„Ik heb m’n been gebroken, juffrouw, ik kan niet opstaan.”
„Hoe komt dat?”
„Ik wou hard over ’t Voorhout loopen, naar ’n paar heeren toe, die ik
daar ginds uit dat huis zag komen, om hun ’n doosje lucifers te
verkoopen, maar het was zoo glad en toen ben ik gevallen.”
„En hoe lang lig je hier?”
„Ik weet het niet, juffrouw, maar toen ik gevallen ben, juffrouw, had
’t net tien uur geslagen.”
Een uur had het kind daar gelegen, met zijn gebroken beentje, en het
ergste was dat ’n stuk glas, dat half onder de sneeuw had bedolven
gelegen, door den val diep in zijn vleesch was gedrongen.
Voorzichtig had Corona hem opgenomen en in haar huis gedragen, en toen,
rillend van de koorts had hij haar zijn smartelijk kinderverhaal
gedaan. Zijn ouders dronken allebeiden en ’s avonds, als hij en de drie
andere kinderen thuis kwamen en niet de opgegeven som bedelcenten mee
brachten, kregen zij geen eten en harde slagen. Op zijn arm lichaampje
zag Corona er nog de sporen van. De andere kinderen hoefden maar
vijftig centen thuis te brengen, maar hij had zulke mooie blonde
krulletjes en zag zoo heel bleek en tenger en daarom kon ie altijd meer
ophalen en mocht niet thuis komen vóór ie vijftien stuivers bijeen had.
O! de wreedheid dier zoogenaamd goedige menschen, die geven aan arme
bedelkinderen op straat! Alsof niet de ouders hun schandelijke
kinderexploitatie zouden staken, als zij zagen dat niemand ooit iets
meer gaf! Alsof niet die z.g. goedhartigen, in onvergefelijke
onnadenkendheid, door hun giften, de luie of dronken ouders telkens op
nieuw aanmoedigden tot het uitzenden van hun kinderen om geld op te
halen, dat zij zelve niet willen verdienen? En zulke goedigen, in domme
zelfvoldaanheid, meenen dan nog kindervrienden te zijn!
Maar Corona, terwijl ze de wond uitwiesch en het beentje voorloopig
verbond, had zich angstig afgevraagd wat ze met Jaapje doen moest.
Morgen zou ze hem naar het gasthuis kunnen laten brengen, en daar zou
hij goed verpleegd worden, maar als hij dan genezen was, zou hij terug
gaan naar zijn ouders en hetzelfde leven zou weer voor hem beginnen,
tot hij zou ondergaan van ellende of opgroeien tot een deugniet als
zijn vader.
Maar dat mocht immers niet?
Toen had ze hem voorzichtig in een deken gewikkeld, haar rijtuig
besteld en midden in den nacht hem naar tante Ida gebracht, waar ze al
meer zulke patiëntjes gehad had.
„Niemand weet nou natuurlijk waar ie is!” zeide Corona, „niemand heeft
het flauwste vermoeden dat ik hem heb, en als ie nou genoeg hersteld
is, zend ik hem heimelijk naar buiten, bij goeie menschen, die ik ken,
en daar kan ie dan de eerste jaren ’n beetje bijkomen, want ’t arme
kereltje heeft in z’n zes levensjaren haast niets dan ellende gekend.”
„Hoe heerlijk, Cora, dat je hem zoo kunt redden! Verrukkelijk! Maar
waarom mag dat nou niemand weten?”
Corona zag haar aan, de grijze oogen vol ingehouden passie:
„Moreel is het natuurlijk goed wat ik doe! maar wettelijk ben ik
strafbaar. Wet en zedelijkheid staan dikwijls bitter tegenover elkaar!
Niemand mag een kind aan de macht van zijn ouders onttrekken! ook al
zijn die ouders gezakt tot het laagste peil! Niemand kan ’n hulpeloos
kindje redden, dan zooals ik, door geheime list. En weet je hoe dat
komt? De mannen die aangesteld zijn om over de wetten van ons land te
waken zitten ’s avonds warm in hun vroolijke kamers en spelen misschien
met hun eigen lachende kinderen, zonder zich te bekommeren of daar ook
kleinen langs de straat dolen, die niet naar huis durven gaan. En de
vrouwen dier achtbare heeren, als zij haar eigen gelukkige kinderen in
hun witte bedjes hebben goedennacht gekust, vinden het onvrouwelijk om
over wetten te denken! Wat deert het haar of daarbuiten duizende
kinderen zijn overgeleverd aan al de wreedheid van slechte ouders? O!
zeker, als het toeval haar met zoo’n mishandeld kleintje in aanraking
brengt, zullen ze er misschien heel goedig voor zijn, maar echt
belangstellen in die wetten, die zulke toestanden gedoogen, er met alle
kracht tegen ijveren, daarvan kan geen sprake bij haar zijn!”
„Hoe jammer,” zeide Hilda, „dat ie z’n beentje heeft moeten verliezen!”
