Zij haalde diep adem, alsof ze haar borst wilde uitzetten om zooveel

geluk te omvatten, en liet haar hoofd even rusten op Daisy blonde

bolletje. Toen liet het kind, dat al dien tijd Belle met nieuwsgierig

bestudeerende oogjes had opgenomen, zich op den grond glijden, en

dribbelde weg naar het hoekje in de andere kamer waar Nelly weer zat te

spelen. Marion zag haar na, met haar verrukten moederglimlach, maar

toen, de weelde-emotie, die in haar opzwol terugdringend, dwong ze zich

haar volle belangstelling weer naar Belle te voeren:

„Foei, wat laat je me vandaag ’n boel over ons zelf praten. En ik heb

je nog niet eens m’n gewichtige voorstel gedaan.”

„O ja, dat voorstel, is het zoo gewichtig?”

„Ja zeker! Dus, je begrijpt, in December en Januari kan ik niet gaan

zingen, nietwaar? Maar nou ken ik nog al goed de directeuren van die

zangvereenigingen en sommige leden van het bestuur, en als ik hen nou

schreef dat ik niet kan komen, maar dat ik jou aanbeveel in mijn

plaats, geloof ik wel dat ze je zouden vragen ....”

Isabelle werd heel bleek, haar gezicht éen passie van luisteren.

„Mij?” zeide ze heesch.

„Ja, ik denk dat het best zal gaan. Natuurlijk, je moet nog hard

studeeren deze maanden, en we zullen samen de partijen doornemen, maar

dan kun je het gerust doen. Ze zullen je ook wel niet de som geven, dat

spreekt van zelf, die ik zou hebben gekregen, maar dat is minder. Als

ze je maar laten komen en je ’n klein honorarium geven, is het al heel

veel!”

„Ik weet niet of mama dat wel goed zal vinden! ....”

„Wat? Dat je gaat zingen, of dat je geld aanneemt? Het laatste zou ik

haar maar niet eens vertellen. Als ouders heel lief zijn, maar in hun

opvattingen bekrompen ouderwetsch, verdienen ze dat men hun niet alles

zegt. Maar hoe vindt jij het voorstel?”

„O! ik? ....” In eens gleed ze neer voor Marion, het hoofd verbergend

in haar schoot, en zachtjes snikkend nam ze haar hand en bedekte ze met

kussen. „Ik vind het zalig!”

„Dan is het goed!” zeide de jonge vrouw, blij met den uitslag van haar

voorstel. „Maar nog hard studeeren hoor! Je bent wel ’n zangvogeltje

bij de gratie Gods, maar er moet toch nog hard gewerkt worden.”

„Je weet wel dat ik niks liever doe!” zeide Bella hartstochtelijk,

opstaand met een beetje valsche schaamte om haar onstuimigheid. „O!

Marion, wat ben je toch vreeselijk goed voor me! ....”

Maar Marion onttrok zich lachend aan een tweede scène van dankbaarheid,

die ze zag aankomen:

„Dag, meisjelief! Ik ga gauw m’n vuilpoesje wasschen. Dag! Denk aan

dien triller, hoor!”

En met de hand even wuivend, liep ze snel de kamer uit met Nelly in

haar armen.

Isabelle kwam hollend de trappen van Marion’s bovenhuisje af. Zij

merkte vandaag niet eens dat zij nauw en steil waren, ze vloog naar

beneden en toen de straat over, in gespannen verlangen om thuis te zijn

en van de Columbusstraat naar huis, naar de van Speykstraat was een

heel eind loopen. De zon brandde warm in de straten, maar de eerste

oogenblikken vond ze het weldadig; ze rilde koud van opwinding.

„O! Maatje, ik moet u even omhelzen! Ik heb u toch zoo iets

verrukkelijks te vertellen! Nee, legt u nou even die pen neer. Ik moet

het u dadelijk zeggen!”

Mevrouw Pankaert glimlachte flauw, meer verbaasd dan meegesleept door

de ongewone vroolijkheid:

„Wat ben je toch nog ’n kind, Belle, om zoo te komen binnenvliegen!

Kijk, je hebt m’n lijstje laten vallen. Wat is er nou toch eigenlijk?”

