„Kijk dit is Daisy!”—En vóór Isabelle haar had kunnen volgen, kwam ze

aandragen met het kindje.—„Is ze niet doddig? Kijk, net de fluweelen

oogen van mijn man, en dit is Nelly, die heeft van papa de gezellige

leelijke stoppelhaartjes. Zijn ze niet schattig met haar beidjes? Maar

Nel! Wat heb je met je schortje gedaan? Heb je je weer als een

schoorsteenvegertje gedragen?”

En zij bukte zich en kuste het stralend zwarte gezichtje dat zich tot

haar ophief, de roode vochtige lipjes vooruit, glimmend als versch

geplukte kersjes, die in de modder gevallen zijn.

„Zie je, Belle, bij haar geboorte hebben we dadelijk een

levensverzekering voor haar gesloten. Als zij twintig jaar zijn krijgen

zij beide vijfhonderd gulden jaarlijks, dat zal haar strijd om het

bestaan een beetje makkelijker maken, dan hij voor mij geweest is! Maar

daarvoor moet mama nou ook hard werken, nietwaar? Het is een heel ding

om elk kwartaal zoo’n som bijeen te hebben!”

Zij zette het kindje neer, in eens met een moeë beweging, en een diepe

rimpel groefde zich tusschen de oogen, die haar ouder maakte.

„O! soms kan ik er van rillen, dat die beide kleine kleuters ook eens

het groote gewoel zullen inmoeten! Maar wat zul je er aan doen? De

dochters van Marion Noorman zullen geen uitgaanpopjes worden, die op

een man zitten te wachten; ze moeten haar brood zelf verdienen. Maar

natuurlijk, ik weet heel goed, dat, als de enorme achterhoede van

nietsdoende vrouwen zich nu ook in ’t strijdperk gaat storten, de druk

en de angst van de tijden hoe langer hoe ontzettender zullen worden.

Maar het kan niet anders, wij zijn nu eenmaal op dit oogenblik allen in

een nauwe bergpas vol dik doornig kreupelhout en we moeten er door,

vóór we aan het strand komen, waar ruimte is voor ons allemaal. En hoe

meer er zich nu maar in den bergpas dringen, hoe benauwder het er wel

worden zal, maar ook hoe eerder het kreupelhout zal zijn platgetreden.

En we zullen onze meisjes flinke stokken en messen meegeven en haar er

voorzichtig en knap mee leeren omgaan om de lianen door te snijden en

de in elkaar vergroeide takken te breken en toch zoo min mogelijk haar

buren te verwonden! Dat is het eenige wat ons ouders van de twintigste

eeuw te doen staat.”—Toen lachte zij weer, haar jongen lach, die een

Fransch violist den vorigen winter op een concert had laten zeggen:

„Quelle adorable gamine.”—„We zullen in elk geval ons best doen en er

maar niet over gaan zitten treuren, nietwaar, kleine Nel? En nou eerst

es gauw even je vuile koppetje gaan wasschen, want dat weet je, de

eenige manier om flinke dappere vrouwen te worden is om reine

gezichtjes te hebben!”

„Maar Marion, als je op reis bent?” .... drong Isabelle aan. Zij had

Marion’s huishoudentje, dat zij altijd keurig en gezellig vond, zoo

dikwijls moeten verdedigen tegen haar moeder en andere dames, die

plechtig en onvoorwaardelijk verzekerden dat een getrouwde vrouw niets

doen kan of mag dan haar huishouden, en ze wilde vandaag nu toch

probeeren om er eindelijk eens precies achter te komen hoe Marion het

had ingericht. „Als je weg bent om te zingen, wat doe je dan met de

kinderen? Wie zorgt er dan voor?”

„Heb je nooit van mevrouw Ermering gehoord?”

„Nee, wie is dat?”

