En zij had zich verdiept in die toekomst! Moeders, als zij, denken veel

aan de toekomst, en misschien is daarom juist moederliefde wel de

hoogste, omdat zij niet alleen van het oogenblik geniet, maar vooruit

denkt en waakt en zorgt, en daardoor, ook na de geboorte van het kind,

opnieuw elken dag scheppingswerk verricht.

Maar in haar toekomstdroomen had Gladys nooit het huwelijk voor haar

kinderen gewenscht! Natuurlijk, het leven samen door gaan, hand in

hand, met éen, die ons volkomen lief is, wie zou dat geen groot geluk

noemen? maar een gewoon huwelijk, zooals er millioenen zijn, het zich

vereenigen van den eenen of anderen man met de eene of andere vrouw,

onder min of meer gunstige omstandigheden, zij had het altijd van

moeders een onzedelijke illusie gevonden.

Toen, opeens waakte zij op uit haar nagedroom.

„Mary will be a new woman.” [12]

Zij hoorde het Maud zeggen, en aan alle kanten om haar heen, vlamden

ineens gesprekjes op, waarin telkens het woord „vrouwenkiesrecht”

klonk. Zij luisterde.

„Maar u bent er toch niet voor?” zeide van Gaefden tegen Hilda, op dien

toon vol ongeloovige afkeuring, die het soms heel verleidelijk maakt,

om maar met een uitvluchtje zijn opinie te verbergen.

Maar Hilda dwong zich om eerlijk te zijn:

„O! ja, ik ben er erg voor!”

„Gnädiges Fräulein, is dàt waar? Bent u voor vrouwenkiesrecht?”

schaterde von Görtzen van den overkant.

Iedereen lachte en sprak tegelijk in kleine groepjes, en Gladys zat

zwijgend middenin, aan haar bowltafeltje, glimlachend, blij om het

animo dat dit woord nu gewekt had. Er was een tijd dat het alleen

onverschilligheid en een beetje spottende verwondering ontmoette in

haar kringen, en beter vijandige tegenstand, die bewijst dat men er

rekening mede begint te houden, dan doodzwijgen.

Toen vroeg Edward haar ineens:

„Is het waar, mevrouw van Praege, bent u nog wel presidente van de

Vrouwenkiesrecht-Vereeniging?”

„Ja,” zeide ze zacht. „Ik vind de toestanden in dit land zoo akelig! Ik

geloof dat het erg goed zou zijn, als men ook es wat verstandige flinke

vrouwen, die er plezier en tijd voor hebben, aan het regeeringswerk kon

zetten!”

Henk van Praege lachte hardop, heel even, en bedwong zich toen,

beleefd:

„Geloof je heusch, Gladys, dat de boel goed zou gaan, als er vrouwen

mee regeerden? Wat ’n gebabbel zou dat geven.”

„Het is onmogelijk dat dames meer praten dan heeren!” zeide zij snel.

„Ben je wel es in de Tweede Kamer gaan kijken? In Parijs ben ik in de

Chambre des députés geweest en in Londen in ’t Lager Huis, en ik ben

overtuigd dat het physiek onmogelijk is om nog meer te praten dan daar

gedaan wordt. En mijn vader zei ook altijd: „op dameskransjes wordt

veel gebabbeld, maar op heerensociëteiten zeker niet minder!””

„Ik ben het erg met mevrouw van Praege eens!” riep Maarten van den

anderen kant van den kring, midden uit zijn gesprek met Maud. „En het

zou uitstekend zijn, als de heeren zich ’n beetje lieten helpen en

raden door hun moeders en zusters en vrouwen. Bijna geen man die niet

ondervonden heeft, wat vrouwenraad en vrouwentoewijding zijn kan! En

toch gaan we maar stelselmatig voort, met haar hulp voor het algemeene

belang te versmaden! En heusch, we hebben geen reden om zoo naïef

zelfvoldaan te zijn op onze eigen regeeringskunst, alsof wij alleen

daartoe waren uitverkoren! De heele wereldgeschiedenis is vol van de

onhandigheden, domheden, oneerlijkheden, en gruwelen van keizers,

koningen, volksleiders, ministers, commissies en besturen. We konden

gerust es probeeren of het niet iets beter zou gaan door de

samenwerking met zooveel vrouwen wier krachten en gaven nu voor ’n

groot gedeelte ongebruikt, en voor de maatschappij waardeloos blijven

rusten!”

