aangepakt, de hitte en het vermoeiende geklop. Lusteloos hing ze op
haar stoel, niet in staat om te eten, en nadat ze de kopjes, met loome
handbewegingen had afgewasschen, viel ze neer in een hoekje van de
canapé, zonder moed om iets meer te doen.
Mevrouw Pankaert was dadelijk naar boven gegaan. Zij ook was wat
zenuwachtig van de warmte, en het onverwachte bezoek van Charles,
ofschoon ze zich wijs maakte dat ze ’t verrukkelijk vond, agiteerde
haar ’n beetje, heimelijk vermoedde ze dat ie weer om geld kwam vragen.
Zwijgend hadden zij aan tafel tegenover elkaar gezeten; mevrouw had
niets gevraagd en Belle had niets van Marion’s voorstel durven zeggen.
Maar toen ze ineen gedoken een poosje op de canapé gezeten had, slap,
alsof ze nooit haar veerkracht meer terug zou vinden, kwam
langzamerhand een plannetje weer spanning in haar willen brengen. Ze
was te moe om te zingen of accompagnementen te studeeren, maar daar was
de goeie japon van mama die ’n nieuwe stootskant moest hebben. Als zij
dat nou vanmiddag deed, zou ze morgenochtend misschien es heusch een
rustigen morgen kunnen hebben om heerlijk te studeeren!
Zij stond op, een klein beetje energieker van beweging, als ’n kind,
dat onder belofte van ’n chocolaadje weer met meer moed een vervelende
thema gaat afmaken. Maar bij de deur hoorde ze het geroep weer, dat
haar tegenwoordig zoo agiteerde:
„Belle!”
Zij hijgde de trap op:
„Ja ma, wat is er?”
„Kom je je aankleeden, kind? Ik wou ’n paar visites gaan maken.”
„Hê, ma, met die hitte? Ik wou juist uw japon onder handen nemen.”
„Dat kun je net zoo goed morgenochtend doen. Ik wou maar even bij de
freules van IJsselen en bij mevrouw de Mureaux gaan.”
„Toe, laat mij dan thuis blijven! Dat kleine eindje naar de Laan van
Meerdervoort kunt u best alleen loopen, en ik heb toch niks aan die
ouwe dames en zullie niet aan mij. Laat ik nou uw japon vanmiddag maar
doen, dan kan ik morgenochtend es goed studeeren.”
„Ik begrijp niet wat je tegenwoordig mankeert! In mijn tijd zou ik het
niet in m’n hoofd hebben gekregen om tegen mijn moeder te zeggen, dat
ik het vervelend vond om visites te maken. Ik deed wat ze goed vond en
daarmee uit. Maar goed dan, blijf dan maar thuis, dan zal ik wel alleen
gaan!”
Isabelle barstte in tranen uit. De reactie der vermoeienis van dien
morgen kwam in eens over haar, en de tweestrijd, die zulke
meisjeslevens martelt, tusschen het besef dat het mooi en goed is zich
zelf te vergeten, en dat het toch ook recht is en hoog noodig om voor
zich zelf tijd en vrijheid te veroveren, verscheurde in eens alle
zelfbeheersching, tot ze het radeloos uitsnikte.
Mevrouw Pankaert bleef haar een oogenblik onthutst staan aankijken:
„Kom Belle, stel je nou niet zoo aan! Wat kinderachtig om daar zoo te
staan huilen.”
Maar Isabelle snikte voort, zich voelend wegzinken in een onmetelijke
diepte van alleenzijn en treurigheid. „Ik zal immers wel met u mee
gaan, als u ’t graag hebt, maar ’t was maar omdat ik morgenochtend es
rustig wou studeeren!”
En toen, ineens, kon ze het niet langer stilzwijgen, al vreesde ze ook
dat misschien dit niet het juiste oogenblik was. Het verhaal van
Marion’s voorstel drong zich met geweld door haar lippen, en stortte
zich uit opeens, tusschen haar snikken door, met woorden van bitterheid
over haar kleurlooze leven, over haar angst om afhankelijk te blijven
en ook met woorden van trillend enthousiasme over haar zingen en
muziek.