„Dat is ’n weduwe zonder kinderen, maar ’n geboren moeder! Ze woont in

de Hugo de Grootstraat, in ’n aardig huisje met ’n flinken tuin, en ’t

is daar de ideale crèche, zooals de toekomstmoeders, die werken moeten,

ze zullen wenschen. Met ons zevenen zijn wij bij haar geabonneerd, en

als ik nou uit de stad moet gaan zingen of Jeanne Goedbrandt heeft het

’n paar dagen erg druk op haar atelier, of Mevrouw Verzen heeft haar

migraine, of mevrouw Schallen, die voor Arbeid Adelt werkt, heeft ’n

groote bestelling, of mevrouw Bromer, wier man zoo ziek is, kan geen

leven in huis velen, of mevrouw van Asberk, die inspectrice is bij ’n

levensverzekeringmaatschappij, moet voor zaken op reis, dan zenden we

allemaal onze kinderen zoolang bij mevrouw Ermering. En je weet niet

hoe heerlijk ze het daar hebben. Het spaart ons allen een onbetrouwbare

kindermeid uit, die onmogelijk iets van opvoedkunde kan weten, en ze

worden er uitstekend, o! weet je, uitstekend verzorgd! Sommige kinderen

hebben het er moreel en physiek zelfs heel wat beter dan thuis, zooals

bijvoorbeeld die van mevrouw Verzen, met haar eeuwige zenuwgetob of van

mevrouw Prinsen, die veel meer van pret en uitgaan dan van kinderen

houdt. Bij zulke moeders komt er gewoonlijk niet veel terecht van de

arme schaapjes en het is dus ’n redding als ernstige lieve vrouwen als

mevrouw Ermering zich over hun lot ontfermen.

Zie je, dat is ook iets wat de meeste menschen totaal vergeten, als ze

zoo door dik en door dun beweren dat de getrouwde vrouw zich maar

uitsluitend met haar gezin mag bezighouden, dat er heel wat moeders

zijn, die geen sprankje aanleg of lust voor waarachtig opvoeden hebben

en dat het daarom dikwijls voor de jonge generatie zelf een zegen zal

wezen als zij onder de zorgen komt van vreemden die wèl de gave van

opvoeding kennen. Ieder die gelooft aan de toekomst van de menschheid,

moet vinden dat de vorming van het jonge, wordende geslacht de

allerhoogste taak is, maar wat ’n absurditeit, om te meenen dat elke

vrouw, die kinderen heeft gebaard, hoe zij ook verder moge zijn, in

staat is tot dat allerhoogste werk. Opvoeden sluit alles in zich! geen

arbeid die zooveel liefde, intelligentie, zelfverloochening, geduld,

zelfbeheersching, rechtvaardigheidsgevoel en teeder intuïtief raden van

het diepe geheim der klein menschenziel vordert! En je begrijpt wel,

dit alles in een vrouw te veronderstellen, eenvoudig omdat zij een kind

heeft ter wereld gebracht, is onzin, terwijl massa’s ongetrouwde of

kinderlooze vrouwen geboren opvoedsters kunnen zijn.”

„Maar Marion, geloof je nou heusch, dat ’t een ideaal toestand zou

worden als alle getrouwde vrouwen geld gingen verdienen?”

Marion dacht een oogenblik ingespannen na, toen lachte ze:

„Dat is ’n heel moeielijke vraag, hoor! Maar we zijn er heusch nog lang

niet aan toe om nu es dood op ons gemak te kunnen gaan vragen wat nou

eigenlijk wel ’n ideaal toestand zou zijn. Zoover is onze maatschappij

helaas nog niet! Maar dit is zeker, dat, ideaal of niet, waar geen geld

en wèl liefde is, de getrouwde vrouw hoe langer hoe meer tot loonarbeid

zal moeten en willen komen! Wie zal kunnen profeteeren in deze

overgangstijden, waarin alles duidt op groote economische verandering,

wat nu wel het ideaal zal zijn in de verre toekomst? De geslachten, die

na ons zullen komen, zullen op hun beurt ook aan de oplossing van dat

raadsel moeten werken! Maar, zooals op dit oogenblik de toestanden zijn

ben ik overtuigd dat het mee in het huishouden verdienen der getrouwde

vrouw ons nader zal brengen tot drie betrekkelijke ideaaltjes die zeker

niet gering zijn te tellen.