Hilda klapte in de handen, verrukt dat hij aan haar kant stond.

Maar weer zag hij haar aan met dien ijzigen blik van straks, die elk

toenaderen afsneed, en wendde zich langzaam tot Gladys en glimlachte

tegen haar.

Hilda richtte zich strak op onder den duidelijken indruk eener

beleediging. Wat was er tusschen hen gebeurd? Enfin; ’t kon haar immers

niets schelen? alleen was het vervelend, woedend vervelend, dat zij de

vorige keeren zoo vriendelijk tegen hem geweest was.

Maar Gladys ging weer voort:

„Ja, natuurlijk! En tot dus ver hebben er wel vrouwen geregeerd doordat

ze den eenen of anderen man geheel onder haar invloed hadden, maar

indirecten invloed uitoefenen op iets, door het bewerken van personen,

door suggereeren en intrigeeren, is altijd een groot gevaar! De vrouwen

moeten eerlijk, met volle verantwoordelijkheid, niet achter de schermen

door kunstjes en slimmigheden, de belangen van haar volk mee kunnen

behartigen! En vooral haar eigen belangen, want Gladstone, de groote

Engelsche minister heeft het zelf gezegd: de belangen van hen, die geen

eigen vertegenwoordigers in de regeering hebben, worden rustig

verwaarloosd! De afgevaardigden trachten natuurlijk hun kiezers

tevreden te stellen; waarom zouden ze zich vermoeien voor degenen die

toch nooit een stem op hen kunnen uitbrengen? En zoo komt het dan ook

dat er voor de vakopleiding van de volksmeisjes geen geld te vinden is,

dat de moeder geen lid mag zijn van een familieraad, (of haar kind

krankzinnig verklaard of onder curateelen geplaatst zal worden en wie

voortaan de belangen van dat kind zullen behartigen, wordt buiten haar

om beslist!) en dat de huwelijkswetten voor de vrouw allerellendigst

zijn ....”

Maar toen viel mevrouw de Mureaux haar in eens in de rede:

„Nee hoor es, Gladys, dat wordt nou tegenwoordig telkens beweerd! maar

ik begrijp het volstrekt niet, hoor! Ik kan je dan zeggen dat ik

heelemaal niet ontevreden over de huwelijkswetten ben! En ik kan er

over meepraten, de andere maand ben ik vier en twintig jaar getrouwd.”

Allen lachten, de meesten goedkeurend, maar Hilda, terwijl zij haar

aanzag, had plotseling een visioen, dat haar liet huiveren.

Daar zat die goedige dikke mevrouw, gemakkelijk achterover in haar

grooten stoel, prettig, zelfvoldaan als een poes in het zonnetje, de

vette blanke handjes met den zwaren trouwring gevouwen op haar maag,

haar vriendelijk gezicht, met het nog frissche teint en het glanzend

bruine haar, dat haar als een mahoniehouten lijstje om het lage

voorhoofd sloot. Maar achter haar stond vrouw Zwalve, doodsbleek met de

bloedroode striem over haar voorhoofd en de hol ingevallen slapen! En

Hilda voelde ineens dat ze al die vriendelijke dikke dames zou kunnen

haten!

O! God, het was tien uur! .... en al deze dames lachten! Lachten ....

omdat er gezegd was dat er verbetering moest komen in de toestanden! En

wat gebeurde er misschien op dit oogenblik in het huisje in de

Zorgvlietstraat? Wat waren al die goedige menschen toch wreed, in hun

zelfzuchtige kalmte en luiheid van: Ik heb het goed in de wereld, wat

kan mij de rest dan schelen? O! deze dames lachten? Voor haar waren de

woorden: vrouwenemancipatie, en één der middelen daartoe: kiesrecht,

verkiesbaarheid, niets dan bespottelijke klanken! Door haar pantser van

genoeglijke zelfvoldaanheid had zelfs de vraaggedachte niet kunnen

doordringen of er ook een ideaal streven mee bedoeld werd om de

maatschappij wat beter en mooier te maken!