Mevrouw Pankaert luisterde, eerst met haar gewone achterdocht tegen
alles wat nieuw was in haar enge levenskringetje; maar langzamerhand,
meegesleept door Belle’s stijgende opwinding kwam er iets warmers van
belangstelling in haar gezicht.
„Is het niet innig lief van Marion? En u vindt het toch zeker goed, dat
ik het doe?” eindigde Belle.
Mevrouw Pankaert dacht even na.
„Het treft heerlijk, dat Charly vanmiddag komt, dan kunnen we hem
dadelijk vragen wat hij er van denkt.”
„Hê, waarom hij nou weer! Wat heeft hij daar nou over te zeggen! Als u
en mevrouw Noorman en ik zelf het nou goed vinden ....”
„Ja maar hij is toch altijd ’n man, en die weten beter wat er in de
wereld te koop is en of het kan dat jij in ’t publiek optreedt.”
„Gut, ma, maar juist omdat ie zoo precies weet wat er in de wereld te
koop is, zit ie ook vol valsche schaamte en praatjesvrees. Hij zal het
wel vervelend vinden tegenover z’n chique vrienden dat z’n zuster voor
geld op concerten zingt, maar dat mag toch voor mij geen reden zijn om
het te laten! Als hij het oneervol voor ’n vrouw vindt om te werken, en
ik vind het oneervol om te luieren met allerlei prulbezigheidjes, hoef
ik me toch niet naar hem te schikken ....”
Maar toen zweeg ze. Mevrouw Pankaert had weer die kille strak stroeve
uitdrukking, die als een masker over haar gezicht trok, wanneer er iets
gezegd werd van haar lieveling dat haar niet beviel.
En stil, met een langen, moeden zucht ging Isabelle de kamer uit naar
haar eigen kabinetje, en begon zich aan te kleeden. Als mama bij die
ouwe freules van IJsselen ging, bleef ze er altijd tot in ’t oneindige
zitten praten. Het zou weer ’n echt vervelende middag worden!
Verschrikkelijk vervelend! Charles zou zeggen: „’t is niet om te doen!”
Daarmee maakte hij zich eenvoudig overal van af, waar ie geen zin in
had! Maar van haar werd het niet meer dan natuurlijk gevonden, als ze
zich voor al die dingen leende.
Maar dat was ook heel best, men moest immers met liefde wat voor elkaar
over hebben, en ze wou immers alles doen voor mama! O! als mama dan
toch ook maar ’n klein beetje begrijpen wou dat zij, behalve dochter-
en zusterliefde ook nog wel persoonlijk wat behoeften en verlangens in
haar jonge hart had. Als mama maar ’n klein beetje eerbied wou hebben
voor haar werk ....
Charly was gekomen, vlak voor het eten en Isabelle had haar best gedaan
om hem hartelijk, als altijd te begroeten, maar nu zij wist dat ie
straks misschien het vonnis zou uitspreken over haar mooie plan, was er
’n klein beetje bitterheid achter haar glimlachjes.
Wat zag ie er toch knap uit, met zijn fijne trekken, haast al te tenger
en te klein voor ’n man, maar toch zoo chic en voornaam. Geen wonder
dat mama trotsch op hem was. Wat rook zijn haar weer heerlijk naar dat
fijne dure haarwatertje, dat ie verleden ook bij zich had, en wat had
ie ’n mooie das aan, en verlakte schoenen! O! ze gunde hem heel graag
wat luxe en mooie kleeren. Maar ’t was toch allemaal van geld dat zij
en mama zich uitsloofden om voor hem te besparen, en ’t was heel best
dat hij genoot en misschien wel aan fooitjes en cigaren en dassen en
borreltjes meer geld uitgaf dan waarvan zij een heel jaar lang gekleed
en gevoed werd! Maar er was op den duur toch iets hards in, dat het zoo
heelemaal van zelf sprak dat alles voor hem was en voor haar bijna
niets, heel alleen omdat hij een jongen was en zij een meisje.
En dadelijk, aan tafel, had mama het teere onderwerp aangeroerd en ’t
was alles heel pijnlijk en heftig gegaan.