Ten eerste: De mogelijkheid van een huwelijk tusschen twee jongelui,

die elkaar echt liefhebben, maar geen van beiden iets bezitten en

waarvan de man niet genoeg kan verdienen, om welke reden ook, om een

gezin te onderhouden. Ik ken er verscheiden zoo, die heel hun mooie

jonge leven in hopeloos wachten verliezen, hunkerend naar ’n

aanstellinkje of ’n promotietje dat maar niet komt, terwijl de vrouw,

als zij een deel van het geldverdienen voor het gezin op zich kon en

wilde nemen, een einde zou maken aan dien ellendigen toestand. In de

boerenstand wordt nu de werkkracht en kundigheid van de vrouw wel

degelijk als kapitaal beschouwd, dat zelfde zou dan ook geschieden in

de burgerstanden en het onbemiddelde, knappe, energieke meisje zou haar

kansen op een liefde-huwelijk daardoor sterk zien vermeerderen, haar

betaalde arbeid zou in de plaats komen van een bruidschat.

Ten tweede, als de man komt te sterven, die het gezin onderhoudt en de

vrouw blijft met een troepje kinderen achter—en dat zijn van die

gevallen die je dagelijks ziet gebeuren—wat ’n zegen dan, als zij

geschikt en al gewend is om in de noodige behoeften te voorzien!

Ten derde, de algemeene positie der vrouw zou er beter door worden, en

ik zal je zeggen waarom. De ongetrouwde vrouw zou haar werk beter, met

meer bezieling doen, wanneer zij niet dacht dat het maar een tijdelijke

bezigheid was, die moest worden opgegeven zoodra er zich ’n huwelijk

voordeed, en door beter werk te leveren zou zij krachtig meewerken tot

snellere vervulling van den dringenden eisch van gelijk loon voor man

en vrouw. Begrijp je dat logische verband? En dan, nu bestaat nog de

schandelijke wet dat de man recht heeft op het door de vrouw verdiende

geld. Maar het spreekt van zelf dat die al heel gauw zou worden

veranderd als de verdienende vrouw niet langer meer zeggen wou voor het

begrip van de regeeringsmannen: ’n troepje havelooze

fabrieksarbeidsters en wat afgesloofde schoonmaaksters en naaistertjes,

maar hun eigen zusters en dochters en pleegkinderen! Ten slotte is er

nog dit: Nu wordt in veel huishoudens de vrouw nog beschouwd en

behandeld als de onderhoudene, die dankbaar moet zijn voor elken

gulden, die zij voor eigen genoegen mag uitgeven, en die zich voor een

tientje soms zelfs vernederen moet tot vleierij en onware

liefkoozingen. Weet je niet die ontelbare grappen in de spotbladen?

Over vrouwen die bij haar man intrigeeren om een nieuwen hoed? O zie

je, menschen die daarom kunnen lachen, moeten wel akelig weinig hebben

nagedacht! Ik vind tenminste niets komieks in zulke verhoudingen,

alleen heb ik minachtend medelijden met mannen, die hun vrouw in zoo’n

afhankelijkheid willen houden en met vrouwen, die zoo’n afhankelijkheid

dulden! Want in zulke gezinnen is de vrouw een wezen dat nergens recht

op heeft, dat kost en inwoning en kleeding ontvangt, maar daarvoor zich

dan ook te schikken heeft naar den wil van den meester en buiten zijn

goedvinden niets mag besteden voor dingen waar zij zelf verlangen naar

of sympathie voor heeft.

Weet je, Belle, ik heb zes zusters, die allemaal in conditie zijn, en

mij allen haar confidenties doen, en ik verzeker je dat ik zelfs in de

rijkste families vrouwen weet, die nog over geen twintig gulden

jaarlijks naar hartelust kunnen beschikken! O! het klinkt heel aardig:

de man verdient het geld, en de vrouw verzorgt het gezin, ieder blijve

in zijn werkkring. Maar feitelijk—en ook de wet gaat uit van dat

beginsel—is de toestand in heel veel gevallen zoo: de vrouw die een

gezin wil stichten, moet zich op genade of ongenade overgeven aan den

man, die haar en haar kinderen zal onderhouden, maar dan ook alle

rechten op hen heeft, en van wiens meerdere of mindere edelmoedigheid,

in een woord van wiens bloote goeddunken het zal afhangen of zij over

middelen zal mogen beschikken of om elk kwartje zal moeten vragen!

