meubelen, in het laag neergelaten valgordijn, in de symetrisch
pronkende vaasjes op het kastje, dat terstond deed herkennen, dat
niettegenstaande het talrijke gezin zich bekrompen genoeg in het huisje
moest voelen, dit vertrekje gewoonlijk als mooie kamer werd beschouwd
en gespaard. Op den grond voor den schoorsteen was in der haast een
matras neergelegd, van boven uit de bedstee, en de vier jongens, die
gewend waren daar samen op te slapen, hadden sinds het ongeluk op de
planken gelegen, want Marietje was al sedert twee jaren het huis uit en
haar bedje van vroeger diende nu voor de drie kleinste kinderen.
„Hoe gaat het Marietje?” zeide Corona zich buigend tot het tengere
kinderfiguurtje op den matras, dat zich bij haar binnenkomen langzaam
had opgericht.
Een kleine bleeke vrouw kwam haastig uit de andere kamer aangeloopen.
Het was Marietje’s moeder.
„Wilt u ’n beetje zacht spreken dokter? Joseph ligt hiernaast te
slapen,” fluisterde zij en wendde angstig de rood ontstoken oogen naar
de deur achter haar.
„Dat zal ’m goed doen; hoe is het met hem?” vroeg Corona.
„Och, dokter ....” Een oogenblik stond het vrouwtje met een
zenuwbeweging, alsof ze haar handen moest afdroogen aan haar schort, en
haar blikken gingen hulpsmeekend even van Corona naar Hilda, alsof ze
steun wilde zoeken om kalm te blijven. Toen, plotseling, heel wit,
wendde ze zich af en barstte uit, in een zacht, troosteloos snikken.
„Wie is dat?” zeide Marietje, haar koortsige oogen op Hilda gevestigd
vol achterdocht.
„O! dat is maar iemand om me te helpen bij ’n paar zieken.”
Corona antwoordde achteloos, maar Hilda was het alsof ze weg moest
vluchten, alsof het leed hier te groot was om het als vreemde
toeschouwster te mogen bijwonen.
Intusschen was Corona neergeknield bij de zieke op den grond en had op
haar eigen rustige manier haar doktersplichten vervuld, maar ze vond
het meisje koortsig en maakte zich ongerust.
„Je moet stil blijven liggen, Marietje, beloof je het me? Anders kan ik
je niet gauw beter maken.”
„Ik wou dat ik nooit beter werd!” zeide het kind, met gloeiende oogen
onder de lange zwarte haren, die ongekamd in haar gezichtje neervielen.
Corona boog zich tot haar over en de blik van hare klaar grijze oogen
straalde neer in de ziel van het kind vol suggesties van teederheid en
bescherming:
„En wat zou er dan van je dochtertje worden? Het heeft immers niemand
als jou om voor haar te zorgen?”
„Waarom zorgt hij er niet voor? Hij is immers rijk genoeg! Het is
afschuwelijk gemeen, hij heeft me zoo dikwijls, zoo stellig beloofd om
te trouwen. Alleen veertien dagen geleden heeft ie eindelijk gezegd dat
het nooit kon. Ik begrijp nog niet dat ik me toen niet verdronken heb!
O! ziet u, als je denkt dat iemand vreeselijk veel van je houdt en je
merkt in eens dat ie je doodbedaard in de grootste schande laat zitten,
en ’t eigenlijk z’n koûe kleeren niet raakt of je voor goed naar den
kelder gaat! dan zou je .... op alle menschen kunnen .... spugen!” Ze
staarde norsch voor zich uit, in wilden opstand van haat en wanhoop.
Corona nam het kleine menschelijke popje uit het mandje naast de
matras, en schijnbaar zonder acht op Marietje’s woorden te slaan ging
ze voort:
„Kijk es, wat ’n snoezige handjes, heb je wel gezien hoe mooi die rose
nageltjes zijn? Is het geen engeltje uit den hemel? En zou je niet
alles willen doen, Marietje, om dit kindje ’n beetje gelukkig te maken!
