staarde naar buiten, een oogenblik Hilda vergetend. Toen, opeens voelde
ze een zachten kus op haar hand die in haar schoot lag.
Hilda was naast haar neergeknield, en sidderend, als bij een gelofte,
zeide ze dringend, met haar stem warm van tranen:
„Corona! wat moet ik doen? Zeg maar wat je wilt .... ik zal alles doen!
.... Corona, alles!”
De jonge doktores zag neer op het opgeheven gezichtje. Zij kende deze
oogenblikken, waarin de jonge ziel in vurig enthousiasme tot elk offer
bereid is, om redding te brengen. Zoo hadden schoone Romeinsche
patriciennes gevoeld, toen zij haar weeldeleven verlieten, om den
godsdienst van liefde en ootmoed te aanvaarden, die dikwijls van haar
eischte den vreeselijksten dood in het arena; zoo hadden jonge
edelvrouwen in de middeneeuwen gevoeld, die eer en macht aflegden om
strenge kloosterorden te stichten, waar ze wilden bidden voor de zonden
der wereld; zoo hadden zoo ontelbaar vele vrouwen gevoeld, die de
verschrikking van het slagveld en de droeve vermoeienis van het
hospitaal trotseerden om lijden te verzachten; zoo ook hadden gevoeld
de dappere vrouwen, die niettegenstaande bedreiging, verdachtmaking en
spot in het eerste gelid hebben gestreden bij elken geestelijken
vrijheidsstrijd, of die heette godsdiensthervorming, slavenemancipatie,
vrouwenontvoogding, of strijd tegen vivisectie en dierenmishandeling,
tegen prostitutie of tegen alcohol.
Helaas, in vele van onze kleinvoelende burgerlijke kringen is men maar
al te dikwijls geneigd dit mooie jonge voelen voor „overdreven” uit te
maken, voor overspanning, het daarmee ter dood veroordeelend. En toch,
wee over de jonge ziel, die in een worsteltijdperk als het onze, nimmer
dit liefdeënthousiasme in zich voelde.
„Wat moet ik doen, Corona!” herhaalde Hilda. „Zal ik, zoo als jij, gaan
studeeren? voor dokter? Zal ik pleegzuster worden? Zal ik ..... Zeg
maar wat ik doen kan, ik wil alles! .... Maar zeg het dan toch!”
Corona zag haar een oogenblik ernstig aan, toen zeide ze langzaam: „De
ellende die wij vanmorgen hebben gezien kan de liefdezuster en de
dokter wel lenigen, maar niet genezen, omdat zij grootendeels uit
wettelijke en sociale misstanden voortkomt. Binnen eenige jaren zal ons
wetboek herzien worden, en waarschijnlijk zal er dan niet eén vrouw
zijn, die haar stem als rechtsgeleerde daarbij kan laten hooren, en dat
zou jij kunnen voorkomen, Hildy! Waarom zou je niet in de rechten
studeeren? Natuurlijk zijn er vrouwen genoeg die het wetboek vrij
aardig kennen, maar nooit kunnen die officieel den invloed hebben van
haar die dezelfde examens hebben afgelegd en denzelfden graad hebben
behaald als de mannelijke rechtsgeleerden. En het zal toch zoo noodig
zijn dat de vrouw bij die behandeling zich zelf vertegenwoordigt!
Zeker, er zullen knappe en edelmoedige mannen zijn om onze zaak te
bepleiten, maar iedere soort wordt nu toch eenmaal het best door een
van zijn eigen leden gerepresenteerd en een hoogstaande vrouw kan toch
altijd beter, intenser weten dan een man, wat de vrouw verlangt, wat
haar toekomt en nuttig is!
