderen?
„Maar ik wil juist m’n handteekening niet geven, Frederik, heusch niet,
ik kan dat land niet verkoopen. Laten we er maar niet meer over
spreken.”
„Ja, waarachtig wel! Als ik het verkoopen wil, dan gebeurt het, versta
je? Ik weet niet wat je tegenwoordig bezielt om me het leven zoo lastig
te maken. Maar als ik je nou zeg dat het bepaald noodig is, zul je wel
teekenen, nietwaar?”
Zij schudde het hoofd en keek hem aan met groote, droevige oogen.
Toen lachte hij, en ineens was hij bij haar en had haar in zijn armen
genomen en bedekte met kussen haar bloote schouders:
„Kom Glady dear, wil je me dat pleizier niet doen?”
Maar zij weerde hem af, heftig, krimpend als van physieke pijn. Dat was
het ergste wat zij nog geleden had, van den man, in wiens liefdekussen
ze geloofd had, deze valsche liefkoozing. Een oogenblik werd ze woedend
onder de beleediging.
„Nee, ik wil niet teekenen. En ik verbied je het me ooit weer te
vragen.”
„En waarom?” vroeg hij dreigend.
„Omdat je speelt, je hebt het me straks zelf gezegd, en je wilt het
land verkoopen en het geld opmaken.”
„En wat zou dat? als ik het doen wil, zal ik het doen, zonder jou
permissie te vragen. Ik heb geld noodig en ik zal het hebben.”
„Zonder mijn handteekening kun je het niet krijgen!”
Hij lachte even, boosaardig, en ze werd bang, ofschoon ze trotsch voor
hem bleef staan.
„Ja zeker, je vader dacht heel slim te zijn en je met die voorwaarden
en dat land een zekere macht over je fortuin te geven, maar de wetten
hier geven mij een heel andere macht! Ik kan je dwingen ....”
„Je kunt me nooit dwingen te teekenen!”
„Dat zullen we es zien! Als je me niet oogenblikkelijk belooft om te
teekenen gaat Mary morgen naar ’n kostschool.”
„Mary?” Ze zag hulpeloos om zich heen. De verwoesting in haar ziel en
overal rondom, werd hoe langer hoe grooter. Ze was een oogenblik half
bedwelmd door de onverwachte wending van zijn aanval.
„Ja, en als je dan nog weigert, gaat Hajo ook de deur uit. We zullen es
zien of je dan niet buigen zult.”
Versuft boog ze het hoofd, en ’t was haar, duizelend, alsof ie straks
ook nog dreigen zou om het kindje dat ze in zich droeg, van haar weg te
nemen. Toen echter stroomde het bloed in brandende stroomen naar haar
hoofd.
„Je zoudt het hart niet hebben, Frederik, om mij van de kinderen te
scheiden! Je hebt er het recht niet toe!”
„Ik heb het recht en de macht om alles te doen wat ik wil met mijn
kinderen!”
„Jouw kinderen?” riep ze hartstochtelijk. „Maar het zijn niet jouw
kinderen! Het zijn de mijne! We hebben ze samen het leven gegeven, maar
ik heb ze gedragen en gekoesterd en lief gehad vóór de wereld nog iets
van hun bestaan vermoedde, ik heb ze gebaard in smarten waar jij geen
begrip van hebt, ik heb ze gevoed, versta je, met het bloed uit mijn
aderen, ik heb koûe nachten bij ze gewaakt en ze opgepast als ze ziek
waren! Welk recht heb je om ze van mij af te nemen?”
„Alle rechten volgens de wet!” zeide hij koud, wetend dat hij
overwinnaar was.
Zij duizelde en streek met haar hand langs het voorhoofd, dat leeg
voelde als of ze krankzinnig zou worden. Wat voor mannen waren dat dan
toch geweest, die zulke wetten hadden gemaakt, die de moeder met
machteloosheid vloekten? Wisten die mannen dan geen van allen, dat er
ook verstandige moeders en lichtzinnige vaders kunnen zijn? Ze voelde
zich als in een net, dat hoe langer hoe meer wordt dicht gehaald. Als
ze beloofde te teekenen gaf ze haar kinderen aan armoe over, en als ze
weigerde .... Zonder haar liefde konden die jonge teere schepseltjes
immers niet leven?