Zij had juist haar kleine trommeltje met effecten nagezien en de

coupons geknipt, en nu zat ze met een stapeltje rekeningen vóór zich,

waarvan er verscheiden dringend moesten worden afgedaan. Maar de vraag,

welke nog wat konden wachten, en welke nu het eerst absoluut moesten

worden betaald, eischte een subtiliteit van overwegen, een toepassing

van menschenkennis, waarvan niemand begrip heeft, die geen fatsoenlijke

armoede heeft gekend. Het maakte haar altijd zenuwachtig en Belle’s

hijgend binnenstormen werkte prikkelend op haar humeur.

„O! ik wist niet, dat u bezig was! Nee, dan zal ik het straks wel

vertellen!”

Belle voelde dat het ’t verkeerde oogenblik was geweest en ging stil de

kamer uit. Maar de bitterheid van het zich eenzaam voelen door

ongedeelde vreugde zwol op in haar keel onder het trapopgaan.

En boven, in haar kamertje ook was het in eens of de geluksstemming van

straks was weggezonken. Dat kleine momentje van gekrenkte teederheid

had in eens de vreugdevuren gedoofd. Ze was ook zoo akelig

fijngevoelig! Corona had gezegd: dat was een gave, en zooals alle gaven

kon men haar goed of slecht gebruiken. Precies door haar te raden wat

anderen kon kwetsen of troosten, was haar goed gebruiken, door haar

zich te verdiepen in elken kleinen pijnlijken indruk die men ontvangen

heeft, was misbruik van haar maken. Maar het was moeielijk om zich

juist aan die grenzen te houden! En o! straks was het zoo heerlijk

geweest! Toen ze naar huis ging was het alsof ze door wolken van geluk

werd gedragen. Te zullen zingen in een groote zaal met achter zich

violen en cellos, die haar stem in hun zwevende klankenvlucht zouden

opnemen en hoog wegdragen, ver over de hoofden van honderden menschen,

wat een droom! Ze had straks het sprookjesachtige gevoel gehad van het

onbereikbare te hebben gegrepen!

Maar nu, na mama’s stroeven glimlach was alles in eens heel anders. Zij

moest denken aan haar toilet, ’n heel nieuw en kostbaar misschien, waar

al het geld, dat ze verdienen zou, wel aan weg kon gaan. En wat zou ze

aantrekken? Niets stond haar toch eigenlijk goed! En met akeligen angst

dacht ze er aan hoe honderden oogen haar zouden aanzien en zich

teleurgesteld zouden afwenden, omdat zij zoo leelijk was. Maar

misschien, als ze nu eens goed gekleed en gekapt was? .... Marion vond

toch ook dat ze den laatsten tijd, nou ze zooveel gezonder werd, er

beter begon uit te zien. En als ze dan maar zóó mooi zong dat de

menschen vergaten naar haar te kijken en alleen luisterden ....

En toen, ineens, dacht ze weer aan dien triller op de hooge b, op het

eind van dien langen zin, waar nergens adem mocht worden gehaald.

Straks bij Marion ging ie goed, maar zou ze hem nou ook nog kennen? Ze

vloog de trap af, naar de eerste verdieping, waar de piano stond,

gejaagd door het idée fixe van dien triller. ’t Was haast als een

bijgeloof dat alles er van af zou hangen of hij nou goed ging of niet.

En ja, het ging, alleen de naslag kwam er nog ’n beetje benauwd uit,

maar den tweeden keer ging het beter en toen begon ze de heele aria van

begin afaan met intense aandacht te studeeren.

„Belle, Belle, hoor je niet?”

„Ja, ma, wat is er nou weer?” Ongeduldig, buiten zichzelf om de

storing, die al haar zenuwen liet trillen, gilde ze terug.

„Belle!” riep mevrouw Pankaert weer, heel hoog nu, schel slepend op de

eerste lettergreep, want ze had het antwoord niet gehoord.

„Ja, ma, wat blieft u toch?”

„Daar is net ’n briefkaart van Charly dat ie vanmiddag thuis komt. Toe,

kun jij nou nog niet es gauw dat poddinkje à la Reine maken, waar ie

zooveel van houdt?”

„Och, ma, dat is zoo’n werk, kunnen we dat morgen niet doen? ’t is al

zoo laat en ik studeer juist zoo heerlijk. Laten we vandaag maar wat

flensjes geven, daar houdt ie toch ook van.”