Ze zal toch al zooveel missen, en zooveel harder door de wereld
behandeld worden dan anderen, maar jij kunt er ’n boel aan doen, en we
zullen er samen voor zorgen, nietwaar?”
En kennend de eigenaardige uitwerking op haast alle vrouwen van het
contact van zoo’n week klein kinderlichaam, legde ze het wichtje
zachtjes in Marietje’s armen.
Een oogenblik bleef de jonge moeder onbewegelijk, Corona strak
aanziende, uitdagend, het bleeke gezichtje vol passie, toen met een
schor gekreun, opeens gebroken, wendde ze zich om naar den muur, haar
kindje hartstochtelijk tegen zich aangeklemd, en Corona wist dat dit
smartelijk afwenden een redding was.
„Dokter is veel te goed voor haar!” fluisterde vrouw Roerade tegen
Hilda. „Ze heeft nog heelemaal niet op haar gescholden, heelemaal nog
niets dan vriendelijkheid en toch is ze zelf lang niet aan den lichten
kant.”
Corona had het gehoord en glimlachte droevig om de ruwe moraliteit
dezer moeder, die zich blijkbaar moeielijk kon voorstellen dat
zedelijkheid en zachtmoedigheid samen kunnen gaan:
„Waarom zou ik op haar brommen, vrouw Roerade? Waarom zoûen we blijven
stilstaan bij hetgeen voorbij is? Een heel leven ligt nu vóór haar om
te toonen dat de zwakheid van haar zeventiende jaar veranderd is in
sterkte en goedzijn. Nietwaar, Marietje? Nou ga je pas beginnen te
leven en ga je de achting van je kindje terug verdienen, dat, als ze
groot is, ze trotsch op je kan zijn. Je zult es zien, moeder, wat ’n
flinke brave vrouw je Marietje worden zal! Maar hoe zal het kindje
heeten? Heb je de geboorte al aangegeven?”
Marietje kreunde en boog het hoofd, het verbergend in de kleertjes van
het kind. De vrouw begon heftig te snikken.
„Och dokter, u kunt toch niet gelooven, toch niet, wat ’n schande we
daarmee beleefd hebben. Gisteren zeg ik tegen Joseph: je moet naar ’t
stadhuis gaan, morgen is ’t Zondag, dan kun je er misschien niet
terecht, en als je ’t zoo lang uitstelt, worden we nog beboet.—Ik kan
niet, zegt ie, en ’t was waar, dokter, hij zat nog net als u hem
Vrijdagavond hebt zien zitten, altijd maar op dien stoel bij de tafel,
net alsof ie versuft was.—Dan zal ik het doen, zeg ik—want u begrijpt,
dokter, in onze omstandigheden wil je de buren niet graag lastig
vallen.—Dat zal niet gaan, vrouw, zegt ie, ze zullen je niet gelooven,
omdat je ’n vrouw bent. Je mag niet getuigen.—Waarom niet? zeg ik. Ik
was er immers zelf bij toen ’t kind geboren werd, en jij zat maar in de
andere kamer. Ik kan het dus best getuigen, zeg ik.—Nee, zegt ie, voor
de wet heeft het getuigenis van ’n vrouw geen waarde!—Maar ik wou hem
niet gelooven, dokter, ik dacht dat z’n hoofd in de war was, en toen
ben ik gauw met de tram weggegaan, want ik wou ze hier niet lang alleen
laten, dat begrijpt u. Vlak bij ’t stadhuis dienen m’n twee zusters, en
ik wist wel dat je twee getuigen mee moet brengen, dus zeg ik tegen ze,
loop effe mee, ’t is ’t werk van ’n oogenblik!
Maar toen we op het stadhuis kwamen,—O! dokter, je kunt niet gelooven
hoe ’k beefde!—zag ik daar zoo’n mijnheer staan, zoo’n kleine dikke,
met ’n bril, kent u hem niet? „Wat is er moedertje?” zegt ie.