Een oogenblik dacht ze er aan om zich voor Frederik op de knieën te
gooien om hem desnoods met liefkoozingen te verbidden, maar ze wist dat
het toch niets geven zou. Het moest al een lang, vast plan bij hem zijn
geweest: hij wou het geld hebben. Waarom zou ze zich dan die
ontzettende vernedering nog opleggen?
„Gladys beloof je dat je teekenen zult?”
Ze wrong haar handen, radeloos zwijgend.
„Beloof je het? .... anders .... gaat morgen Mary! Dat verzeker ik je!”
Hij stond vlak bij haar nu, en zijn dreigend fluisteren klonk sissend
in haar hoofd.
„Ja ....”
Hij lachte, en wond zijn knevel omhoog en stond nog even naast haar,
dralend.
Maar zij zag niet op. Het was haar alsof ze krankzinnig zou zijn
geworden als ze hem nu had moeten aanzien.
Toen begreep hij dat ze elkander niets meer te zeggen hadden en ging
vlug naar beneden, en een oogenblik later sloeg de voordeur toe.
Hilda slenterde langzaam de trappen af, een beetje zenuwachtig, want ze
was op weg naar haar oom om hem haar groote besluit mee te deelen en,
nu het oogenblik gekomen was, zag ze er ineens vreeselijk tegen op.
Daarenboven was ze vanmorgen toch al uit haar evenwicht. Die ontmoeting
gisteravond met Hervoren hinderde haar en ze was boos op zich zelf,
juist omdat ze het zich zoo aantrok. Onder al de sterke emoties die den
laatsten tijd haar rustige levensdeining tot hooge golving hadden
opgezweept, had ze den indruk van Maarten’s vluchtige ontmoetingen
nooit in volle klaarheid bij zich zelf kunnen nagaan. Zijn beeld had
dikwijls, sinds hun eerste samenzijn, voor haar geest gestaan, maar
vaag, zooals men dingen ziet in de bedding van een woeligen stroom,
waar het bruischende water den bodem telkens onzichtbaar maakt. De
herinnering aan zijn elegant energieke bewegingen en de geheimzinnige
teerheid waarmee hij haar plotseling kon aanzien, wekte tevens een
klein gevoel van blijdschap in haar op, maar dat heel vaag toch nog
was; alleen soms, tusschen al haar onstuimige impressies door, had ze
aan hem gedacht zooals ze vroeger, toen ze kind was, dacht aan een mooi
nieuw boek, dat ze straks mocht gaan lezen, als ze haar moeielijke
sommen afhad.
Maar zijn zonderling gedrag van gisteravond had haar in eens wakker
geschrokken. Eerst zijn krenkende koelheid, toen bij ’t hondenhok zijn
vraag, weer met dien eigenaardige klank in zijn stem, die van den
beginne afaan, voor haar aan zijn gewoonste woorden beteekenis had
gegeven, en toen, bij ’t afscheid nemen zijn gewild eerbiedigen groet
en zijn blik waarin iets zeer smeekends was geweest. Het had haar erg
getroffen en ze was boos op zich zelf, dat het haar zoo vervulde. Maar
straks had ze immers haar Latijnsche boeken uitgepakt, en als ze nu met
oom gesproken had, ging ze dadelijk aan ’t werk. Dan, meende ze, zouden
al die dwaze fantasiën wel gauw weer op de vlucht zijn gejaagd.
„Wel Eddy, wat heb je voor bijzonders op die tegels ontdekt?”
Edward stond voor de groote tegelschilderij, beneden in de gang, met de
handen diep in de zakken en gebogen rug.
„Och niks, ik sta maar zoo’n beetje.”
Zij kwam naar hem toe en legde haar hand op zijn schouder; kleine
zenuwrillinkjes kropen langs haar ruggestreng en gaven een slap
wankelig gevoel in haar beenen. Zij bleef bij hem staan, eigenlijk om
zich zelf nog een oogenblik uitstel te geven. Maar toen merkte ze
plotseling dat Edward ook geagiteerd was.
„Wat is er Eddy?”
„Och, al dat gezeur over m’n studeeren! Morgen wil papa naar Utrecht om
kamers te gaan zoeken. En nou moet ik wel met het reisplan van Lord
Hampden voor den dag komen en ....”