Maar Frederik van Praege was opgesprongen, zenuwachtig, ongeduldig.

„Nou, ga jullie je gang hoor, als je plezier hebt in zulke diepe

bespiegelingen, maar mij wordt het ’n beetje te hoog! Wie gaat er mee

om m’n jachthond te zien, dien ik gisteren uit Engeland gekregen heb?

Een prachtexemplaar.” En toen, onder het heengaan, minachtend over zijn

schouder:

„Er kan toch nooit iets van vrouwenkiesrecht komen! De man verdedigt

het land en geeft er zijn leven voor als ’t noodig is, en dus mag en

moet hij altijd meer rechten hebben dan de vrouw! Dat is billijk!”

Gladys zag hem zwijgend een oogenblik na. De meeste heeren en een paar

jonge meisjes waren met hem mee gegaan. Toen zeide ze zacht voor zich

heen:

„De man geeft zijn leven tot instandhouding van de grenzen, maar de

vrouw geeft het hare tot instandhouding van het ras! en heel wat meer

vrouwen zijn in de grootste smarten gestorven om een nieuw leven aan de

maatschappij te geven, dan mannen om het land te verdedigen. Als de

oorlogen, als een overblijfsel uit de barbaarsche tijden, lang zullen

zijn afgeschaft, zal de vrouw haar levensbelasting aan de gemeenschap

blijven betalen! Mij dunkt het zou dus billijk zijn, juist de vrouwen

in de eerste plaats haar belangen te laten voordragen, want ten slotte

zijn haar belangen die van het heele volk, juist omdat zij de

voortbrengster is!”

En toen, zich plotseling opwindend, zonder meer notitie te nemen van de

onthutste gezichten om haar heen:

„O! weet je, er zit voor mij een ontzettende domheid in, als ik moeders

hoor zeggen, dat ze hartstochtelijk belang in haar kinderen stellen,

als ik ze met tranen in de oogen over haar kleintjes hoor spreken, en

haar op ’t zelfde oogenblik volkomen onverschillig zie voor de

maatschappelijke toestanden, waaronder haar kinderen zullen opgroeien!

De vrouw, die waarachtig belangstelt, niet in de rokjes en broekjes van

haar kinderen, maar in hun toekomst, moet zich ook warm maken voor de

groote vragen van den dag en voor die, welke een beslissenden invloed

op het lot van haar kinderen kunnen hebben! Duizende menschen zijn op

dit moment de slachtoffers van slechte scheidings- en huwelijkswetten,

van ongezonde woningen, van drankmisbruik, van onvoldoende of slecht

opgevat onderwijs, van misbruik van ouderlijke macht, van werkeloosheid

en uitbuiting en onvoldoende bescherming van den arbeid, van

belastingen, die het volk neerdrukken, om legers en vloten staande te

hoûen voor een toekomstoorlog, die, als hij ooit komt, de zonen dier

onverschillige vrouwen, bij millioenen zal slachten! Waarachtig, de

lange onderdrukking moet ons wel suf hebben gemaakt om ons niet met

meer kracht te laten verlangen om ook stem in de lands- en

gemeente-regeeringen te mogen hebben, om te kunnen waken over de

belangen van onze kinderen!”

Een pijnlijk verlegen zwijgen volgde even. Hilda jubelde inwendig, maar

ze wist niet goed, in die drukkende stilte, hoe het te uiten. De meeste

dames keken strak, bijna persoonlijk gekrenkt, en Gladys schaamde zich

een beetje, als gastvrouw, over haar heftigheid, die ze in dat

kringetje toch hoogst waarschijnlijk verspild had. Maar soms kon ze het

ook niet laten! De woorden stroomden dan ineens te gloeiend naar haar

lippen om ze te kunnen inhouden. Maar zij dwong zich nu om weer kalm te

zijn, en heel zacht, de stem weer vleiend lief door haar

zelfbeheersching van wereldvrouw, vroeg ze opstaand:

„Maar wilt u ook de honden niet es even gaan bekijken? ’t Is heusch ’n

prachtig beest, en Frederik zou ’t erg leelijk van me vinden, als ik u

hier aan den praat hield, in plaats van z’n nieuwen aankoop te laten

zien.”