Charles vond wel dat ze zingen mocht, dat kon men tegenwoordig heusch
wel doen, maar dan moest er op het programma staan: met welwillende
medewerking van jonkvrouwe P. v. H., dat beteekende dat zij geen geld
aannam. Want dàt mocht niet! Hij verkoos het niet! Ze moest al heel
blij zijn dat ie ’t zingen goed vond, maar voor geld zoud’ ie nooit
toestaan!
En Isabelle had zich verdedigd, hakkelend, naar woorden zoekend in haar
ongeoefendheid van meisje om duidelijk haar gedachten uit te spreken,
te geagiteerd om tegen Charly’s debatingclubmaniertjes op te kunnen.
Zij wilde juist voor geld zingen, want later wou ze haar brood er mee
verdienen, en het zou dus bespottelijk zijn om zich eerst te gaan
aanstellen alsof ze zich te voornaam vond om iets aan te nemen. ’t Was
ook volstrekt geen schande om geld te verdienen! en niemand had het
recht haar daarvan af te houên!
Maar Charly had zijn schouders opgehaald, met sarrende lachplooitjes om
de mondhoeken.
Dat waren allemaal theorieën van die Corona van Oven en haar soort, die
zij maar napraatte, en hij raadde haar aan zich liever niet van die
kost-verdien-idees in ’t hoofd te halen! Het was veel mooier en
prettiger voor een vrouw om stil rustig thuis te blijven. Hij zou later
immers wel voor haar zorgen, en zoo lang mama leefde kon ze immers
kalmpjes bij haar blijven.
Toen was Isabelle driftig geworden. Zoolang ie zoo meesterachtig sprak,
kon ze het nog verdragen, daar was ze aan gewend, maar toen ie op zoo’n
toontje van bescherming zei, dat ie later wel voor haar zou zorgen,
werd ze razend van bitterheid.
Ze bedankte er voor om van zijn vriendelijkheid af te hangen. Tot
dusver had ie niets gedaan, dan zooveel mogelijk profiteeren, zonder er
zich ooit om te bekommeren hoe zij en mama voor hem krom lagen! Zij
bedankte voor het heerlijke genot om later af te hangen van iemand, die
met de grootste onverschilligheid het als zijn recht beschouwde, dat
alles voor hem werd opgeofferd. Zij bedankte er voor! Dat moest ie maar
goed weten! O! ze had het verleden wel alles verstaan, boven in haar
kabinetje, toen ie daarnaast op zijn kamer met z’n vrienden van die
flauwe, grappen had zitten zeggen: „Dat meisjes niks in haar hoofd
hebben dan trouwen, en dat je maar hoefde te fluiten, dan kwamen ze bij
troepen aangehold.” Als dat waar was, zou ’t waarachtig geen wonder
zijn, zoolang ze overal zoo werden tegengewerkt om op haar eigen beenen
te staan. Maar zij wou niet op een man wachten! en wèl geldverdienen!
Verstond ie dat? En ze wou nooit, nooit, nooit, trouwen, tenzij met
iemand waar ze van hield en geen genadebrood eten!
Zij had het uitgegild, de anderen overschreeuwend die haar probeerden
in de rede te vallen. Zachte, geduldige naturen als de hare kunnen niet
rustig strijden. Om zich te verdedigen moeten ze zich opwinden tot ze
buiten zich zelve zijn.
Charles had eerst driftig gepoogd haar te onderbreken, toen was hij,
met een diepe plooi van minachting om den mond, begonnen te spelen met
den grooten zegelring van zijn vader, die veel te wijd was voor zijn
tengere vingers. Eindelijk, toen ze uitgeput even ophield, zeide hij in
tergende bedaardheid:
„Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken, Belle, ik moet zeggen, die
muziek schijnt je humeur niet te verbeteren.”
„Nee, dat is waar! sinds al dat zingen is ze lang niet in haar voordeel
veranderd,” zeide mevrouw.
Isabelle sprong op, haar servet met eene beweging van exasperatie
neersmijtend:
„Natuurlijk, zoolang als ik poddingjes maak en kousen maas voor jullie,
ben ik goed, maar zoodra ik voor me zelf iets vraag, heb ik ’n slecht
humeur.”