„Och, altijd met die bezwaren! Morgen is ie misschien weer uit eten,

met z’n vrienden. Kom doe het nou maar gauw!”

Met een zwaren zucht sloot Isabelle de piano. Zoo was het nou altijd!

Altijd werd ze gestoord, en van haar werk geroepen, dan voor het een en

dan voor het ander! Als Charles naar zijn kamer ging, al was het maar

met ’n romannetje, en tegen mama zei dat ie ging werken, was zelfs de

wasch wel es blijven staan om hem door het stommelen op zolder niet te

storen, maar zij moest altijd maar klaar staan voor alles. Charles

sprak dikwijls met minachting over dameszenuwen, maar hij mocht wel es

bedenken, wat er voortdurend van die zoogenaamd zwakkere vrouwenzenuwen

gevergd werd, dat aan den man gespaard blijft. Waarom kon men haar

studies ook niet wat respekteeren? Zij had toch ook een ernstig doel.

Maar dat was het juist, men geloofde maar half aan haar doel.

In opgewonden ergernis, met driftige bewegingen begon ze het eiwit te

kloppen. O! vroeger toen ze niets bepaalds uitvoerde, was het immers

heel goed geweest dat men haar voor alles gebruikte. Soms was het zelfs

’n welkome afleiding geweest en licht dat zij tenminste al die

kleinigheden deed in haar werkeloos bestaan! Maar tegenwoordig, nu ze

toch ook haar studie had! .... Enfin, Corona had het verleden immers

ook nog zoo goed gezegd: In de meeste families wordt het meisje nog

beschouwd door de broers, als een min of meer gewillig of amusant

slavinnetje, door de mamas als ’n hartelijk soort van juffrouw van

gezelschap en door de heele verdere familie als ’n factotum, over wie

men bij ziekte en schoonmaak en bruiloft gewoon beschikken kan. En

vroeger was dat ook natuurlijk, toen ongetrouwd blijven een

uitzondering was, en het meisje dus in de korte jaren vóór haar

huwelijk door al die dienstjes heel wat ervaring en handigheid leerde.

Maar tegenwoordig, nu de ongetrouwde vrouwen bij duizenden worden

geteld, is het akelig om te zien in hoe weinig gezinnen men zelfs nog

maar vermoedt dat een meisje evengoed als een jongen behoefte heeft aan

een eigen werkkring, en een eigen individualiteit heeft, met eischen en

rechten, welke gerespekteerd behooren te worden en met gewoonlijk nog

wel andere verlangens in haar hart dan om voor alle mogelijke

familiebelangetjes en familietroubles te worden gebruikt.

Maar Isabelle, onder het bedenken van al die dingen, terwijl

zachtjesaan haar kloppen een rythme had gekregen, waaruit melodietjes

opwelden, die geneuried wilden worden, begon haar gewoon geduldige

stemming terug te vinden.

Ze legde nu even de klopvork neer; haar rechterarm begon zoo’n pijn te

doen en ze wou het links toch es probeeren. Maar links was ze veel

minder handig. In eens, met een onwillekeurige krampbeweging, vloog de

vork over het bord en een lange witschuimende slier lag over de

keukentafel.

„Guns, freule, wat zonde! Wil ik nou es kloppen? U ziet heelemaal

rood!”

„Nee, dank je wel, Mijntje, ga jij nou maar gauw de slagroom halen,

anders kan ik straks niet voort. Die moet ook nog heelemaal geklopt

worden.”

„Zal u dan effe op de bel letten? Maar gaat u toch bij ’t raam in den

tocht staan, anders krijgt u ’t nooit nie stijf. ’t Is toch al zoo heet

vandaag, en dan in dit benauwde keukentje! ....”

Isabelle, vlak bij ’t raam, klopte voort: Ze was toch nog niet sterk na

de diphteritis van den winter, want vroeger werd ze er nooit zóo moe

van. Het zweet gudste neer langs heel haar lichaam, en zij zette de

tanden vast op elkaar om de pijnlijke spieren van haar schouderblad

beter tot hun werk te dwingen.

Toen, zachtjes roepend, klonk het van beneden uit het tuintje:

„Pst, Pst, Belle ....”