Iedereen stond op, blijkbaar verlicht, om achter in den tuin naar de

hondenhokken te gaan.

„Wat gek toch van Gladys, om altijd zoo woedend bij zulke gesprekken te

worden! ’t Is toch heusch de moeite niet waard!” zeide Betty de Mureaux

tegen van Brehnen.

Maud liep vlak achter hen met Corry en antwoordde luid:

„Vindt u ook niet, freule van Starren? Dat is juist in de wereld één

van de dingen om het woedendst over te zijn, dat maar zoo weinigen het

de moeite waard vinden om woedend te worden over verkeerde dingen?”

Corry had Betty’s woorden niet verstaan en begreep dus niets van Maud’s

uitval. Op goed geluk af antwoordde zij met het kirrend schaterlachje,

dat haar overal voor diende. Henk van Praege, die den geheelen avond in

Hilda’s nabijheid was gebleven, kwam naast haar loopen:

„Freule van Suylenburg, ik wist heusch niet dat u zoo vreeselijk

vooruitstrevend was. Maar u gaat toch niet aan politiek doen? Politiek

maakt de vrouwen leelijk?”

Lachend, luchtigjes zag ze naar hem op, haar oogen vol uitdagenden

spot:

„Misschien, als de vrouwen er aan gaan doen, wordt de politiek nog es

mooi!”

Achteraan kwamen Hervoren en Gladys.

„Maarten, zeg es, ik heb me toch niet te veel opgewonden?”

„Je hebt prachtig en braaf gesproken, Glad! Het is heel goed, dat ze ’t

es hooren! En er waren twee dames tenminste, die ’t in stilte erg met

je eens waren, geloof ik.”

„Wie dan? Belle Pankaert zeker?”

„Ja, en freule van Suylenburg.”

„O! Hilda! .... ja, die is het heelemaal met ons eens ....”

„Zoo? .... En ik dacht dat ze zoo wat geëngageerd was met Bernard

Cranz.”

„Met Cranz van Rosenhagen? Maar Maarten, hoe kom je er bij?”

„Ik dacht het.”

„Wel nee, zijn moeder heeft me juist gezegd dat ie verleden week,

Zaterdag geloof ik, naar Parijs is gegaan, omdat ie zich hier zoo

vreeselijk begon te vervelen.”

Maarten stond ineens stil.

„Dan heeft ze hem bedankt!”

„Geloof je? Ja, dat kan best zijn, want hij heeft haar nog al het hof

gemaakt en ....”

„God, Gladys, wat kan iemand toch ’n vervloekte ezel zijn. Natuurlijk

heeft ze hem bedankt en ik, die dacht .... en daar als ’n idioot ....”

Gladys zag vragend naar hem op, maar haastig liep hij voort en zij

glimlachte, toen ze hem dadelijk door den kring van menschen zag heen

dringen, naar de plaats, waar Hilda den nieuwen jachthond stond te

streelen.

„Houdt u van honden, freule!”

Heel zacht, met den vroegeren warmen klank in zijn stem had hij het

gezegd, en boog zich tot haar over.

Maar Hilda zag niet op en ging voort den gladden kop van het dier te

liefkoozen. Wat beteekende dit vreemde gedrag? Wou ie met haar spelen?

Ze zocht naar een scherp woord, iets heel uit de hoogte, om hem te

toonen, dat ze dat niet met zich doen liet. Maar zij vond niets dat

trotsch genoeg was, en ineens, heel zacht, met een nuance weemoed, die

hem pijnlijker trof, dan haar bitterste woord, kwam het vanzelf over

haar lippen:

„O! ja, heel veel! Men kan meer op ze aan dan op menschen.”

Toen draaide ze zich om, weg van het hok, en ging naar Isabelle, die ze

naar haar zingen vroeg.