„Mijnheer,” zeg ik, „we komen aangeven, dat m’n dochter bevallen
is.”—„Waarom is haar man niet meegekomen?” zegt ie.—„Die heeft ze
niet,” zeg ik, maar ik dacht, dat ik door den grond zonk. Toen begon ie
te lachen, en riep er zoo’n andere mijnheer bij, zoo’n donkere, en ze
praatten even in ’n vreemde taal en lachten weer. „Dan moet je maar
zeggen dat haar vrijer meekomt, maar die twee meisjes kunnen niet
getuigen, vrouwtje.” „Waarom niet mijnheer,” zeg ik. „Dit bennen mijn
eigen zusters, knappe meisjes, die bij mevrouw Driessens dienen, hier
vlak bij, op ’t hoekje van de Nieuwstraat.” Maar wat denkt u dokter dat
die vlegel toen zegt? die....” een paar scheldwoorden volgden, die
Hilda nooit gehoord had en die vrouw Roerade misschien ook voor ’t
eerst in haar leven gebruikte, want zij was één van die deftige
burgervrouwtjes, die, vooral als zij met haar meerderen spreken, eerder
geaffecteerde woorden zeggen, dan ruwe.—„Vrouwen kunnen niet getuigen!”
zegt ie, „en je ziet maar weer aan je dochter, vrouwtje, dat het best
is dat het niet kan, want dametjes, die tot zulke grapjes in staat
zijn, kun je nooit gelooven!” Wezenlijk, dokter, dat zeid’ ie, en je
had dat brutale gezicht moeten zien. „En dan de sm....p,” zeg ik tegen
hem, „die m’n dochter heeft voorgelogen en in dien toestand heeft
gebracht en haar nou met z’n eigen kind in de ellende laat zitten, kun
je die dan wèl gelooven? Want die mag wel getuigen, omdat ie ’n man is,
een mooie boel!” En toen ben ik hard weggeloopen, maar ’t maakt je toch
van streek niet waar? En zou dat nou toch heusch waar zijn? dokter, dat
de getuigenis van ’n vrouw minder geldig is, dan van den eersten den
besten ellendeling van ’n man? Waarom zou dat nou toch zijn?”
„Ja waarom?” zeide Corona. „Wie zal het zeggen? In onze wetboeken
worden we immers telkens en telkens gelijk genoemd met kleine kinderen,
krankzinnigen en misdadigers! Alleen in strafzaken mogen we getuigen.
Daar kunnen ze ons natuurlijk niet bij missen, ofschoon daàr juist het
getuigen dikwijls heel pijnlijk voor de vrouw kan zijn, en juist daàr
soms een heele menschentoekomst kan afhangen van ons waarheidspreken.
Het is ’n onzinnige tegenstrijdigheid, maar zoo zijn nou eenmaal onze
wetten. En is toen Joseph gegaan?”
De vrouw zag angstig naar de andere kamer.
„Ja, maar onderweg naar huis is ie kennissen tegengekomen, en toen zijn
ze naar de kroeg gegaan en ... hij is dronken thuis gekomen. O! dokter,
’t is de eerste keer sinds we getrouwd zijn ...” Zachtjes snikkend
wendde ze zich af, het gezicht in haar schort. „En toen gisterenavond,
is ie weer uitgegaan nog maar half nuchter, want ie werd woedend toen
ik ’m vroeg wat ie ging doen, en vannacht is ie thuis gekomen .... O!
God.... heelemaal .... stomdronken!” En zij snikte het uit.
„En hoe zal het kindje heeten?” vroeg Corona zich tot de jonge moeder
buigend, die altijd nog lag afgewend.
Marietje draaide zich ineens om en met heftige beslistheid perste het
zich tusschen haar lippen uit: „Christine!”
„Dat is ’n mooie naam! Heet ze naar je moeder?”
In de oogen van het kind kwam een blik van vroegrijpe intelligentie en
met een vreemd naïef pathos, dat Hilda tot in de ziel ontroerde, zeide
ze:
„Naar Christus! Nou haar vader haar heeft verlaten, heb ik haar genoemd
naar hem, die gezegd heeft: Laat de kinderkens tot mij komen! en die
tegen de mannen zei, dat ze maar es eerst aan hun eigen zonden moesten
denken vóór ze de vrouw gingen steenigen!”