„Waarom zie je daar toch zoo tegen op? Je papa is zoo goedig, ik geloof
dat ie je niks weigeren kan.”
„O! als het geld was of zoo iets, zou ik ’t ook gerust durven vragen,
maar hij is er nou eenmaal zoo bespottelijk op gesteld dat ik ’n mooie
carrière zal maken en, je zult zien, als ik hem vraag of ik een jaar
later aan de academie mag komen, dan krijg je de poppen aan ’t dansen.”
„Willen we samen gaan? Ik heb hem ook wat te vragen wat ik ’n beetje
.... vervelend vind.”
„Dat is ’n idee, Hildy.”
Vertrouwelijk stak hij zijn arm door den hare; hij voelde in den grond
wel, dat zij dapperder was dan hij zelf, en ’t was ook veel gezelliger
om al die onvermijdelijke wijze lessen niet zoo alleen te moeten
aanhooren.
„Zul je me helpen? Je kunt zoo goed soms in eens iets zeggen.”
Hilda lachte even. Gewoonlijk was hij zoo zelfbewust, vol kleinachting
voor „de meisjes.” Zijn nederig vragen om haar hulp, en het
complimentje, dat er zoo benauwd uitkwam, gaven haar een kleine
ondeugende voldoening, die haar eigen onrust verminderde.
„Ja maar dan moet je mij ook helpen.”
Hij knikte met een lachje van verstandhouding.
Hilda had tot nu toe, over haar weigering aan Cranz, alleen met Eugénie
gesproken en deze had er zich tegen niemand over uitgelaten. Eigenlijk
waren dus allen nog in het onzekere daarover en Edward bracht
onmiddellijk dit gesprek, waar Hilda zoo tegen opzag in verband met den
gezegelden brief, dien zijn moeder een poosje geleden gezien had.
„Laten we maar niet gearmd binnen gaan, anders denkt je papa nog dat we
samen om zijn zegen komen vragen!” zeide ze lachend om haar
zenuwachtigheid te verbergen.
Mijnheer van Starren zat midden in zijn kamer aan het groote bureau
ministre dat altijd bedekt was met heraldische boeken, aanteekeningen,
oude perkamenten en handschriften. Van zijn jeugd afaan waren deze
genealogische studies zijn liefhebberij geweest: dat geduldig en
scherpzinnig wroeten in oude familiezaken om met kleine gegevens groote
geslachtsboomen te reconstrueeren. En hoe ouder hij was geworden, hoe
hartstochtelijker het hem was gaan interesseeren. Van zijn eigen
familie wist hij nu bijna alles, van af den eersten van Starren, die
met Lodewijk den Heilige in 1248 naar ’t Heilige Land was gegaan, tot
aan zijn vader, die in ’t jaar dertig was uitgetrokken. Alle geslachten
volgden elkaar regelmatig op en het archief met de schenkbrieven,
oorkonden en doopceelen, was prachtig in orde. Alleen één schakel
ontbrak: ergens in ’t begin van 1600 was een Godefriedus van Starren
van wien men maar niet bewijzen kon, dat hij getrouwd was geweest en
kinderen had gehad, en dan volgde een Diederik van Starren van wien men
maar niet kon zeggen of hij wezenlijk een kind of een kleinkind van
dien Godefriedus was, ofschoon men het logisch moest aannemen. Al de
laatste jaren had mijnheer van Starren hier naar gezocht en gevorscht,
en ook op dit oogenblik zat hij diep voorovergebogen over een moeilijk
te ontcijferen handschrift, dat misschien eenig licht over die zaak zou
kunnen geven.
„Oom, mogen we u even storen? We wouen u zoo graag wat vragen.”
„Ja, wat is er?”
Voorzichtig legde hij de loep neer, waarmee hij het oude document had
zitten bekijken, en zag haar onrustig aan. Maar toen hij merkte dat
Edward achter haar was, ontrimpelde zich zijn voorhoofd. Edward mocht
hier altijd binnenkomen. Hij was de voortzetting van die rij machtige
voorouders, die in hem weer in nieuwen luister moesten opbloeien! Zijn
bijzijn was dus nooit storend hier in dit kapelletje van eeredienst,
aan het luisterrijk verleden gewijd.