En dan, wat zou een vrouwelijke rechtsgeleerde voor veel vrouwen een
redding zijn! Voor een massa, die in ellendige omstandigheden zijn, wat
’n uitkomst om tot een knappe beschaafde vrouw te kunnen gaan om advies
en raad. Een vrouw kan een andere vrouw soms met ’n enkel woord
begrijpen, waar voor ’n man een lange, pijnlijke uitleg noodig zou
zijn. Begrijp je me? Natuurlijk zou ik niet willen dat je de eindeloos
lange rij leegloopende, onbeduidende advocaatjes nog ging vermeerderen
met één: Ik zou van je vragen dat je je rechtskennis gebruikte om met
al je kracht te werken om het onrecht uit ons wetboek te verwijderen,
en om diegenen te helpen die er nu onder lijden!”
Hilda zat stil neergehurkt en scheurde met zenuwachtige vingers haar
zakdoek in kleine stukjes. In haar groote opwinding, de verbeelding tot
het uiterste gespannen, kwamen en gingen haar gedachten in duizelende
snelheid. Zij dacht aan een hoop droge boeken, die ze zou moeten
doorworstelen, en aan examens waar ze erg tegen op zou zien, aan de
vijandige ironie van thuis, aan Cranz, die nu misschien boos op haar
was, en hoe hij met zijn voornaam, vernietigend spotlachje spreken zou
over haar, maar toen ook tegelijk, als in een apotheose stelde ze zich
zelve voor te midden van een groote vergadering. Zij voelde de angst,
koud, met warme prikkels langs haar ruggestreng, van daar te midden van
die allen te moeten spreken en toen toch ook ineens de weelde van te
kunnen spreken. Met gloeiende woorden zou ze het zeggen het onrecht,
het domme, wreede, dat de wetgevers generatie na generatie hebben laten
voortbestaan.
„Dagen, maanden, jaren lang hebt gij vergaderd, geredetwist over
allerlei kleinigheden, maar om rechtvaardigheid te schenken aan het
grootste deel der bevolking, de vrouwen, zeker niet het minst
belangrijke, omdat het de moeders, de opvoedsters bevat, dáárvoor hebt
ge geen uur tijd gevonden!” Dat zou ze zeggen, en de vergadering zou
onder haar woorden trillen. Maar zooals het dikwijls gaat in
oogenblikken van opgezweepte emotie, kwamen er nietige details met
tergende duidelijkheid om aandacht vragen. Zij dacht er aan of ze dien
dag zwart fluweel of donkerblauw laken zou dragen, en of er een sleep
niet mooi bij zou staan en dat ze niet verkouden moest zijn, en aan wie
ze invitatiekaarten zou zenden. Maar ze werd woedend op zich zelf om al
die nonsensgedachten. Onze grootmoeders schreven zulke grillige
invallen in zeer ernstige oogenblikken toe aan inblazingen van kleine
duivels, maar voor haar was het misschien een kleine engel, die
waarschuwde in dit geboorteuur van haar carrière dat ze waken moest
tegen ijdelheid en eerzucht. Eerzucht? was ze werkelijk verlangend naar
eer? Een oogenblik trachtte ze diep in zich zelf door te dringen,
onderzoekend of ze zich vatbaar voelde voor de onreine drijfveer van
succesjacht. In het gewone leven der vrouw is er geen plaats voor
eerzucht, daar heerscht alleen haar tengere tweelingzuster, de
ijdelheid. Maar als zij haar leven breeder ging opvatten, werkend in de
groote maatschappij, zou ze moeten waken tegen het onzuiver zoeken van
eigen glorie. Maar toen zag ze weer voor zich de roodschrijnende striem
op het voorhoofd der zwangere vrouw, het bleeke jongetje met het
afgezette beentje, Marietjes oogen vol schaamtewanhoop en de dreigende
verbittering van den ouden koetsier en ze wist dat ze zich zelve zou
kunnen vergeten, als ze ging werken om zulke dingen te verbeteren. „O!
een klein beetje te kunnen meehelpen!”
Zij zag weer op tot Corona, kalmer nu, met bijna een glimlach: „Ik zal
het doen, Cora, je hebt groot gelijk, dat zal het beste zijn.”