„Ja! Het glas was zoo diep doorgedrongen, en de wond was zoo lang aan
de lucht blootgesteld geweest met niets er over, dan ’n vuil lapje van
z’n broek, dat ik haast dadelijk het beentje heb moeten afzetten. Het
ventje is lang in groot gevaar geweest.”
„En Suusje?”
„En Suusje?” zeide Corona, „haar verhaaltje lijkt wel iets op dat van
Jaap. Ze is het dochtertje van Rooie Leen, heb je nooit gehoord van dat
beruchte mooie meisje? Ze is het kind van een heel akelige vrouw en van
een onzer bekende kamerleden, z’n naam zal ik je maar niet zeggen. Ze
had een slechten aanleg en ’n nog slechtere opvoeding. Op een avond,
verleden maand, kwam ik langs het Huygenspark, en ik liep hard, want je
begrijpt, het is niet prettig daar in donker alleen te loopen. Maar op
een van de banken, zag ik een vrouw achterover leunen, half zittend,
half liggend, met ’n kind op haar schoot, dat huilde. Ik zag het
dadelijk, het was Rooie Leen, vreeselijk dronken, met haar kindje,
waarmee ik haar den laatsten tijd dikwijls had zien bedelen.
Een oogenblik had ik lust om maar gauw door te loopen, maar Suusje
huilde zoo, en kindergehuil maakt me nou eenmaal altijd naar. En toen
.... ik weet zelf eigenlijk niet hoe het idee bij me opkwam .... maar
in eens .... pakte ik het kind in mijn armen, en sloeg er m’n mantel
overheen en ging er mee weg. Niemand heeft me gezien en de moeder was
te dronken om iets te merken, en zoo gauw als ik loopen kon bracht ik
het hier in huis. Het is ’n gek gevoel, Hilda, om als een dief weg te
loopen en ik weet best dat het heel onvoorzichtig van me is, heel
overdreven, zooals de menschen het noemen, maar ik kon het niet laten!
Het was net alsof er een andere wil dan de mijne in eens macht over
mijn armen had gekregen en me dwong om het kind op te nemen; ’t was in
eens ’n hartstocht om te redden, die zoo geweldig in me opbruischte dat
alle verstandige bedenkingen, die gewoonlijk onze edelmoedige impulsies
in bedwang hoûen, in eens verlamd waren: „wat ’n last haal je je zelf
op den hals! je zult er nog es door in groote moeielijkheden komen! je
kunt toch niet alle slachtoffers helpen! wat moet je later met al die
kinderen aanvangen?” Al die wijze raadgevingen waren doodstil in eens,
alsof ze zich neerbogen voor een hoogere wijsheid, die me dwong om mijn
armen naar Suusje uit te strekken!
O! zie je, en er zijn genoeg van die heel deftige, verstandige
menschen, die natuurlijk zelf voor hun kinderen nooit honger of
mishandeling te vreezen hebben, die het verkeerd van me zullen vinden
en vol gewichtigheid zullen vertellen: dat, als je de kinderen
wegneemt, je de ouders lichtzinnig maakt en hun hun
verantwoordelijkheids- en plichtgevoel laat verliezen. Maar ouders, als
die van Jaapje en Suus en Liesbeth en van hun duizende lotgenootjes,
hebben immers getoond dat ze geen plichtgevoel meer kunnen verliezen,
omdat zij nooit zoo iets bezeten hebben! Het is roerend die zorgen voor
het verantwoordelijkheidsbesef van slechte ouders en daarbij het
absoluut vergeten van de belangen van het kind! Alsof het er voor de
maatschappij niet juist voornamelijk op aankomt om het kind te
behouden, het jonge geslacht dat de toekomst is, en dat over enkele
jaren, als de ouders lang dood zijn, zelf weer kleine kinderen zal te
verzorgen hebben!”
„Maar doen zulke menschen als Rooie Leen en Jaapje’s ouders geen moeite
om hun kinderen terug te vinden?”
„Ja zeker, maar gewoonlijk zijn ze huiverig om met de politie in
aanraking te komen en zoeken dus maar zoo’n beetje op hun eigen manier,
zonder de politie te waarschuwen. Dat maakt het voor mij erg makkelijk
om de kinderen verborgen te hoûen. Alleen Rooie Leen heeft nog al veel
drukte gemaakt, want Suusje hielp haar zoo goed bij ’t bedelen.”
En het kleine meisje, dat nu naakt op haar schoot lag, naar Hilda heen
houdend:
„Zie je die litteekens op haar beentjes, en hier, op haar ruggetje die
vlekken? Toen we haar hier uitkleedden begrepen we waarom ze bij haar
moeder op de bank zoo erbarmelijk gehuild had en al maar door gehuild,
toen ik haar zoo voorzichtig wegdroeg, den heelen weg over, en altijd
maar huilde toen we haar te drinken wilden geven. Want haar beentjes
waren open met diepe wonden, en op haar bloote rugje was ’n halve
notendop gebonden, waarin een levende spin, die haar voortdurend stak.”