Corona bukte zich diep en kuste haar:
„Dat was goed van je bedacht! Marietje! Heb je dat zoo heelemaal alleen
verzonnen?”
Het kind knikte met een snik, die haar heele lichaam doorschokte.
En Hilda, bij het raam, tuurde in de stoffige straat en vroeg zich af,
door de woorden van het meisje in groote ontroering, waarom gevoelens
van recht en liefde toch zoo langzaam zouden zijn in het doordringen.
Negentien eeuwen geleden heeft Christus zijn liefde voor de kinderkens
gepredikt, daarbij niet sprekend van wettige of onwettige, allen waren
hem welkom en lief! en negentien eeuwen geleden leerde hij dat de vrouw
niet gestraft zal worden voor dezelfde zonden, die men den man
vergeeft, en nog altijd is de wereld wreed voor ’t kind dat door zijn
vader verlaten werd, en nog altijd wordt de vrouw gesteenigd terwijl
haar medeplichtige, de man, geëerd, met opgeheven hoofde rondgaat! Haar
geheele leven zouden Marietje en haar kleine boeten voor deze zwakheid,
dit te goed vertrouwen van haar zeventiende jaar! en de man die van
deze zwakheid misbruik maakte, en haar toen aan de schande overleverde
zou misschien eens de hoogste staatsambten bekleeden en het mooiste
reinste meisje zou misschien eens trotsch zijn om zijn vrouw te worden!
Wat was dat toch dat men in bloed en tranen twistte over dogma’s en
geloofsartikelen en dat geen van de gemeenten, die zich naar Christus
noemen, zijn eenvoudige liefdevoorschriften opvolgt?
Maar op dit oogenblik hoorde men schorre, vuile geluiden in de
achterkamer.
„O! God! Hij is wakker!” zeide vrouw Roerade.
Marietje had het hoofd weer afgewend en verborgen in de kleertjes van
haar kind.
De oude Joseph, ongeschoren, de grijzende haren in slordige plukjes
overeind, verscheen in de deur. De deftige koetsier met het goedige
gladde gezicht en de quasi voorname manieren was niet meer in hem te
herkennen. Ineens was het alsof hij gezonken was tot een lagere trap in
de maatschappij. Lispelend, met zijn nog dikke tong, terwijl hij steun
zocht tegen de post van de deur, zeide hij langzaam:
„Dokter, nou weet ik het precies! Vroeger zeien ze dikwijls tegen me,
Roerade, zeien ze, waarom ben je niet socialist. Loop heen met je
geleuter, zei ik, ik heb goed m’n brood, en daarmee uit, wat maal ik om
de socialen. Maar nou weet ik het. Ik was ’n ezel! dokter, ja zeker ’n
ezel! Ik heb er over zitten denken sinds het oogenblik, dat zij daar,
de schande hier heeft binnengebracht, en nou heb ik het in eens
begrepen. Ziet u, dáarom willen de rijke lui niks van het socialisme
weten, omdat er dan geen standen meer zoûen zijn en waar moesten dan de
rijke heertjes de meisjes vandaan halen om voor den gek te hoûen? Van
de meisjes van hun eigen stand zorgen ze wel af te blijven! Maar de
volkskinderen, wel ja, die zijn er immers voor? En als dat volk nou es
niet meer zoo laag bleef, dat ze er gerust op trappen konden, waar
zoûen ze dan hun pleizier vandaan halen? Ze hoûen ons dom en arm,—wat
doet de regeering voor de opvoeding van onze meisjes! Ze geeft er niet
zooveel centen voor uit als tientjes voor de zoontjes uit de deftige
stand—en dan maken ze ons wijs, dat God het zoo wil, en dan,
natuurlijk, je doet voor je kinderen wat je kunt, maar je bent arm, je
hebt geen dikke spiegelruiten en kanten gordijnen om je dochtertjes
achter te bewaren, ze groeien half op straat op, en zien daar ook niet
altijd het beste, en dan gaan ze de wereld in, onder vreemden, en dan
kunnen de rijke heertjes ze voor hun pleizier gebruiken en hun pa’s en
ma’s lachen er om en zeggen dat de zoontjes toch ’n beetje van hun
jeugd moeten genieten. Nou, daar heb ik alles van gezien bij Jonker
Frederik toen ik bij baron Herkelens diende, maar ziet u, daar komt de
klassenhaat vandaan, waar de socialen van praten.”