Gladys’ gasten waren weggegaan, de avond was goed geëindigd, en bij het

afscheidnemen was het haar geweest alsof mijnheer de Mureaux, en Edward

van Starren, zij meende zelfs van Smaarth, bijzonder eerbiedig voor

haar gebogen hadden.

En terwijl zij binnen haar mooie glaswerk nog even nazag, of het goed

in de keuken gewasschen was, dacht de jonge vrouw met een klein beetje

ironie aan die tegenstrijdigheid, die zij meermalen ontmoet had bij

heeren, die beweerden dat vrouwen geen eigen opinies moesten hebben,

maar die toch altijd bijzonder veel bewondering toonden, juist voor

haar, die flink voor haar gedachten durfden uitkomen.

Maud was naar haar kamer gegaan, om nog een brief af te maken en

Frederik was niet meer binnen geweest sinds hij de laatste gasten had

uitgelaten. Maar nu hoorde ze z’n stap, en toen de deur openging,

wendde ze zich vroolijk om, in de opwekking van haar goed afgeloopen

avond.

„Free, luister es! Zal ik je es ’n nieuwtje vertellen? Ik geloof heusch

dat Maarten en Hilda ....”

Maar toen zweeg ze, met een mat gevoel van teleurstelling; van Praege

stond midden in de kamer, de handen in de zakken, de diep ingezonken

oogen norsch, de wenkbrauwen saamgetrokken tot zij elkander raakten:

„Wat scheelde je nou toch vanavond om zulke theorieën te zitten

verkondigen over vrouwenkiesrecht? Je weet, dat ik het al vervelend

vind dat je je met dien boel inlaat, maar in mijn huis, wil ik er

tenminste niet van hooren.”

Zij leed even onder zijn krenkend mijn huis, waarmede hij haar ook al

vroeger dikwijls had laten voelen, dat hij de meester was, en zij de

ondergeschikte, aan wie geen greintje meer macht toekwam dan hij goed

vond haar te verleenen.

„Je weet ook wel, Freddy, dat ik nooit over die kwesties uit me zelf

begin, als jij er bij bent, maar als er in mijn tegenwoordigheid over

gelachen wordt, mag ik toch wel m’n opinie zeggen. Waarom zoûen al die

menschen, die er nooit een minuut ernstig over hebben nagedacht, er wel

over mogen spreken en zou ik moeten zwijgen?”

„Maar voel je dan niet, dat je je eigen ridikuul maakt? en .... mij er

bij!”

Hij liep een paar keer de kamer door met korte gejaagde passen,

tusschen zijn tanden een straatorgeldeuntje sissend, en ging toen

ineens de deur uit.

Gladys belde om te sluiten en klom stil naar haar slaapkamer.

„O! wat een wanbegrippen toch aan alle kanten over de verhouding

tusschen man en vrouw! Hoeveel honderden jaren zouden er nog moeten

verloopen eer de onderlinge relatie der geslachten zuiver zou worden

opgevat? Nu ook hier weer: Frederik was bang om ridikuul te zijn door

’t geen zij had gezegd! Alsof hij verantwoordelijk was tegenover de

wereld voor haar woorden. Dus altijd nog dat oude principe, dat de

vrouw een onmondig wezen is, voor wier daden en woorden de man, de

meester, heeft in te staan! In sommige kringen ging dat idee immers zoo

ver dat de man op zijn eigen ontrouw luchtigjes mocht bluffen en er

door zijn vrienden volstrekt niet om veracht werd, terwijl de ontrouw

van zijn vrouw hem onteerde, tenzij hij die wreekte op barbaarsch

bloedige wijze. Waren zulke begrippen, die uit een tijd stammen, toen

de verhoudingen zoo heel anders waren, niet belachelijk nu? Als Pollux,

de nieuwe jachthond, straks uit zijn hok losbrak, en bij de buren

kattekwaad deed, was het heel best dat Frederik, zijn baas, voor hem

werd aangesproken als de verantwoordelijke persoon, maar waar twee

vrije gelijken zich verbinden om samen het leven door te gaan—en dat

zou toch voortaan het huwelijk zijn—is het ergerlijk en ridikuul dat

daar de man voor de mogelijke dwaasheden of zonden van zijn vrouw

aansprakelijk wordt gesteld!