Ze leunde het raam uit en lachte met veel knikjes op

schoolmeisjesmanier:

„Dag Jettie! Wat is er?”

„Wat doe je daar?”

„Ik klop eiwit.”

„’n Lekker werkje voor zoo’n heeten dag.”

„Ja, dat geloof ik.”

„Zal ik je es wat zeggen? Ze komt vandaag.”

„Wie?”

„Je vriendin, je afgod.”

„Corona van Oven?”

„Ja, ik ben gisteren bij haar geweest en heb haar m’n hart uitgestort,

en vanmiddag zou ze er met mama over komen spreken.”

„Zal het helpen, denk je?”

„Weet ik het? Maar als ze niet naar haar luisteren, is het hun eigen

schuld als ik gek word.”

„Hê, Jettie, zeg toch zulke dingen niet.”

„Nou, is ’t niet beleefd van me dat ik tenminste van te voren

waarschuw?”

„Hoe kun je daar nou mee spotten, Jet?”

„Ik spot niet, ik lach maar ’n beetje, omdat ik geen raad weet met

mezelf van angst. Moet je nog lang kloppen?”

„Ja, natuurlijk, tot het stijf is.”

„Wil ik je komen helpen? Toe ja, ik verveel me zoo vreeselijk!”

„Moet je je lessen niet leeren?”

„Hê Belle, wat zeur je toch. Ik krijg al hoofdpijn, als ik aan die

akelige boeken denk. Geloof je dat het me iets kan schelen hoe al die

bergen in Azië heeten? Toe, mag ik komen?”

„Nou, heel graag dan, want m’n arm is nou al lam.”

Het waren Indische menschen, die het benedenhuisje onder mevrouw

Pankaert bewoonden, dat wil zeggen, mijnheer de Snoek was lang in Indië

geweest en mevrouw had sterk het type van het gemengde bloed en had dat

weer aan haar vier meisjes gegeven. Jettie was de jongste en de mooiste

van de vier; ze had de groote bruine oogen van het land waar de zon

gloeit, maar ze was blanker dan de anderen en forscher gebouwd.

Fluisterend en gichelend stonden de twee meisjes samen in het keukentje

en Jettie met haar lenige, bruine handjes klopte prachtig, terwijl

Belle de melk aan den kook bracht.

„Vond Corona dat je gelijk had?”

„Natuurlijk! Ik ben gisteren naar haar toe gegaan, en ik heb gezegd:

juffrouw .... wat zeg jij, juffrouw of dokter?”

„Dokter natuurlijk.”

„O! .... nou, ik heb juffrouw gezegd en ze scheen het toch niet kwalijk

te nemen, want ze was dadelijk heel vriendelijk, vooral toen ik zei,

dat ik op jouw raad kwam.”

„Hoe aardig van haar, en wat heb je toen gezegd?”

„Juffrouw,” heb ik gezegd, „het is bij ons een heele arme boel! En daar

heeft me nou onze goeie lieve beste papa zoo’n administratief baantje

opgescharreld, waar ie elken morgen door weer en wind heen moet gaan om

er voor ons nog maar wat bij te verdienen, ofschoon ie door z’n

leverkwaal, ziet u, dikwijls erg naar is? En later als ie dood is en we

verliezen z’n pensioen, zullen we ons verschrikkelijk moeten bekrimpen!

En weet u wat wij nou doen met ons vieren zusters, jonge gezonde

stevige meisjes? Niks! O! ik kan het niet langer aanzien. Is het niet

hemeltergend, dat die goeie ouwe man zich uitslooft en dat wij langs de

straat slenteren! O! we zitten niet met de handen over elkaar den

heelen dag, dat begrijpt u. Vooral Nonnie en Kate zijn heel handig en

maken haar japonnetjes zelf, maar ik vraag het u, wat is dat nou voor

werk voor volwassen meisjes, om zoowat toiletjes in elkaar te

flodderen. Ik ben de jongste, juffrouw, net zeventien en met kerstmis

zou ik van school afgaan, maar ik bedank er voor, om dan net als de

drie anderen te gaan doen, zoo’n beetje je tijd te verleuteren en kizze

bizzen, altijd maar op den zoek van ’n man, die zoo goed wil zijn om

ons te onderhoûen! Want dat doen ze, juffrouw, al worden ze woedend,

als je het tegen ze zegt, en wil ik u es wat zeggen? Als je dat ééns

hebt ingezien, dan lijkt de heele wereld je in eens ’n reusachtige

slavinnenmarkt, waar al de meisjes zonder geld zich te koop komen

aanbieden.”