Op rijperen leeftijd eerst was bij mijnheer van Starren de grenzelooze
familieeerzucht ontwaakt, welke nu zijn eenige passie was. Heftig had
hij toen betreurd, een moment zelfs tot tobbens toe, zijn in pretmaken
verloren jeugd en zijn maatschappelijke onbeduidendheid, die daarvan
het gevolg was geweest. Men had hem even candidaat voor den
gemeenteraad gesteld, maar toen, bij de verkiezingen na zooveel moeite
en kosten, de overwinning, niet behaald was, had hij zich ontmoedigd
voor goed teruggetrokken, al zijn ambitie overdragend op zijn eenigen
zoon, voor wien hij de stoutste toekomstplannen maakte.
„Papa,” begon Edward, een beetje haperend, onbeholpen, „ik wou u vragen
laten we maar liever niet naar Utrecht gaan .... Ik heb een invitatie
gekregen van lord Hampden om van den winter, op zijn jacht naar Japan
te gaan, en u begrijpt .... dat zou ik erg leuk vinden .... ’t is toch
ook eigenlijk precies hetzelfde of ik nou een jaar later naar de
Academie ga ....”
Een lang moment zwegen ze allen, toen zeide mijnheer van Starren
langzaam:
„Dat ben ik niet met je eens, Edward. Het is nou al éen jaar om je
gezondheid uitgesteld, en zoo komt het van het een op het ander. Je
moest die invitatie maar afschrijven.”
„Maar ’t is ’n eenige gelegenheid! En wat komt het er nou op aan of ik
eén jaar vroeger of later klaar ben?”
„Maar ’t overvolgende jaar is er misschien weer wat anders, en ik heb
je gezegd dat ik er op gesteld ben dat je flink afstudeert.”
„Dat zal ik ook wel, als u me nou maar laat gaan.”
„Het andere jaar is er de maskerade, dan komt er weer niet van
studeeren, en zoo raak je in ’n sleur van pretmaken en luieren, en als
je dan eindelijk aan den gang wilt gaan, ben je er heelemaal uit en
komt er niks meer van werken.”
„Nee, heusch papa ....”
„Och, jongen, ik heb het immers zoo dikwijls gezien!”—en toen, met een
plotselinge expansie van gemoedelijkheid, die vreemd afstak tegen zijn
gewonen ironischen toon:—„Natuurlijk, ik begrijp wel dat je ’t nou goed
meent, maar ik heb het zelf immers ondervonden hoe het gaat. Ik ben ook
begonnen, toen ik pas aan de Academie was, met niets uit te voeren, en
later kon ik er niet meer toe komen; maar ’t heeft me, toen ik ouder
werd, altijd razend gespeten! De richting van onzen tijd is nou
eenmaal, dat het ouderwetsche voorname nietsdoen een schande begint te
zijn in de publieke opinie. De man die iets beteekenen wil, niet in de
oogen van z’n leveranciers of van ’n troepje pretmakers, maar in die
van de menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn dan de bezitter
van een ouden naam of een volle brandkast! Zoo is het eenmaal, Edward!
En je weet, dat ik allesbehalve met de tegenwoordige democratische
richting dweep, maar in dit opzicht is ze toch logisch. Onze
voorvaderen, die ons geslacht machtig en groot hebben gemaakt, waren
ook onder hun tijdgenooten haantjes de voorsten. Het is onzin om te
zeggen dat God de standen heeft ingesteld. De eerste van een groot
geslacht, was altijd iemand, die slimmer, of sterker, of wreeder, of
wijzer, of brutaler, of rechtvaardiger was dan zijn buren en daardoor
macht over hen kreeg. Het is dus volkomen logisch, dat, als we die
macht willen handhaven, we ook op de eene of andere manier moeten
uitmunten. En daarom moet jij werken Edward, versta je, hard werken!
Van die invitatie wil ik niets meer hooren. Ik verkies niet dat jij
zoo’n nul in de maatschappij gaat worden als ik zelf ben.”
Hij zeide het met een verlegen lachje, als om het pijnlijke uit zijn
woorden weg te lachen, maar zij wisten dat hij het meende in bitteren
ernst.