„Nee, nee,” zeide Corona haastig, „je moet niet dadelijk je besluit
nemen. Nou ben je nog te sterk onder al die treurige indrukken, je moet
heel kalm en ernstig met je zelf overleggen. Ik zou je niet tot iets
willen overhalen, waar je later spijt van hadt. Als je zoo iets begint,
moet je het ook volbrengen, en het zal niet makkelijk zijn! Maar toen
je het me zoo vroeg, kon ik toch niet nalaten om je den weg te wijzen,
dien ik je zoo graag zou zien ingaan.”
Een poosje zaten zij samen stil in het weldadig uitrustend,
vredebrengend zwijgen van twee, die groote vriendschap bindt. Toen
begon Corona weer te spreken.
„Er is in den laatsten tijd heel veel geschreven en geroepen over het
onrecht dat de man aan de vrouw heeft aangedaan, alsof het twee
vijandelijke abstracte machten waren, die elkaar voortdurend trachtten
te doen lijden, in plaats van levende individuen, wier levens, dan in
liefde, dan in haat, in elkander grijpen. Natuurlijk, daar aan de eene
kant de macht, aan de andere de afhankelijkheid was, is er veel
misbruik van macht geweest bij den man, daar was hij mensch voor, maar
hem ’n verwijt van die macht te maken is dom en erg onwijsgeerig. Dat
hij de macht had is ’n bewijs dat het zoo zijn moest, dat het een
noodwendigheid der tijden was! Soms wordt het tegenwoordig bijna
voorgesteld alsof in den oertijd de man tegen zich zelf had gezegd:
„ziezoo, nu zal ik voortaan de baas zijn en de vrouw, zooveel ik kan
onderdrukken!” Natuurlijk zijn bij den primitieven onbewusten mensch de
verhoudingen ontstaan, zooals die ontstaan moesten, geboren en gevormd
door de omstandigheden, de oogenblikkelijke belangen van het ras. En
zoo is het ook met de latere tijden. Elke eeuw leeft alleen bij het
schijnsel van haar eigen licht. Men kan evengoed aan de vroegere eeuwen
verwijten dat zij de stoom en de electriciteit niet hebben gekend, als
dat ze slavernij hebben gebillijkt, oublietten, foltertuigen en
brandstapels hebben gehad en de vrouw hebben vernederd. Elke tijd heeft
zijn eigen ideaal, zijn eigen doel, zijn eigen sociale opvatting, en
wie de maatstaf van negentiendeeeuwsche rechtvaardigheidstheorieën en
humanisme wil aanleggen aan vervlogen tijden, doet eenvoudig iets
ontzettend doms. Maar nu men in deze eeuw, voor wie blijkbaar de taak
van sociale rechtvaardigheid is weggelegd, het duidelijk heeft ingezien
dat de vrouw ontvoogt behoort te worden, hoor je aan alle kanten
klachten en verdenkingen tegen den man. Telkens ontmoet je dames die
over de zelfzucht en tyrannie van den man met verontwaardiging zitten
te praten, zoodra er van misstanden in de maatschappij sprake is, maar
weet je wat ik dan denk? Dat de tijd is gekomen, dat wij niet langer
anderen mogen aanklagen, maar ons zelf behooren af te vragen, wat deden
wij, vrouwen, voor onze zusters? Ken je de droomen van Olive
Schreiner?” [8]
Hilda schudde het hoofd.
Toen zachtjes, bijna fluisterend, alsof ze een geheimzinnige opdracht
had, begon Corona het sprookje te vertellen, en Hilda luisterde met
gesloten oogen, neergehurkt op den grond.
„Een ziel stond voor den troon van God en God vraagde haar waarom ze
gekomen was. En zij zeide, zij was gekomen om haar broeder, den man,
aan te klagen.
„Wat heeft hij gedaan?” zeide God.
En zij zeide: „Hij heeft mijn zuster genomen en haar vernederd, haar
verwond en bezoedeld en nu ligt ze neer, uitgeworpen in de straat. Zijn
handen zijn rood van haar bloed en ik ben gekomen om met hem in het
gericht te gaan. Ontneemt hem zijn koningschap, want hij is het
onwaardig, en bekleedt er mij mede, mijn handen zijn rein van zonden.”
En zij, trotsch, liet ze zien.