„En wat zei Corona?”

„Ze schoot ineens in den lach en zei: „Gebruikt u altijd zulke sterke

uitdrukkingen?””

„Lachte ze je dan uit?”

„Nee zeker niet! Want dadelijk daarop vroeg ze heel lief: „En wat wilt

u nu gaan doen?” En toen heb ik het haar alles heel eerlijk verteld:

dat natuurlijk het eenige wat voor meisjes van onzen stand openstaat

het onderwijs is of ziekenverpleging of juffrouw van gezelschap, maar

dat ik dat alle drie even afschuwelijk zou vinden. Voor de twee laatste

baantjes ben ik nou eenmaal volstrekt niet geschikt en als je bij het

onderwijs ’n beetje vooruit wilt komen, moet je ’n boel aktes hebben en

om daar jaren te gaan zitten blokken, lijkt me ’n gruwel! Ik heb niks

geen leerhoofd.”

„En natuurlijk vond Corona dat je gelijk hadt, want ik weet dat ze ’t

heel verkeerd vindt als menschen, die er geen lust voor hebben, bij de

verpleging of het onderwijs gaan, en toen?”

„O! toen vroeg ze of ik dan nergens anders lust in had, en toen heb ik

tegen haar gezegd: Juffrouw, zeg ik, ik ben dol, dol, dol op kleine

kinderen. Het verveelt en vermoeit me nooit om met ze te spelen. Ik ben

’n geboren kinderjuffrouw en dat zou ik ook willen worden! Maar mama

vindt het natuurlijk ver beneden m’n stand en ze worden thuis allemaal

boos als ik er over spreek. En weet je wat ze toen zei? O zie je, je

hebt gelijk, ’t is ’n schat van ’n mensch, en ze pakte zóo m’n hand

...”

„O! Jettie, het ei, pas op dan toch!” gilde Isabelle in eens, want in

de opwinding van haar verhaal was de klopper stil gebleven en Jettie

hield de schotel met eiwit heel schuin.

„Hê, wat ’n schrik! Als ik het had laten vallen, zou je me zeker het

raam hebben uitgegooid?”

Belle lachte:

„Nee, maar ik had geen raad geweten, we hebben geen éen ei meer in

huis, en ’t is toch al zoo’n dure pudding.”

„Ja, ’t zit er aan bij jullie! Zulke lekkere schoteltjes!”

„O! ’t is voor Charles. Mama vindt het zoo heerlijk om hem te

trakteeren. Dat is ook onze eenige luxe.”

Zij bukte zich even, heel diep, over het pannetje met smeltende

gelatine, bang dat Jettie haar kleur had gezien en de bitterheid in

haar woorden had begrepen.

„Nou hoor, als ik zoo’n broer had, die heel alleen voor z’n eigen

plezier leefde, zou ik hem niet zulke dure lekkere dingetjes

klaarmaken! Maar goddank dat ik er geen bezit, en ik heb er dus

misschien ook geen verstand van, hoe je zulke monsters moet

behandelen.”

„Hê, Jettie, wat ben je weer aan den gang, kom vertel nou gauw verder.”

„Wel, toen heeft ze zoo lief tegen me gesproken, engelachtig, zie je!