Maar dat alles daargelaten, had ze zich heusch vanavond bespottelijk

gemaakt? Ze geloofde het niet, alleen, in zulke gezelschappen wordt het

altijd dwaas gevonden als men zich warm maakt voor een idee. Maar dan

moesten ze haar maar dwaas vinden. Het is laf om bang te zijn voor een

beetje spot en zij mocht niet laf zijn, zij, die twee kinderen had op

te voeden, misschien wel gauw drie!

Maar er klonken stappen over het portaal en zij luisterde. Het was

Frederik, die naar zijn kleedkamer ging; zou ie weer uitgaan? Ze

luisterde gespannen, na een oogenblik kraakte de trap en toen sloeg de

voordeur toe. „Dus weer uit!”

Ze stond onbewegelijk en luisterde nog, ofschoon ze wist dat ze niets

meer hooren kon. Waar was ie heen gegaan? Waar ging ie toch altijd naar

toe? Ze had het hem niet durven vragen, hij was tegenwoordig zoo

vreeselijk prikkelbaar, en hij zou het haar immers toch ook niet gezegd

hebben? En toen weer begonnen de folteringen van al de laatste tijden.

Ze verweet zich zoo, dat ze jaloersch en kwaaddenkend was en dat ze hem

onrecht deed en toch altijd weer kwamen de ergste vermoedens haar

beangstigen.

Ze liep even de kamer op en neer, als om haar gedachten te ontvluchten

en kuste voorzichtig de slapende kinderen. Maar toen ze haar japon had

uitgetrokken en de nachtlucht verkoelend voelde neerglijden langs haar

koortsig brandende huid, ging ze stil zitten, de bloote armen gekruist

op de tafel en het hoofd voorover op de armen gesteund.

Ze kon het altijd nog maar niet gelooven, dat haar mooie geluk, waar ze

zoo vast op gerekend had, hopeloos was verloren! Toen ze met haar

ouders in Europa had gereisd en in Zwitserland Frederik had leeren

kennen, wat een geluksdroom, wat een overmoedig vertrouwen op de

toekomst, wat een jubel! Zou wel één meisje, bij ’t ontwaken van haar

liefde zich zóó zalig gevoeld hebben? Zou het waar zijn, dat die droom

niets was geweest dan een .... vergissing .... een leugen? En een

leugen ook het beeld, dat ze zich van haar man had gemaakt? Haar acht

droevige huwelijksjaren hadden niets gebracht dan desillusie na

desillusie, en toch wilde ze niet aan het bankroet van haar leven

gelooven. O! God, zij wilde het niet! Maar langzaam begon toch de

troostelooze waarheid tot haar door te dringen.

Zou hij heelemaal niet meer van haar hoûen? Maar had ie ’t eigenlijk

wel ooit gedaan? Waarom had ie haar dan getrouwd? Kon het mogelijk zijn

dat die man, in wien zij zóo sterk geloofd had, alleen haar geld had

verlangd? En wat deed ie met haar geld? Den laatsten tijd had ze heel

goed gemerkt dat ie dikwijls slecht bij kas was. Kon ze zich werkelijk

zoo onvergeeflijk dom in hem vergist hebben, dat hij, wien ze haar

jonge leven in zoo vol vertrouwen had gegeven, niets was dan een ...?

ze durfde het woord niet denken, en toch zeurde het door haar hoofd, en

telkens weer.

Maar in eens voelde ze langs haar blooten hals een tocht, die de losse

haren opblies. De deur was open gegaan en van Praege stond op den

drempel.

„Wat is dat nou voor nonsens, Gladys? Waarom ben je nog niet in bed?”

Ze stond op, ineens recht overeind, een beetje verschrikt alsof ze uit

een droom kwam.

„Ik weet het niet; ik heb hier maar zoo’n beetje zitten denken.”

„Ik zou je anders niet gestoord hebben, Gladys, maar ik wou je even

vragen .... Ik wou die ƒ 500 even hebben, die Maud gisteren voor

broertje’s verjaardag gegeven heeft.”