En dat is nou juist wat allemaal anders zal worden als de vrouw

productieven, betaalden arbeid gaat verrichten! De vrouw, die met

cijfers kan aantoonen dat haar arbeid tot de welvaart van het gezin

bijdraagt, zal een heel andere positie innemen dan zij, die nu alleen

maar met woorden kan verklaren,—die, och arme, dikwijls niet geloofd

worden,—dat zij zoo zuinig mogelijk is, en zooveel mogelijk uitspaart.

De vrouw, die haar eigen geld verdient, zal zich onafhankelijker

voelen, en fierder, en dus niet meer berusten in een afhankelijkheid

die nu heel dikwijls een gevaar is voor het geluk en de waardigheid van

het huwelijk. Betaalde arbeid van de vrouw zal meewerken om de

verhouding der echtgenooten zuiverder en mooier te maken en daardoor de

geheele menschheid ten goede komen, en daarom, zooals je ziet, vind ik

het op dit oogenblik dus economisch wèl degelijk een ideaal dat de

getrouwde vrouw loonarbeid doet. En wat de materieele kant van het

vraagstuk betreft, deze is natuurlijk hoe langer hoe makkelijker op te

lossen. Zij die schermen met: „de vrouw moet zich uitsluitend bij het

huishouden hoûen,” vergeten dat onze grootmoeders, die zij tot

voorbeeld nemen, met diepe minachting op het huishouden van

tegenwoordig zouden neerzien. Je moet zoo’n aardig oud receptenboek

maar es zien met de grappige spelfouten en wijze practische

raadgevingen om te begrijpen wat het „huishouden” vroeger beteekende.

Onze voormoeders sponnen zelf haar linnen, naaiden zelf al haar

kleeren, nog wel zonder machine, breiden al de kousen voor de familie

zelf, maakten zelf vruchten en groenten in, bereidden zelf haar

huismiddeltjes, maakten zelf haar slacht, deden zelf haar wasch, bakten

zelf haar brood en taartjes en lekkernijen, hadden voor haar zieken

geen hulp van uitstekende ziekenhuizen en gediplomeerde verpleegsters,

kenden geen fröbelbewaarscholen en geen gas en geen waterleiding! Wat

is betrekkelijk weinig overgebleven van al dat enorm veel omvattende

huishoudwerk! Zelfs de conservatiefste vrouwen en de weinig

gefortuneerden laten haast alles buitenshuis doen, en de tijdstroom

gaat op dit oogenblik heelemaal dien kant uit. Door nieuwe

machinerieën, die nog dagelijks worden uitgevonden, door coöperatie en

betere arbeidsverdeeling zal er hoe langer hoe minder van dat werk

overblijven, en als men ziet hoeveel tijd nu al de getrouwde vrouwen

kunnen missen, zoodra het op amusement aankomt, voor menschen zien,

visites maken, noodelooze handwerken, en de eeuwige boodschappen, dan

kun je logisch aannemen dat zij in de toekomst ook wel tijd voor

productieven arbeid zullen kunnen vinden, wanneer dat noodig blijkt te

zijn!”

„Maar de gezelligheid, Marion, de gezelligheid van ’t gezin zal er zoo

onder lijden!”