Kinderjuffrouw, zei ze, dat is ’n heel gewichtige, interessante

betrekking, als men er roeping voor heeft, en waar niemand op neer mag

zien! De indrukken van de eerste jeugd kunnen dikwijls ’n beslissenden

invloed op het heele leven hebben en hoe meer men nu in gaat zien, hoe

gewichtig daarom de vraag is, aan wie die eerste jaren zullen worden

toevertrouwd, hoe hooger men de werkkring van de kinderjuffrouw zal

gaan stellen. Ik ken hier een paar rijke vrouwtjes, die geen tijd en

lust hebben om zich veel met haar kinderen bezig te houden, maar wie ik

toch genoeg aan haar verstand heb gebracht, wat haar kleintjes toekomt,

dat zij met genoegen vijf, zes honderd gulden zouden geven, als ze een

echt superieure kinderjuffrouw konden vinden!—Stel je voor, Belle,

vijf, zes honderd gulden, zou het niet verrukkelijk zijn?—maar dan moet

je ook uitmunten in je werk! zei ze. Als dames zoogenaamd minder werk

gaan doen, moeten ze het baantje naar zich optrekken, er iets moois van

maken, en niet afdalen naar het lage peil waarop het nu staat! In

Engeland zijn tegenwoordig zelfs dames, die gewoon meid worden in

gezinnen, waar men er wat voor over heeft om werkelijk beschaafde, in

haar vak knappe vrouwen tot hulp der huismoeder te nemen. En dat vind

ik ’n groote stap vooruit. Want men beweert wel es, dat de dames geen

concurrentie moeten aandoen aan de volksmeisjes, maar dat is maar een

drogreden. Als de beschaafde vrouw, door haar werk, toont wat een goeie

dienstbode kan en moet zijn, verheft ze daardoor de betrekking, waar

zich nu elk onervaren slonzig volkskind goed genoeg voor vindt, en

daardoor worden de eischen hooger gesteld, hetgeen weer tengevolge

heeft dat men duidelijker de behoefte zal gaan beseffen aan

huishoudscholen en vakonderwijs voor dienstmeisjes en dat ook de loonen

zullen stijgen. Ik ken nu Engelsche meisjes van heel goeie familie die

in groote adelijke huizen keukenmeid en kamenier zijn en daar vrij wat

meer verdienen en meer vrijheid genieten dan onze arme juffrouwen van

gezelschap of verpleegsters tegen wil en dank! En zoo zou het met u ook

moeten zijn. Als het u ernst is, moet u bijvoorbeeld naar Dresden naar

een model Fröbelinrichting gaan of iets dergelijks, en grondig, niet

zoo’n beetje Fröbelspelletje leeren, maar diep u in de geniale

opvoedingsleer van Fröbel inwerken. En die studies zoûen u niet zwaar

vallen; dingen waar het hart in is, leert men gemakkelijk! En als u dan

’n model kinderjuffrouw bent geworden, kunt u op mij rekenen. Dan zal

ik wel zorgen dat u ’n betrekking krijgt, waar men u moreel en

finantieel te apprecieeren weet!”

„En heeft ze toen beloofd om er met je mama over te komen spreken?”

„Ja, en ze heeft me ook nog iets gegeven ....” Met ’n beweging van

dwepend bakvischje haalde Jettie een papiertje uit haar zak en kuste

het, kleurend en lachend. „Ik heb het wel honderd maal gelezen, sinds

gisteren, want het zegt precies wat ik altijd heb gevoeld, maar ik kon

het nooit goed uitdrukken.”

Belle leunde verlangend over het geknuffelde stukje papier, terwijl zij

beiden bijna de podding vergaten:

„Laat es zien!”

„Kijk, het is iets uit ’n brief van mevrouw Carlyle, [9] je weet wel,

de vrouw van dien beroemden Engelschen schrijver. Ze was ’n vreeselijk

knap meisje, zegt Corona, vreeselijk geleerd, en ze had ’n prachtige

opvoeding gehad om ’n schitterende wereldvrouw te worden. Maar toen ze

met dien schrijver getrouwd was, ging ie met haar ergens buiten, heel

eenzaam wonen, omdat ie daar rustig werken kon. Maar ze konden er niks

krijgen, en ’n goeie meid wou er heelemaal niet komen, en toen moest

die arme vrouw zelf al haar werk doen, en zelf haar brood bakken, en

kijk, dit schreef ze toen, op een nacht dat ze heel bedroefd was:

„Ik had hoegenaamd geen verstand van deeg te laten gisten, of een oven

te stoken, en zoo gebeurde het dat mijn brood in den oven ging op het

oogenblik dat ik naar bed had moeten gaan, en ik bleef alleen wakker in

een huis in het midden van een woesternij. Het sloeg één uur, toen

twee, toen drie, en ik zat daar nog altijd, omringd door de eindelooze

eenzaamheid, mijn lichaam uitgeput van vermoeienis en mijn ziel beangst

door een gevoel van verlatenheid en vernedering. Ik, die thuis zoo

verwend was geweest, wier geluk al die huisgenooten had bezig gehouden,

van wie men nooit iets anders gevergd had dan dat ik mijn geest zou

ontwikkelen, ik was nu gedwongen den nacht door te brengen, wakend bij

een stuk brood .... dat misschien niet eens een stuk brood zou worden!