Edward stond zwijgend, spijtig, aan zijn snor plukkend, zonder iets tot
verdediging van zijn plan te vinden.
Toen vroeg Hilda zacht:
„Oom, de van Starrens waren vroeger zeker ’n heel flink en eervol
geslacht?”
„Ja, waarachtig!”
„En niemand zou het in zijn hoofd hebben gekregen om aan hun eerewoord
te twijfelen?”
„Nee, stellig niet! Wat denk je wel? Maar waarom ....”
„Maar als Eddy, die zijn familie zeker geen schande zal aandoen, u nu
zijn eerewoord geeft, dat hij het volgend jaar hard zal werken en zijn
examens zal doen, kunt u hem dan niet laten gaan?”
Zij probeerde het deftig voor te stellen, maar ineens vond ze het toch
te grappig, dat ze hem zoo midden in zijn teerste plekje had weten te
treffen, en met groote oogen vol lachtinteling zag ze tot hem op en
haar lachen stak hem aan.
„Je bent ’n verduiveld bij-de-handje ....”
„Nee, heusch papa, ik geef u m’n eerewoord! Vóór ik een jaar terug ben,
heb ik m’n examen gedaan! Geeft u me dan permissie?”
De oude heer knikte, in den grond blij dat hij zijn lieveling zijn zin
kon geven, zonder de toekomst in gevaar te brengen.
„Nou, goed dan! Maar denk er aan, ik heb je eerewoord, van Starren!”
zeide hij met komische plechtigheid. „En wat hadt jij te vragen, Hilda,
of kwam je alleen mee als advocate van mijnheer m’n zoon?”
„Oom, ik wou u juist het omgekeerde van Edward vragen. Ik wou juist zoo
graag gaan werken, als u het goed vindt?”
„Werken?”
„Ja, het fladderleven begint me ’n beetje te vervelen. Ik wou, als u ’t
goed vindt, in de rechten gaan studeeren.”
„Maar kind, hoe heb ik het nou met je?”
Edward liet zich achterover vallen, in een fauteuil met overdreven
gebaren van schrik.
„Ja, u zult het idee misschien nog wel wat vreemd vinden, maar dat went
wel?”—En zij lachte.
Mijnheer van Starren zag haar aan, onrustig, streng, bang dat zij hem
voor den gek hield.
„Ik begrijp je niet goed .... Wat meen je eigenlijk? ....”
„Wat ik u gezegd heb. Het fladderleven verveelt me, en ik wou graag
advocaat worden!”
„Dat is geen vrouwenbaantje! Dat is nog nooit door een vrouw vertoond.”
„O! ja wel, oom, in Amerika zijn een massa vrouwelijke rechtsgeleerden
tegenwoordig! en vroeger zijn er ook altijd geweest: in de middeneeuwen
waren er veel burchtvrouwen [13] en abdissen van kloosters, die
privilege van rechtspraak hadden en als magistraten op haar eigen
grondgebied mochten optreden! [14] U ziet er is niets nieuws onder de
zon.”
„Maar kind, ik begrijp niet hoe je aan zulke onzinnige idees komt! De
menschen zullen er je om uitlachen, en je zult er niks dan verdriet van
hebben.”
„Oom mag ik u iets zeggen?”—En zijn woorden van straks, tegen Edward
overnemend met de kleine veranderingen, die noodig waren zeide ze
ernstig: „De richting van onzen tijd is nu eenmaal dat het ouderwetsch
voorname nietsdoen als zich amuseeren, een schande begint te zijn in de
publieke opinie. De vrouw, die iets beteekenen wil, niet in de oogen
van haar modiste of een troepje salondametjes, maar in die van de
menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn, dan de bezitster van
een mooi gezichtje en juweelen en een volle brandkast!”
„Dat heb ik straks tegen Edward gezegd van den man ...”
„Vindt u niet dat het eigenlijk even goed op de vrouw moet en kan
worden toegepast? Eigenlijk op ieder mensch?”
Hij haalde de schouders op en bleef haar verwonderd zitten aankijken:
„Je weet niet wat je gaat beginnen, Hilda! Heb je wel es gedacht aan de
mogelijkheid dat de studenten en zelfs de professoren je onbeleefd
zouden behandelen!”