„Joseph, ik kan nou niet met je spreken, je moest nou liever eerst wat
gaan uitslapen, maar ....”
Maar, hij gewoonlijk zoo stil en onderdanig, scheen op eenmaal
ongevoelig voor eenigen invloed. Corona had het streng gezegd, maar
niets drong tot hem door en nog opgewondener viel hij haar in de rede:
„En zulke kinderen zijn immers zoo makkelijk te verleîen. Ze hebben zoo
weinig in haar leven en ze hoûen toch ook van wat mooi en fijn is, dat
kan immers de beste aangeboren zijn? en dan komt zoo’n Mijnheer met
presentjes en mooie woorden en is veel aardiger dan een van ons soort
menschen, die ’s avonds moe en bezweet van ’t werk komen, en dan ....
als je zoo jong bent, geloof je ook zoo gauw niet, dat al dat moois
maar bedrog is. Ziet u dokter, zoo gaat het, en dan zitten de heertjes
bij elkaar, ik heb het dikwijls gehoord, en zeggen dat de vrouw zwak
is! en ze lachen haar nog op den koop toe uit. Wat raakt het hun of er
een meer of minder van die schapen uit het volk te gronde gaat. Maar
intusschen ligt zoo’n kind hier, en huilt der oogen blind!”
Hij stond nu hoog opgericht, alleen nog met een hand zich steunend aan
de deurpost. In zijn ongeschoren gezicht, met de lichte wijdgeopende
oogen lag iets woest verbijsterds, en schor fluisterend hijgde hij de
woorden uit.
Tevergeefs had Corona een paar malen gepoogd hem tot zwijgen te
brengen; de gedachten die zijn arme, tot denken ongeoefende hersenen
dien langen nacht, na Marietjes bevalling hadden doorwoeld en die hij
nu, verward door halve dronkenschap en door de gesprekken in de kroeg,
voor het eerst trachtte weer te geven, konden niet worden
teruggedrongen. Hij moest ze uiten.
„Verdomme dokter!” zeide hij op eens met een topzware beweging, half
vertrouwelijk, half dreigend: „Ben ik niet altijd ’n oppassend man
geweest? Dat kunt u niet ontkennen! het is niet waar, u kunt het niet
ontkennen! u zou ’t niet durven ontkennen! Maar dat verzeker ik u, dat
als er ooit revolutie komt, zooals die lui van gisteren in de kroeg
voorspellen, dan zal hij, je weet wel wien ik meen, de eerste zijn, die
z’n huis ziet branden. Ik zal hem in stukken scheuren! zie je, dat
noemen ze klassenhaat!”
Hij zeide het met een onnoozele grijns van dommen machteloozen, haat,
die vreeselijk was om te zien.
Corona stond huiverend op uit haar knielende houding aan het bed. Deze
stem van den vader van het volkskind, wraak roepend tegen het cynisch
egoïsme waarmede men het misbruiken van het volksmeisje in de hoogere
standen als een natuurlijk, zelfs noodzakelijk kwaad beschouwt, had
voor haar een diepe algemeene beteekenis. In zijn opvattingen lag
verwarring en onkunde, maar in zijn instinctmatig voelen was groote
waarheid, dat het onrecht dat zijn kind geschied was, niet was, een op
zich zelf staand feit, maar voortvloeide uit de heele maatschappelijke
levensbeschouwing, die het kind van den arme straffeloos prijsgeeft aan
het genot van den rijke. Alleen, in zijn verbittering stelde Joseph het
te uitsluitend voor alsof het ongeluk, dat hem getroffen had, alleen te
wijten was aan het onrecht van de bezittende klasse tegenover de niet
bezittende. Lag de schuld niet veel meer aan het onrecht van den man
tegenover de vrouw? Van den man, die de wetten, heeft gemaakt zoó, dat
hij ongestoord, zonder vrees voor lasten en straf de vrouw kan
exploiteeren en haar alleen de ellende kan laten dragen voor hun samen
begane zonden? Het was het eeuwenoude beginsel van alle economische
misstanden: het recht van den sterkste, dat den zwakke verplettert. O!
wanneer zou toch een hoogere gerechtigheid een einde maken aan dat
recht uit den oertijd?”