Snikkend vloog ze de kamer uit, de trap op, om alleen te zijn, weg van
hun vijandig verbaasde blikken.
Marion had het verleden wel gezegd: „Alles wat goed is, wordt in tranen
geboren en in deze overgangstijden kunnen de meesten van ons haar
eigenlijke volle leven pas ingaan na een periode vol strijd en wee.”
Met trillende handen nam ze haar pen en een velletje papier en het
inktfleschje uit haar kast, en toen op den rand van haar bed, een dik
boek op den schoot—haar gewone correspondentiehouding, want voor ’n
stoel was geen plaats in het kabinetje, en voor een tafel nog
minder—schreef ze haastig, terwijl het bloed kokend heet opgutste in
haar halsaderen en heel warme tranen neerdrupten, die vlekjes knoeiden
op haar schrift:
„Lieve, lieve, engelachtige Marion!
Ik ben diep ongelukkig, maar het kan me niet schelen. Ik zal probeeren
sterk te zijn. Mama vond natuurlijk dat Charles zeggen moest of ik kon
zingen of niet! Natuurlijk, zoo’n jongen, die niets als dwaasheden
doet, en ons handen met geld kost, is en blijft een orakel van wijsheid
in familieaangelegenheden omdat ... hij een jongen is. Zoo worden ze
stelselmatig tot huistirannen opgevoed, weet je! En natuurlijk,
tegenover zijn vriendjes enz. enz., vindt hij het niet goed, dat ik
geld zal aannemen; dat wist ik wel vooruit! Maar ik zal het toch doen!
en ik bid je innig, lieve beste Marion, om voor mij aan die
zangvereenigingen te schrijven. Het moet maar uit zijn, dat het
eervoller is, om te zitten armoe lijden op een bovenhuisje, in een
leelijke nieuwe straat, dan het kapitaal, dat je van den hemel gekregen
hebt te laten rendeeren! Je weet hoe zalig ik ben in de hoop van
misschien een goede zangeres te zullen worden, maar al vond ik die
carrière maar half zoo verrukkelijk, en al vielen me de schaduwkanten,
die je me voorspeld hebt, heel verschrikkelijk tegen, dan nog zou ik
het heerlijk vinden juist om te verdienen! O! Marion, wat zal het innig
prettig zijn, om zooveel muziek te kunnen koopen als je wilt, en mooie
boeken en je handschoenen te laten wasschen (ik vind die benzine zoo’n
naar gevoel aan mijn handen) en om voor jou bloemen en speelgoed voor
je kleintjes te kunnen koopen, en om mama’s zorgen te verlichten! Wie
weet, als ik haar ’n boel attenties kon geven, desnoods rekeningen voor
Charles kon betalen, of zij niet een klein beetje meer van mij houden
zou ....”
Maar toen braken de tranen, die bij het zich uiten in schrift, een
oogenblik kalmer gevloeid hadden, weer met wanhoopsheftigheid uit. Heel
het onderdrukte smachten van haar jeugd stond plotseling voor haar op
in klaarheid. Jarenlang had zij het stil geduld, omdat zij meende dat
het zoo zijn moest, dat de eerste plaats in huis, beter onderwijs, meer
vrijheid, meer genot, aan den jongen toekwamen en dat voor het meisje
de zorgen waren, om ze met mama te deelen, in geduldig
zelfverloochenen. Maar nu ze wist, dat het anders zijn moest, en dat
het anders worden zou, als de menschen de gerechtigheid een beetje
gingen liefhebben, nu begreep ze ineens hoe ontzettend ze eigenlijk
geleden had onder mama’s voorliefde voor Charles en zijn naïeve
tirannie over haar van bedorven jongen.
„Hij is wel veel mooier,” fluisterde ze snikkend, „maar hij heeft nooit
zoo z’n best gedaan om goed en lief te zijn als ik, en mama plezier te
doen, en toch werd hij altijd voorgetrokken! Maar ik zal het
doorzetten, en als ik dan veel geld heb verdiend en veel prachtige
dingen aan mama heb gegeven, en beroemd ben geworden, zal ze misschien
eindelijk ook wel trotsch op mij worden.”