Maar God zeide: „ja uwe handen zijn wit, maar uwe voeten?”
Zij lichtte den zoom van haar kleed op en ziet, hare voeten waren
bloedrood.
God sprak: „Wat is hiervan de beteekenis.”
„O Heer!” zeide zij, „de straten beneden in de menschenwereld zijn vol
onreinheid en vuil. Als ik er gewoon middendoor liep, zou het mijn
kleed bevlekken, en gij ziet, hoe mooi wit het is. Daarom zette ik
voorzichtig mijn voeten alleen dáár waar ik wist, dat de modder mij
niet raken kon.”
„Maar waarop zettet gij dan uw voet? Wat lag er tusschen u en de
modder, waarop uw voet kon treden?” zeide God.
Toen was zij stil en liet haar kleed diep vallen en ging zachtjes heen,
het hoofd omsluierd, bang dat de engelen haar zien zouden.
Maar een poos later stond zij weer voor Gods troon, nu niet alleen, een
andere vrouwenziel stond naast haar.
„Hoe is het dat ik u heden te zamen zie?” zeide God.
En zij antwoordde, wijzende op de andere: „Zij lag op den grond buiten
op de straat. De man had haar neergeworpen en de vrouwen gingen
gedachteloos, in witte kleeren over haar heen. Toen strekte ik mij
naast haar uit op den grond, en zij sloeg haar armen om mijn hals en
zoo lichtte ik haar op en wij stonden naast elkaar.”
„En wien zijt gij nu gekomen om aan te klagen voor mijn troon?” zeide
God.
Maar zij zeide: „Niemand Heer. Alleen wij smeeken u, spreek tot het
hart van den man, en geef ons een opdracht voor hem mee, opdat hij
leere verstaan.”
„Ga heen,” zeide God, „en breng hem de boodschap.”
„Welke boodschap,” zeide zij.
„Die thans in uw harten geschreven is, ga en breng haar. Als de wereld
uwe liefde ziet, zal zij uw boodschap verstaan.”
„Dat is het,” zeide Hilda, „en ook ik heb de boodschap verstaan!”
„Natuurlijk is dit sprookje meer speciaal bedoeld voor de zondig
gevallen vrouw,” zeide Corona, „maar je kunt het toch ook algemeener
opvatten en dan lijkt het mij altijd typisch voor de verhoudingen.”
„Wat kun je prachtig vertellen, Cora!” en in meisjesachtige verrukking
wierp Hilda zich op haar schoot, sloeg de armen om haar hals en kuste
Corona met die jonge onstuimige innigheid waarmede zij niemand meer,
sinds den dood van haar vader, gekust had.
„Hildy, wil je me een ding beloven? spreek er dan vandaag en morgen nog
met niemand over. Heusch je moet heelemaal rustig en alleen je nieuwe
leven overdenken. Het zal soms ’n moeielijke weg zijn, lieveling, en je
moet hem alleen inslaan, als een krachtige overtuiging, niet ’n
genereuse impulsie je er heen drijft.”
Hilda knikte. „Ik beloof het je! Ik ben heel zeker van m’n besluit,
maar daarom juist kan ik best wachten.”
In de wijde stilte van den nacht stond Hilda om half twaalf voor haar
open raam en luisterde naar de verre geluiden, die de lang nog niet
slapende stad geheimzinnig naar haar opzond. Een ver, dof geruisch was
het, als het onderaardsch dreigend gerommel van een vuurberg en zij
strekte de handjes uit in een onbewuste beweging van omarmen en zag
toen starend neer in de stil deinende bladerzee beneden zich van de
boomen van het Nassauplein.
Het was al Vrijdagavond, en met niemand had ze nog een woord over haar
plannen gesproken, maar morgen zou ze het nu toch aan haar oom gaan
zeggen. Het was zoo heerlijk geweest in stilte het geheim te
liefkoozen. Wat had het haar op eenmaal een rust en klaarheid gegeven!