„Vrouw Roerade, ik kan nou niet met je man praten, dat zie je wel; hij
moet eerst weer heelemaal bedaard zijn. Maar zendt ’m vanavond bij me.
Ik moet ernstig met hem spreken!”
De vrouw zag haar aan met angstig vragende oogen:
„Dokter is toch niet boos op hem? U moet maar denken, het is de eerste
keer sinds ons huwelijk, en hij weet nou niet wat ie zegt.”
In haar kleine bekrompen ziel, voortdurend neergebogen door het harde
leven was geen plaats meer overgebleven voor toorn of opstand. Zij
kende alleen het moeë berusten; zelfs nu in hun groot gemeenschappelijk
leed begreep zij niets van de verbittering van haar man. Zij was nu
alleen maar bang dat Corona zijn uitval kwalijk zou nemen en haar hulp
misschien onttrekken zou.
Maar Corona schudde het hoofd in een weeke ontroering van droefheid en
ontferming.
„Er is immers niets, om boos over te zijn tegen hem, vrouw Roerade. Het
is verkeerd van Joseph dat ie gedronken heeft, heel verkeerd, maar z’n
verontwaardiging is recht.”
Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een
zwakheid, tegenover Corona’s sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een
poos zwijgend naast haar voort.
Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van
onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht:
„Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je ’n
sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar
het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien
armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.”
Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van
tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik
zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda:
„En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te
bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier
ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden
hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus’ naam gedoopten,
zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste
de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier
noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats
van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den
man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee
maten meet! en voor den man met ’n glimlachje spreekt van vergefelijke
jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren
gaan en onteerd zijn!
O! Hildy, dit is vrouwenemancipatie, dat al de Marietjes van de heele
wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen
worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd
door de wereld gaat!”
Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij
trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan
Marietje’s vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den
vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze
aarzelend:
„Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen
straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!”
„Ja zeker,” zeide Corona, „meisjes beneden de zestien jaar worden door
de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn
zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog
zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich
zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van
inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele
van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw
onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het
meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de
gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk
genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij,
om weerstand te bieden aan alle verzoeking!
O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer
historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn
geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het
wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd hebben
gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het
voor ’n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie
maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd,
moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende
angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad
heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid (?!) met haar! Maar ....
alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze
wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de
wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn
in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar
vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het
vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld!
Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de
rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoolang verkracht is, te
herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine
zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder
uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde,
precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons
wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade’s
lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen,
Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor
vechten op leven en dood!”
Zwijgend waren Hilda en Corona toen naar huis gereden, niet in staat
meer verder iets te zeggen. Corona was gewend aan al dit lijden en haar
activiteit om te helpen, om zich in de details te verdiepen, waardoor
zij leniging kon brengen, bespaarde haar meestal veel van den
smartelijken totaalindruk, dien een machteloos toeschouwer bij zulke
tooneelen ontvangt.
Maar dien morgen, gepreoccupeerd om na te gaan welken indruk het op
Hilda moest maken, en bij intuïtie meelevend hetgeen Hilda doorleefde,
had ze onwillekeurig, als met nieuwe oogen, de ellende, die zij
vertoonde aanschouwd. Eén dier bange stemmingen van groote deernis, die
haar in de eerste jaren van haar praktijk zoo dikwijls met wee hadden
vervuld, was ook nu weer over haar.
Wat Hilda betreft, nog altijd worstelde ze tegen de brandende tranen,
die verschroeiend tegen haar oogleden opstegen. Haar hoofd brandde,
rustig denken was haar niet mogelijk, éen voelen alleen beheerschte
haar: Helpen, redden, zich zelf geven voor al dit leed, goed maken de
zelfzucht, waarin ze al dien tijd geleefd had.