„Waarom? .... die zijn immers voor z’n spaarpot? Je hebt verleden maand

pas het geld van de pachten gehad.”

„Dat vraag ik je niet, nietwaar? Geef me nou gauw even dat geld. Ik heb

heusch geen tijd, en ik moet het noodig hebben.”

„Waarom?” zeide ze met bevende knieën, voelend dat het bange moment van

explicatie plotseling gekomen was.

Hij zag haar even aan, verbaasd en onrustig:

„Waarom? Sinds wanneer moet ik je rekenschap geven van elk dubbeltje,

dat ik uitgeef?”

„Je weet heel goed, dat ik je nooit rekenschap heb gevraagd!” zeide ze

zacht. „Maar je hebt pas het geld van de pachten gehad, en als je nou

al niets meer over hebt, waar heb je het dan gelaten?”

Hij was onthutst over hare schijnbare kalmte en haar vragen, die hij

niet verwacht had. Zenuwachtig probeerde hij luchtigjes te spreken.

„Ik heb gespeeld, en vanavond had ik geen veine, zoodat ik niet genoeg

bij me had. Geef me het geld nou maar gauw, Gladys, ze zullen ginds

niet weten waar ik zoo lang blijf.”

„Heb je al dat geld verspeeld?”

„Nou ja, wat zou dat? begin nou in hemelsnaam niet te zeuren, Glad.

Geef me het geld nou als je blieft.”

„Ik zal het je geven, natuurlijk, als je het noodig hebt, maar op éen

conditie.”

„En die is?”

„Dat je me belooft om niet meer te spelen.”

„Hoe verzin je het! Ik heb niks te beloven en jij hebt geen condities

te maken, dunkt me. Wie is hier de baas? Van wie is het geld, van jou

of van mij?”

„Van broertje,” zeide ze zacht.

„Nonsens, een minderjarig kind. Alles, versta je, alles is hier van

mij! alles, en ik zal er mee doen wat ik wil. Ik zal me niet door jou

op den kop laten zitten!”

Hij begon zich op te winden, trachtend indruk op haar te maken. Maar

uiterlijk bleef ze kalm, al trilde ze van ’t hoofd tot de voeten.

„Frederik, je weet best, dat er bij mij geen sprake is van op den kop

zitten, maar ik wil de kinderen niet door je laten ruïneeren.”

„Wat ’n overdrijving altijd met die vrouwen. Die vijfhonderd meer of

minder zal de kinderen niks doen. Wil je ze me nou geven? Anders neem

ik ze .... Ik zou je raden m’n geduld niet langer op de proef te

stellen ....”

Gladys ging zwijgend naar haar kast om het geld te krijgen. Ze zocht

naar iets om hem te zeggen, iets liefs, of iets ernstigs, of iets

strengs dat hem kon laten voelen dat zijn spelen slecht was, maar ze

vond zoo gauw niets in haar bonzende hoofd.

Ze gaf hem het bankpapier en toen heel zacht, bijna smeekend zeide ze:

„Freddy, geloof je toch niet dat het zondig is voor een vader van drie

kinderen, om te spelen?”

De allusie op het ongeboren kindje leek haar het teerste, dringendste

wat ze zeggen kon, maar het scheen hem niet te treffen. Met ’n zekere

haast stak hij de banknoten in zijn zak en ging de kamer uit.

En weer luisterde ze hem na, maar ze hoorde de deur niet toeslaan. Nu

ie het geld had, scheen z’n haast om terug te gaan niet zoo groot meer.

Toen, langzaam daalde in haar neer de kille doodsangst van het

onherstelbare. Haar huwelijk een failure, haar liefde, haar geloof in

geluk verwoest! Ja, dat was het woord: Verwoesting! Alles verwoest! En

machteloos was ze! machteloos, als een klein kind in gevaar. En in de

verte stond het grijnzende schrikbeeld van armoede. O! als het nog maar

voor haar zelf was geweest! Wat kwam het er voor haar nog op aan, nou

toch alles uit was! Maar voor de kinderen! Ze mocht het niet lijdelijk

afwachten dat ze geruïneerd werden. Maar wat kon ze doen?

Hilda van Suylenburg · 第 26 / 35 段