Die gedachte maakte me krankzinnig, zóo dat ik mijn hoofd op de tafel

legde en het begon uit te snikken. Maar toen, ik weet zelf niet hoe,

kwam ineens de gedachte in mij op, aan Benvenuto Cellini, [10] die een

ganschen nacht bij den oven waakte, waaruit zijn Perseus [11] komen

moest. En ineens vroeg ik me af: Maar zou er in de oogen der hoogere

machten, hier boven, eigenlijk wel zulk een groot onderscheid bestaan

tusschen een stuk brood en een beeld van Perseus, als beiden

beteekenen: Plicht? De vaste wil van Cellini, zijn energie, zijn

geduld, zijn vindingrijkheid, dat zijn de wezenlijk bewonderenswaardige

dingen, waarvan het Perseusbeeld het toevallige resultaat is. Als hij

een vrouw was geweest, die in Craigenputtock leefde, met een man,

lijdend aan ingewandziekte, op zestien mijlen afstands van een bakker,

en dat nog een slechten bakker, dan zou hij al diezelfde goede

hoedanigheden hebben gebruikt om een stuk brood te vervaardigen.

Het is onuitsprekelijk welk een troost die gedachte mij heeft

geschonken bij al mijn verdrietelijkheden, gedurende de jaren dat wij

in die wildernis hebben geleefd, waar twee mijner onmiddellijke

voorgangsters waren gek geworden, en de derde aan den drank was

geraakt!”

„Heeft ze dat voor je over geschreven?”

„Nee, ze had verscheiden van die velletjes, ook nog met andere dingen

er op, in een laadje liggen, en toen ze ’t me gaf zei ze lachend, dat

ze die dikwijls in plaats van recepten uitdeelde, en dat ze soms beter

hielpen dan drankjes. „Dat moet u nu maar es aan uw mama laten lezen,”

zei ze, „en het zelf dikwijls inkijken, tot u er heelemaal van

doordrongen bent, en bij alle gesprekken moet u u op dát standpunt

plaatsen, want het is het standpunt van waaruit men in de toekomst alle

werk zal beoordeelen: Een kinderjuffrouw, die knap studie van haar vak

heeft gemaakt, en er de echte roeping voor heeft, staat honderdmaal

hooger dan een prulschilderes of een onderwijzeres zonder liefde voor

kinderen, of een juffrouw van gezelschap, die maar in conditie is

gegaan omdat zij nergens voor bekwaam is. Elk werk, wat het ook is, als

het knap, consciëntieus en met toewijding wordt gedaan, is mooi! En dat

geldt voor mannen-, net zoo goed als voor vrouwenwerk, en in de

toekomst zal niemand meer laag neer zien op de eene of andere

betrekking, alleen op de menschen die hun betrekking niet goed

vervullen!”

„En zou ze dat nou vandaag ook bij je mama komen vertellen?”

„Ja, zie je, en ik ben wel bang dat ma er niet veel van zal begrijpen,

maar als ze daar zoo bij je zit, Corona, met die groote oogen, en ze

praat zoo aardig, moet ze toch op iedereen wel indruk maken, dunkt me,

en wie weet of ze het er niet voor me doorkrijgt. Maar .... daar zul je

ze hebben ....”

De korte hoefslagen van een paard, dat wordt ingehouden, klonken even,

toen een bel in het benedenhuis, en Jettie holde weg, terwijl Isabelle

achter bleef in het benauwde keukentje en glimlachend voortklopte. Ook

voor haar was de brief van Lady Carlyle een kleine steun geweest, en

toen ze de podding in den vorm in ’n schotel had gezet met ruw ijs en

zout, om haar bijtijds te laten afkoelen, ging ze in haar gewone

geduldige stemming naar binnen, aan de koffie.

Hilda van Suylenburg · 第 24 / 35 段