Toen schreef ze verder, de linkerhand, die ’t inktfleschje vasthield,
krampachtig toegeknepen van opgewonden energie:
„Lieve Marion, al mijn wilskracht, die ik tot dusver gebruikt heb om
stil en geduldig te zijn, mijn eigen persoonlijkheid te onderdrukken,
niets te zijn dan wat zij goedvonden, zal ik nu aanwenden om mijzelf te
worden en ons prachtige plan door te zetten. Ik ben strakjes
schandelijk driftig geweest, maar ik zal voortaan wel zorgen dat ik me
beter beheersch, want ik weet nu dat de tijd van een heel hardnekkigen
strijd gekomen is, waarin ik niet wil ondergaan. En o! als je me maar
een beetje helpt, dan zal het ook best gaan. Mama zal mij, om Charles,
nu wel vreeselijk tegenwerken, maar later, als ik succes mag hebben,
zal ze me toch gelijk geven, en dan zal al deze ellende vergeten zijn.
Je onuitsprekelijk liefhebbende
Isabelle.
Gladys van Praege lichtte even den kristallen deksel op om zich te
overtuigen of de bowl wel heel geurig was, en toen liep ze de veranda
uit, den tuin in tot aan de kastanje, waar een kring gemakkelijke
stoelen klaar stond voor de gasten die vanavond zouden komen.
Maud Arlington, haar zuster uit Amerika, die was overgekomen om, in de
moeielijke uren, die naderden, bij haar te zijn, lag achterover in een
der fauteuils en zag glimlachend op, toen ze haar op het grind hoorde
aankomen.
„Well Glady, dear, waar ben je zoo lang gebleven?”
„Ik wou Hajo nog even in z’n bedje goeie nacht zoenen, maar toen ik
binnen kwam, had ie weer een van z’n ouwe driftbuien, en moest ik wel
bij hem blijven tot het heelemaal over was. Het is toch zoo aardig om
te zien hoe zoo’n kind langzamerhand het besef krijgt van wat
zelfbeheersching is, en hoe ie nou z’n best doet, als ik z’n handjes
vast hou, en zachtjes tegen hem spreek, om z’n drift te bedwingen.
Zelfs de juffrouw, die ’t vroeger, geloof ik, heel overdreven van me
vond dat ik niet wou hebben dat ze hem in zoo’n bui es flink door
elkaar schudde, was er vanavond door gefrappeerd.
Maud glimlachte, haar moederlijke glimlach, waarmee ze al Gladys’
eindelooze kinderverhalen aanhoorde.
Het was een statige, groote vrouw, heel knap nog, niettegenstaande het
drukke leven van eerste geneesheer aan een groot ziekenhuis, haar zware
zwarte haren met veel zilver had doorstreept. Zij had intelligente
oogen, donkerbruin, met den fluweelen gloed der zuidelijken en sterk
gewelfde roode lippen, en vormde een groot contrast met Gladys, die
veel kleiner en vijftien jaren jonger was en van haar Canadeesche
moeder het blonde Engelsche type had geërfd, terwijl Maud de volle
erfgename was harer Floridasche voorvaders.
Langzamerhand kwamen nu de gasten den tuin in. Eerst een troepje heeren
dat nog even in Frederik’s rookkamer was geweest om de portretten van
een Engelsch paard te zien, dat dien zomer den grand prix te Parijs had
gewonnen. Maarten van Hervoren kwam voorop, den hartelijken groet van
jeugdvriendschap wisselend met Gladys en Maud, en daarna kwamen van
Smaarth en Stephan van Brehnen met von Görtzen en een paar jonge
cavalerieofficieren, mijnheer en mevrouw de Mureaux met Betty en twee
Fransche logeetjes, Isabelle en Charles Pankaert, Edward van Starren na
eenige oogenblikken gevolgd door zijn zusters met Hilda, en eindelijk
Valérie Vermaezen met haar moeder en van Gaefden, haar aanstaande, en
nog ten laatste Frederik’s oudere broer, ritmeester bij de cavalerie,
de zoogenaamde „Dolle Henk van Praege.”