„Dat geloof ik niet!” zeide Marion overtuigd. „Natuurlijk in deze

overgangstijden, zoolang de korte werkdag nog niet is ingevoerd, zal de

vrouw die loonarbeid doet, in sommige betrekkingen wel es te kort

moeten schieten in haar plichten van volmaakte huisvrouw, maar ik

verzeker je, het is niet mogelijk dat zij ooit verder van het

waarachtige huismoederideaal zal afstaan dan het grootste gedeelte der

tegenwoordige vrouwtjes, die niets doen dan zoogenaamd voor haar

huishouden leven! O! ik spreek nog niet eens van de wufte vrouwen, die

opgaan in visites en partijen, maar van degenen die ’t heusch nog goed

meenen. Wil je wel gelooven, dat ik er een massa ken, met toch

betrekkelijk maar kleine gezinnen, die zoo opgaan in materieele zorgen,

dat zij op ’t laatst in ontwikkeling geen haar beter zijn dan de eerste

de beste dienstbode? Ik ken er die uren lang over ’t vermaken van

kleeren enz. enz. met haar kennissen zitten te .... kletsen, en zich

zelf erg goed en degelijk vinden, maar van gezondheidsleer en

voedingswaarde en pedagogie en kinderzielkunde en al zulke dingen meer,

zelfs geen flauw besef hebben. Ja, heusch, ik ken er zelfs, die er ’n

eer in stellen dat ze nooit lezen en geen belang stellen in wat ook

buiten haar kringetje en zelfs geen vermoeden hebben hoe bekrompen duf

daardoor de atmosfeer van haar huiskamer wordt! En dan later, als de

kinderen groot zijn, zie je overal het wreede verschijnsel, dat zulke

moeders, die toch dikwijls ter goeder trouw zich hebben afgesloofd, als

vreemden staan buiten den gedachtenkring der kinderen, niet in staat om

nieuwe vraagstukken, die de jonge harten in ontroering brengen, de

Sturm und Drang, die in hen bruischt, te begrijpen en te deelen. „Och

ma? ma is zoo ouderwetsch, met ma kun je nooit es over zoo iets praten,

ma is een goed mensch maar ze is zoo heelemaal niet met haar tijd

meegegaan!” Dat hoor je tegenwoordig aan alle kanten schouderophalend

zeggen, en ’t is wreed voor zulke moeders, na een leven van goed

bedoelde toewijding, als de materieele zorgen zijn afgeloopen,

eigenlijk niets meer in het leven van haar kinderen te beteekenen. Maar

waarom hebben zij er dan toch ook nooit eens aan gedacht, dat het

honderd maal gelukkiger is voor een kind, een ontwikkelde moeder te

hebben, die ernstig belang heeft gesteld in de levensvraagstukken van

haar tijd, zoodat zij later een vriendin voor haar kinderen kan zijn en

ze leiden kan met haar meerdere ervaring door het labyrinth der

nieuwere gedachten, dan een moeder die dag op dag kasten heeft

opgeruimd of verstelwerk heeft gedaan.

O! niet dat ik verstellen minacht, hoor!”—lachend wees zij op tafel

naar haar keurige naaidoosje en een stapeltje kinderkleertjes

daarnaast—„maar ik zou, als het moest, de kleintjes nog liever met

kapotte kousen laten loopen, en nog liever geef ik ze grove eenvoudige

kleertjes, die weinig onderhoud eischen en laat ik er nou ’n arm

vrouwtje wat aan verdienen—nu ik zelf verdien, kan ik ook eerder wat

gehuurde hulp betalen, nietwaar?—dan zoo’n moeder te worden wier

kinderen geestelijke weezen zijn! Met mijn zangstudies en lessen heb ik

natuurlijk zoo heel veel tijd niet over, maar ik stel tenminste overal

belang in! en een paar noodige bezoeken en

avondjes-waar-je-heusch-niet-af-kan, laat ik tenminste meestal in den

steek om es iets moois te lezen, geen nieuw romannetje, bedoel ik, maar

iets goeds, dat mijn gedachtenkring een beetje kan verruimen.”

Ademloos had Bella toegehoord. Ze vond er een prikkelend genot in, om

dit alles, dat ze zoo dikwijls vaag had beseft, zoo duidelijk, als iets

heel gewoons te hooren zeggen. En zij voelde dat het waar was! Bij

zichzelf en verscheiden vriendinnetjes had ze het immers gezien, hoe

moeders, die het toch o! zoo goed meenen, een belemmering kunnen zijn

door haar bekrompen denkbeelden en hoe weinig waarachtige gezelligheid

er soms in de nabijheid van zulke vrouwen is.