Dat verre doel, waarvoor zij nu voortaan al haar latente energie, zou
kunnen aanwenden, verkwikkend als een licht had het in de nevelige
vaagheid van haar toekomst gestraald. Een vast en bezielend doel was
immers het eenige wat evenwicht aan het leven kon geven van hen die het
ernstig met het leven nemen!
Gisteren was Adèle Brandon getrouwd, éen van Eugénie’s oudste
vriendinnen. Was het wonder, dat er zooveel leelijke treurige menschen
in de wereld waren, als er voortdurend zooveel treurige leelijke
huwelijken werden gesloten? Naam en fortuin was met naam en fortuin
getrouwd. Dat was alles, van liefde was er bij dat paar geen sprake. En
Moisette, die het wist, had hen in de Fransche kerk gezegend, hij die
bang was, dat het ideale zou verloren gaan, als de vrouw in de
maatschappij haar deel van ’t algemeene werk nam! Hij had welsprekend
kunnen zijn bij zulk een huwelijk, wat een onlogica!
Hij had van dienende liefde gesproken. De man, had hij gezegd, was de
gevende liefde, de beschermende, maar de dienende liefde was de vrouw.
Ootmoedig, lijdend, nederig, gehoorzaam, dienend in éen woord, moest ze
zijn en als zij ooit ophield zoo te wezen zou het einde dáar zijn van
de maatschappij.
„Dienende liefde!” zeide Hilda bijna hardop. „Ja, dat is het! Wat is
het een prachtig woord! Alles sluit het in zich van zelfvergeten, en
offeren en geduldig zijn en onvermoeid! Ja zeker, Moisette! het wezen
der hoogstaande vrouw is waarlijk dienende liefde! Maar niet in de
laffe, domme, belachelijke beteekenis, waarin jij het ons gisteren liet
zien! Nee, niet den man, haar medeschepsel, haar gelijke, haar broeder
zal ze dienen, de toekomstvrouw! maar met hem, naast hem dienen, in
mooie liefde vereenigd, de eeuwige idealen van barmhartigheid en
waarheid, schoonheid en gerechtigheid! Dienende liefde het wezen der
vrouw! ja, maar geen menschendienst mag daaronder verstaan worden.
Gods-dienst, in de hoogste beteekenis van het woord, moest het zijn,
het dienen van ’t hoog ideale, het Goddelijke!”
Met ’n ruk trok zij haar lijfje open en wierp het achter zich op een
stoel; de koele nachtlucht gleed streelend langs haar heete schouders.
En weer strekte ze de armen uit, alsof ze de wereld aan haar hart wilde
drukken.
„Ja, ik zal dienen!” zeide ze hartstochtelijk. „Het dienen uit vrijen
wil, dat verheft en vrij maakt, niet het dienen uit gehoorzaamheid, dat
vernedert! Zondagmorgen heb ik de wijding ontvangen, die voert tot den
hoogen dienst en ik zal trachten trouw te zijn! O! dienende liefde, het
zich wijden aan, het opbouwen van anderen en daardoor het komen tot
klaarheid voor zich zelf, het in volheid ontwikkelen van eigen
krachten. „Zoo wie zijn leven verliezen zal, die zal ’t zelve vinden!”
stond in het versleten testamentje van haar moeder, en nu verstond zij
de waarheid daarvan. Het groote leven ingaan, troostend, helpend,
reinigend en daardoor komen tot zelfvolmaking, d.i. zelfverwezenlijking
en zoo naderen tot God!”
Toen vouwde zij de handen op de borst in een behoefte om iets plechtigs
te doen. Bidden, in de beteekenis, die de traditie aan dit woord
gehecht heeft, deed ze niet, maar een diep religieuze aandoening klom
op in haar borst en vulde heel haar voelen. Juist het nog betrekkelijk
vage van haar toekomstplan gaf er een mysterieuze bekoring aan, die
voor haar zieleverbeelding visioenen van een heerlijk leven liet
opstijgen, en toch ook het weten dat zij al morgen kon beginnen met te
werken voor dat verre doel, gaf haar een rust, een
veerkrachtstinteling, die haar met dankbaren jubel vervulde.