Hilda had Maarten van Hervoren, na hun eerste wandeling, met Gladys,
langs den Bezuidenhout, nog verscheiden malen ontmoet, maar altijd heel
vluchtig, in volle salons, op het Kurhaus of op straat.
Mevrouw van Starren, nu zij wist, dat Hervoren als vriend bij de van
Praeges aan huis kwam en bij de Vermaezens dineerde, had aan het
verlangen van Edward toegegeven en Maarten’s kaartje met een invitatie
beantwoord. Maar den dag dat hij was komen eten, was Hilda toevallig
voor een paar dagen uit logeeren geweest, zoodat zij hem niet gezien
had, en het feit dat zij hem nooit rustig had gesproken, na hun eerste
ontmoeting, maakte misschien juist dat zij dikwijls aan hem had gedacht
met een soort nieuwsgierige sympathie.
Bij ’t binnen komen in den tuin, toen ze hem naast Maud zag staan, was
er een kleine aandoening van iets prettigs in haar. Onwillekeurig kwam
ze vlak in zijn nabijheid, om gauw door hem begroet te worden, zooals
de vorige keeren, met de eigenaardige liefkoozing van zijn oogen. Maar
hinderlijk kalm, alsof hij haar niet had opgemerkt, bleef hij
voortpraten met Maud:
„Ja zeker, de Middellandsche zee is wel heel bekoorlijk, maar ik vind
toch ook de Noordzee veel boeiender ....”
„Freule van Suylenburg, houdt u evenveel van koekjes als uw nichtje
Corry?”
Stephan van Brehnen stond voor haar met een schotel gebakjes.
„Zeker, dat is een van onze grootste punten van sympathie.”
Hilda zeide het luid, haar woorden éen voor éen uitzendend naar
Maarten’s kant, om door haar stem zijn aandacht te trekken.
Maar hij bleef rustig voortpraten:
„O! Ja, prachtig, zoo’n zonsondergang in Scheveningen ...”
Hilda maakte een beweging van ongeduld en een van haar lange
handschoenen gleed neer op den grond. Toen ineens, ofschoon hij van
haar afgewend had gestaan, en zij meende dat hij haar niet zien kon,
bukte hij zich haastig en raapte hem op. Maar toen hij dien groetend
aan haar overreikte, was er ijzige strakheid in zijn gezicht.
Hilda schrok even, als iemand, die meent een warmen dronk te ontvangen
en plotseling ijswater tegen de tanden voelt. Een pijnlijke sensatie
van iets vijandigs, dat zij niet kende, waarvan zij niet wist waar het
vandaan kwam, maar dat haar beloerde ergens, met nijdige oogen,
doorhuiverde haar. Maar toen dadelijk richtte zich haar meisjestrots
weer op, die zich even onder haar verlangen had neergebogen, en ze ging
weg, naar de oude mevrouw Vermaezen, met wie ze levendig ging zitten
praten.
Het was ook zoo’n nonsens van haar om uit die vluchtige ontmoetinkjes
zich een illusie van sympathie te hebben gevormd. Waarom zou hij niet
deftig en koel zijn? ’t was immers heel natuurlijk, dat ie vanavond
liever met z’n ouwe vriendin Maud bleef praten. Eigenlijk had ze toch
ook maar nauwelijks drie woorden met hem gewisseld, die iets meer dan
klanken beteekenden en ze had het zich zeker maar verbeeld, dat er soms
iets als een geheime verstandhouding, die zij zelf niet goed begrepen,
in hun blikken was geweest. Maar ze zou het zich niet aantrekken als ie
koel wou zijn. Het kon haar geen greintje schelen, alleen ... ’t was
net alsof ze straks iets beleedigends in die koude oogen en stroeve
buiging had gevoeld, en ze zou toch wel es, voor de curiositeit, hebben
willen weten of hij iets bepaalds tegen haar had? ....
„O, kijk, daar is Mary. Laat je haar nog zoo lang op, Gladys?” zeide
mevrouw Vermaezen.