„Maar Marion. Ik wou je toch nog even iets vragen.”

„En dat is?”

„Geloof je toch niet dat de kleine kinderen er onder zullen lijden, als

de moeders ze vroeg aan vreemden moeten overgeven om weer te gaan

verdienen?”

Marion schudde het hoofd:

„Als de vreemde hulp goed is, kan het geen kwaad dat het kindje er al

vroeg een gedeelte van den dag aan wordt toevertrouwd, en je begrijpt,

ontwikkelde vrouwen, die ’t leven ernstig hebben leeren inzien, zullen

op dat punt van hulp, heel wat strenger, consciëntieuzer zijn, dan de

meeste tegenwoordige vrouwtjes, die toch z.g. uitsluitend leven voor

haar hooggeprezen huishouden, maar minnen, kindermeiden en bonnes

nemen, waar ik mijn kleine prulletjes voor geen millioen aan zou

toevertrouwen! Overigens, wij gaan in de economische toestanden zulke

groote veranderingen tegemoet, dat er volstrekt nog niet te voorspellen

valt hoe precies de toekomstvrouw haar loonarbeid met haar

moederplichten zal combineeren. Sommige staathuishoudkundigen zeggen

dat men eenmaal tot de erkenning zal komen, dat nieuwe levens aan de

wereld schenken en die opvoeden zulk een bij uitnemendheid gewichtig en

nuttig werk voor de gemeenschap is, dat het niet langer aangaat de

vrouw die die prachtige taak volbrengt, materieel absoluut afhankelijk

te laten van den een of anderen man, die heel onvoldoende, slecht zelfs

voor haar onderhoud zorgen kan. Men zal dan inzien, dat het onbillijk

zou zijn om in die uiterst belangrijke periode van haar leven ook nog

anderen arbeid van de vrouw te eischen, en zoo doende zou men er

volgens hen, van zelf toe komen om op kosten van den staat, als je

liever wilt van de gemeenschap, de vrouw te onderhouden, gedurende die

jaren dat zij jonge kinderen heeft te verzorgen. Bij een niet al te

groot gezin zou dat betrekkelijk maar een kort tijdperk hoeven te zijn,

en op die wijze zou zij zich onafhankelijk en onbezorgd aan haar

grooten arbeid kunnen wijden. Anderen daarentegen gelooven niet dat het

zoo zal gaan, maar dat bij een algemeen korten arbeidsdag, geholpen

door uitstekend ingerichte Fröbeltuinen en volmaakte crèches de vrouw

zal kunnen voortgaan in haar betrekking, ook in den tijd dat zij kleine

kinderen heeft, alleen nu en dan een groot verlof nemend, dat aan

mannen nu toch ook dikwijls om gezondheidsredenen wordt toegestaan.

Enfin, hoe zich dat alles schikken zal, moeten we afwachten, men kan er

nu nog onmogelijk met eenige zekerheid profetieën over verkondigen, en

ieder moet nog maar voor zich zelf individueel trachten een oplossing

te vinden voor dit moeielijk probleem. Alleen dit is zeker, we gaan

onherroepelijk die richting uit, dat de vrouw zich niet langer door den

man zal laten onderhouden maar haar eigen brood zal willen en moeten

verdienen! Gelukkig echter worden zulke nieuwe toestanden niet

theoretisch door den een of ander uitgedacht, en op een goeden dag

ingevoerd. Langzaam groeien zij op uit het verlangen en de behoeften

van velen, zoodat de vrouwen zelf, voorgelicht door haar moederlijk

instinct, veel zullen kunnen doen, zoodra zij in de regeeringszaken

mede stem hebben gekregen, om de omstandigheden zoo gunstig mogelijk te

maken om, zoo als ik, èn moeder èn arbeidster tegelijk te kunnen zijn.”