Zij was gelukkig op dit oogenblik, en toen zij opzag in den stillen
zomernacht, de saamgevouwen handen stijf tegen elkaar gedrukt, in een
spanning van heel haar wezen en zij zag de sterren hun
ondoorgrondelijken glimlach van uit de eindeloosheid op haar
neerlichten, vulden zich langzaam haar oogen met tranen, tranen van een
mooi en vroom geluk.
Isabelle Pankaert, met gloeiende wangen, de handjes koud van emotie,
stond naast de piano en zong, terwijl mevrouw Noorman, de bekende
concertzangeres, aan wie Corona lessen voor haar gevraagd had, haar
accompagneerde. Toen bleven beiden een oogenblik verloren in de
jubelende extase van Bach’s Pfingstcantate.
„Heel goed, kindje! Dat heb je goed gezongen!” zeide Marion Noorman.
„Het gaat buitengewoon goed!”
Isabelle antwoordde niet, te gelukkig om iets te kunnen zeggen.
Toen Corona haar in het voorjaar was komen vragen of zij gratis les
wilde geven aan een arm meisje met ’n mooie stem, had mevrouw Noorman
het niet willen weigeren. Aan Corona kon men zoo moeielijk iets
weigeren, maar eigenlijk had ze het toch indiscreet en vervelend
gevonden. Zij had al zooveel lessen en haar huishouden met de
tweelingen nam toch ook tijd! Maar toen zij Isabelle’s stem gehoord
had, had zij geen spijt gehad van haar hulpvaardigheid; tegenwoordig
gaf zij haar zelfs tweemaal in de week les en het was een groote
vriendschap tusschen haar geworden.
„Belle!” zeide ze opeens. „Ik heb je nog wat te vertellen, of eigenlijk
een voorstel te doen .... Kun je nog even blijven?”
„Een voorstel?”
„Ja, ik zal je zeggen, de laatste week, heb ik verscheiden invitaties
gekregen om op concerten te komen zingen. In Zwolle en in Deventer en
in Middelburg, maar die zijn alle drie voor December en Januari en dan
kan ik niet ....” en zij glimlachte.
„Waarom niet?”
„Omdat .... zich tegen dien tijd een kleine baby heeft aangekondigd
....”
„O! Marion ....!” Verlegen zag Belle naar haar op, niet wetend of zij
moest gelukwenschen.
„Ja, het is wel ’n beetje lastig! en we zullen het Benjamin noemen in
de hoop dat dit het laatste zal zijn, maar eigenlijk vind ik het toch
verrukkelijk! De tweelingen zijn nou al vier jaar en zoo’n schootkindje
is zoo snoezig!”
Isabelle aarzelde even:
„Marion, je moet het niet gek van me vinden, maar ik heb het je al zoo
lang willen vragen .... mama zegt .... dat een getrouwde vrouw zich
alleen aan haar huishouden moet wijden en geen tijd voor iets anders
kan hebben, als zij het goed wil doen. Maar .... hoe doe jij dan toch?”
De naïeve gewichtigheid in de vraag amuseerde Marion:
„Wel, ik zou wel es willen weten of geldverdienen voor het huishouden
niet is: er zich aan wijden! Mij dunkt, het is een van de
allernoodzakelijkste dingen die men er voor doen kan!”
„Nee, mama bedoelt voortdurend met het huishouden bezig zijn!”
Marion knikte lachend:
„Ja, kindje, ik begreep je wel! O! er zijn nog een massa die zoo
redeneeren en mij erg beklagen of me verdenken van een slechte moeder
te zijn of het mijn man kwalijk nemen dat hij mij mijn gang laat gaan!