„Nee, anders ligt ze altijd om acht uur in bed. Maar vandaag is ze gaan
eten bij Corona van Oven om ’n beetje te spelen met dat meisje van
Soeterwolde, u weet wel, dat kindje van haar Parijsche vrienden, dat ze
bij zich in huis heeft genomen. Voor zoo’n enkele keer mag het wel es
wat later worden. Veel plezier gehad, Mary?”
Het kind kwam den tuin in, feeënmooi in haar witte kleedje en ging in
welopgevoede gedweeheid den kring der gasten rond, aan iedereen handjes
gevend en zich latend kussen door de dames.
„Krijg ik ook een zoentje?” vroeg Henk van Praege.
Zij schudde het hoofd, haar groote donker fluweelen oogen vol
onvriendelijkheid. Van klein kind afaan had ze een antipathie tegen hem
gehad.
„Gauw Mary, geef oom een zoentje,” commandeerde Frederik.
Het meisje ging, angstig naar haar vader ziende, en gaf schuw haar
wangetje. Toen vluchtte ze bij Gladys terug, zich dicht tegen haar
aandrukkend.
De ritmeester lachte zijn harden luidruchtigen lach:
„Nou, Frederik, als ze zoo voort gaat, zul je niet lang voor
gedienstige papaatje hoeven te spelen. Als er iemand weinig kans heeft
om ouwe jonge juffrouw te worden, dan is zij het wel. Wat een
prachtkind!”
Hij keek naar haar met zijn taxeerende vrouwenkennersblik vol platte
bewondering.
Maar Gladys, met een hartstochtelijk gebaar van bescherming, legde haar
armen vast om kleine Mary.
Toen zag zij op naar haar man en mevrouw de Mureaux en mevrouw
Vermaezen, die naast haar zaten. Zij allen glimlachten, instemmend als
een compliment met Henk’s woorden, en een bittere opstand rees in haar
hart van jonge moeder.
O! zij wist het wel, de meeste vrouwen waren gevleid, als men zulke
dingen van haar dochters zeide, maar ze voelde het als een
heiligschennis dat men haar kindje hulde meende te brengen, door te
zeggen, dat haar schoonheid wel gauw door een man zou worden begeerd!
Henk meende het misschien zoo kwaad niet; hij stond alleen nog op het
ouderwetsche hatelijke standpunt, vanwaar uit men vroeger het meisje
beschouwde, als zou een man vinden voor haar het hoogste geluk zijn!
Maar was het niet afschuwelijk, dat de eerste gedachte, die dit
aangrijpend mooie kopje bij de wereld opwekte deze was: zij zal wel
makkelijk een huwelijk kunnen doen? Had dan ook het mooiste rijkst
begaafde vrouwenleven geen andere bestemming dan om aan een man toe te
behooren? En deze opvatting was toch die van velen en voortaan zou men
telkens de reine ziel van haar kind bespatten met die woorden van
bezoedelende hulde: „Wat ben je mooi! Je zult makkelijk kunnen bekoren,
veroveren?” En later zou Mary in den spiegel de echos dier
complimentjes terug vinden, en bij God, daarvoor had zij haar kind te
lief, om behagen en trouwen als hoogste illusie te zien wonen, onder
dat blanke voorhoofd!
„Kom Mary, ga nou maar gauw naar bed, ’t is al veel te laat voor zoo’n
heel klein meisje!”
Onwillekeurig drukte zij op „heel klein”, in een sterk verlangen om het
kind nog lang onder haar bescherming te kunnen houden, en toen Mary was
heengegaan, bleef ze even zitten, droomerig haar gastvrouwopgewektheid
vergetend.
O! zeker, ze had er dikwijls aan gedacht, dat er misschien een dag zou
komen, dat er naast haar kinderen vreemden zouden staan, die meer voor
hen zouden zijn, dan zij met al haar groote moederliefde en dan had zij
vurig gehoopt, dat, als eens de liefde tot hen komen zou, het zou zijn
om hun leven rijker en mooier te maken, want liefde bracht ook dikwijls
pijn ....