Isabelle zag peinzend, nog niet volkomen voldaan:

„Ja .... maar .... ken je de ouwe mevrouw Planting, die zoo tegen de

emancipatie ijvert? Zij zegt altijd: de kinderen zullen te kort komen

als de getrouwde vrouw gaat verdienen, omdat zij dan die eigenaardig

weldadige koestering zullen missen, die de moeder alleen kan geven. Of

geloof je daar niet aan?”

„Ja zeker wel!” zeide Marion warm. „Tenminste bij veel moeders, ook

volstrekt weer niet bij allen. Generaliseeren is altijd zoo verkeerd!

Maar ik ben overtuigd dat de weldadige inwerking van dien liefdegloed

die van de moeder uitgaat, niet zoozeer afhangt van de quantiteit als

van de qualiteit der uren, die de vrouw aan haar kinderen wijdt. Ik

weet bijvoorbeeld, verscheiden dames die zich zelf houden voor

toonbeelden van moederlijkheid, maar die, òf door haar mondaine

plichtjes, òf door haar gesloof en gedraaf—en goeie Hemel, wat

vergrooten ze haar drukte dikwijls nog door allerlei vooroordeelen en

onpractische omslachtigheden—zoo moe zijn ’s avonds, dat, als de

kinderen uit school komen, ze niets hooren dan: „Wees toch stil jongen,

kinderen wat maak je ’n leven! Wat ben je toch lastig, zus!” En zoo

gaat het voort! De kinderen worden afgesnauwd of stilgehoûen en in hun

scherp kritische oogjes verliest het moederbeeld veel van zijn

stralenkrans. Terwijl ik bijvoorbeeld, die ze toch het grootste

gedeelte van den dag niet zie, altijd weer even verrukt en verkwikt ben

als ik de kleine vrouwtjes weer bij me heb. Het is voor ons altijd

opnieuw een feest, als we samen zijn, niet waar, Daisy? en ik durf

gerust voorspellen dat mijn invloed op de kinderen, het gevoel van mijn

liefde, sterker bij hun zal zijn dan dat heel dikwijls het geval is in

gezinnen waar de vrouw den heelen dag in haar huishouden bezig is. En

waarom ook niet? Vaders, die maar enkele uren aan hun kinderen kunnen

wijden, hebben toch immers ook wel eens méer invloed op hen, dan de

moeders die voortdurend bij hen zijn!

Ziezoo, ben je nou voldaan, nieuwsgierig meisje? Je ziet wel, dat al

verdien ik voor ze mee, de roosjes niet minder mooi bloeien op de

koontjes van mijn kleine deugnieten!”

En ineens, met een beweging van hartstochtelijke innigheid nam Marion

Noorman het kindje op en hield het op haar schoot, het knuffelend en

kneuterend en kussend in jubelende weelde, tot het het uitkraaide van

pret.

„Maar Marion, wat vindt je man er van, vindt die ’t eigenlijk wel

goed?”

Marion kleurde, en langs haar voorhoofd steeg op eens een warme gloed

van geluk, die haar oogen liet stralen:

„Mijn man? O! die is erg trotsch op me, veel te trotsch, zie je, want

het beteekent immers niks! Alleen zou hij wel graag zelf iets meer

verdienen, dat ik niet zóóveel les behoefde te geven. Want het zingen

zou ik nooit laten; dat is nou eenmaal een talent, dat me is

toevertrouwd om er mee te woekeren, en dat ik dus niet begraven mag. De

schatjes zouden het mij later eerder verwijten, dan er mij dankbaar

voor zijn. Maar al die lessen, begrijp je, zijn wel wat vermoeiend soms

en die doe ik alleen voor de Levensverzekering. Maar ik zeg altijd

tegen René: Tob er nou toch niet over, man! Iedereen moet zich wel es

vermoeien! En ons leven, zooals het nu is, is immers zoo heerlijk, dat

je heusch niets meer verlangen kunt! Het volmaakte bestaat eenmaal

niet, en o! je weet niet hoe innig, innig gelukkig we zijn!”

Hilda van Suylenburg · 第 23 / 35 段