Maar ik lach ze tegenwoordig gewoon uit, du haut de ma grandeur de
femme heureuse! En ik zal je es gauw even zeggen hoe het eigenlijk er
mee zit. Zie je, als jonge dames trouwen hebben zij het gewoonlijk het
eerste jaar zoo druk met haar huishouden dat ze nergens meer tijd voor
vinden kunnen; dan komt er een kindje met al zijn zorgen, en dan wordt
de drukte, die al zoo vreeselijk was, nog grooter en daarna komt een
tweede en een derde, tot soms een negende en tiende en het vrouwtje,
dat het het eerste jaar zoo overstelpend druk had, heeft dan toch nog
tijd genoeg, ofschoon haar bediening en haar middelen dikwijls naar
verhouding maar weinig zijn toegenomen, om met de tiende baby te
spelen. Dat is het heele raadsel, zie je, het komt er maar op aan hoe
je je inricht, met wat oefening en orde kan de éen in een uur afdoen,
waar de ander den heelen dag mee zoek brengt, en ik ken vrouwen met
groote gezinnen die overal belangstelling voor hebben en allerlei doen
en toch de ziel zijn van haar familie en vrouwen met een of twee
kinderen, die nergens tijd voor hebben en door haar drukte niet eens
gezelligheid aan de haren geven. Zoo is het met geld verdienen ook. Ken
je Jeanne Goedbrandt?”
„Die fotograaf?”
„Ja, juist. Toen ze trouwde hadden zij en haar man, die zeeofficier
was, geen van beiden een cent, en hij ging maar op en neer naar de Oost
om toch maar te verdienen, en Jeanne bleef achter met telkens een
kindje meer en zij wisten nauwelijks hoe rond te komen. Toen zei ik
dikwijls tegen haar: Zet een fotografisch atelier op, want voor haar
huwelijk fotografeerde ze prachtig. En ik zei tegen haar: maak je
specialiteit van kinderfoto’s, je bent moeder en artiste, je weet hoe
en wanneer kinderen er het aardigst uitzien, en je kunt er goed mee
omgaan! Je zult zien dat je het druk krijgt! Maar dan keek ze
verontwaardigd. Een goeie moeder, vond ze, moest zich uitsluitend met
haar huishouden bezig hoûen.
Maar toen stierf haar man ineens in Indië, en natuurlijk, een klein
pensioen en vier jongens .... ze wist geen raad. Toen zette ze een
atelier op en het ging best. Je weet, het is een rage tegenwoordig,
alle babies komen bij haar en verleden, in het schemeruur, toen ik even
aankwam, vond ik haar met de vier jongens bijna op schoot, aan wie ze
sprookjes zat te vertellen. Toen kon ik toch niet nalaten om haar even
te vragen of ze nu geen goeie moeder meer was, nou ze geld voor haar
troepje verdiende.”
„En wat zei ze?”
„Ze zei met tranen in de oogen: Ik wou dat ik het gedaan had toen Henri
nog leefde, dan had ie niet zoo akelig zuinig aan boord hoeven te
zijn!”
Een oogenblik zwegen beiden.
Mevrouw Noorman zat nog op het pianokrukje, en een van haar kleine
gespierde handen voer telkens met een beweging van gewoonte door het
blonde kort afgeknipte voorhaar, dat als een wazig gouden krans om haar
slapen opstond en aardig deed bij het ronde rose gezichtje en de groote
blauwe kinderoogen. Zij zag er nog zoo jong uit, bijna als een
schoolmeisje en toch had ze heel wat te tobben gehad. Maar iets van een
vogel was in haar, en veel desillusie en zorg en pijnlijke momenten had
ze weggezongen tot er vrede kwam. En nu de laatste jaren was ze zoo
gelukkig: overal gevierd, haar huwelijk zoo mooi, en haar kinderen zoo
lief!
„O!” zei ze in eens met het meisjesachtige enthousiasme, dat zoo
bekoorlijk in haar was. „Je weet niet hoe heerlijk het is om voor de
kinderen te werken. Als ik geen kinderen had, zou ik toch het zingen
niet kunnen laten, maar nou is het nog zooveel prettiger! Eigenlijk
verdient mijn man wel genoeg om net van rond te komen, maar ik verdien
de levensverzekering van de schatjes hiernaast. Wil je ze es zien?”
En in een oogwenk, met een van haar lichte bewegingen stond ze bij de
tusschendeur, die de suites scheidde en lag geknield in een hoek van de
andere kamer waar de tweelingen speelden.