[7]
„O! mijn God! Corona!”
„Och ja, freule, natuurlijk!” zeide tante Ida, „hoe meer het kindje
schreeuwde, hoe meer de moeder kon ophalen. Ziet u, dat is alweer die
.... gevloekte wreedheid van goedige menschen, die aan vrouwen met
huilende kinderen op straat geven en niet ééne seconde bedenken wat ’n
misdaad ze daardoor aanmoedigen!”
„Ja, tante Ida,” riep Corona heftig, „maar het is ook de gevloekte
wreedheid van onze wetgevers, die jaren lang vergaderen en praten,
praten, praten, maar nog niets gedaan hebben om het hulpelooze kindje
te onttrekken aan de macht van de laagste ellendigste menschen, als die
toevallig hun ouders zijn. O! ik weet wel dat je die wetten op de
ouderlijke macht historisch kunt verklaren, maar wat geeft het
mishandelde kinderen, of die wetten uit het Romeinsche recht voortkomen
of niet! Het is in alle gevallen ’n even groote schande dat ze nu nog
bestaan, en je zoudt es zien, als de kamers uit vrouwen waren
samengesteld geweest en zij hadden zulke toestanden niet weten te
verbeteren, hoe er als uit één mond zou geroepen worden: „Zie je wel,
de vrouw kan niets dan babbelen; voor de groote volksbelangen, die de
toekomst raken, heeft ze geen oogen!” En men zou gelijk hebben, maar
waarom roept niemand het dan nu tot de mannen van de wet?
Met Liesbeth is het immers ook dezelfde kwestie! Haar moeder was ’n
heel zedeloos meisje, ook al weer uit ’n dronkaardsgezin, en ’n vader
had ze niet, dat wil zeggen, die vond het makkelijker om haar maar aan
haar lot over te laten. Maar toen ze drie jaar was, vonden goeie
menschen haar ’n lief kindje en met toestemming van de moeder werd ze
weggezonden in ’n braaf flink gezin, waar ze uitstekend opgroeide. En
al die jaren zag de moeder niet naar haar om, niets was ze voor haar
kind, maar toch hield ze er volkomen het recht op. Ze leefde later met
een man, ’n kroeghouder, die haar mishandelde en samen dronken ze en
leidden ’n afgrijselijk leven. Toen hoorden zij op een dag dat Liesbeth
’n mooi meisje was geworden en ze begrepen dat ze veel geld van haar
konden maken en ze wilden haar weghalen van haar pleegouders. Maar deze
verzetten er zich tegen en weigerden het kind af te staan. Toen haalden
de ouders de politie en .... begrijp je? .... de politie zelf nam het
kind, het hulpelooze onschuldige weg van de veilige liefde van haar
vrienden en leverde haar over aan haar ouders!”
„En toen?”
„Natuurlijk, de ouders namen haar mee en vergden van haar wat ik niet
noemen kan!”
„En hoe heb je haar gered?”
„Het is ’n dapper kind. Ze weigerde hardnekkig. Maar den vierden avond
na haar thuiskomst, toen ze haar dwingen wilden, gelukte het haar, na
’n worsteling met haar moeder, het huis uit te loopen en kwam ze naar
me toegehold, want ik kende haar pleegouders in Haarlem wel. Toen heb
ik haar ’s nachts bij tante Ida gebracht, maar die vier dagen
opgesloten zijn in het achterkamertje van den kroeghouder in de
ontzettendste spanning en angst, toen die worsteling met haar moeder,
waarbij ze ’n paar leelijke stompen op de borst kreeg, en toen door ’n
guren wind het rennen naar mij toe met weinig, en aan flarden
gescheurde kleeren aan, dat alles heeft haar zoo vreeselijk
aangegrepen, dat ik lang bang ben geweest dat het tering zou worden.”
„Gaat het nou beter?”
„Ik hoop het!” Corona stond op. „Ziezoo, Hildy, nou ken je m’n
vreeselijk geheim! Maar ik weet dat ik op je rekenen kan! Zie je,
kinderen verlaten, ze mishandelen, ze ’s nachts in bittere kou laten
bedelen, ze dwingen tot rampzalige zonde, ze opvoeden tot een groot
gevaar voor de gemeenschap, zie je, dat mag bij de wet, maar wat wij
hier doen, tante Ida en ik, trachten ze te redden met opoffering van
eigen geld en gemak, dat is strafbaar! Is het niet curieus? En ofschoon
we door humane rechters nou misschien niet zoo heel zwaar gestraft
zoûen worden bij ontdekking, men zou ons het ergste doen wat we vreezen
kunnen, ons de kinderen afnemen en ze terugbrengen naar hun gruwelijke
omgeving. Wat ’n logica in zulke toestanden, nietwaar? De grootste
helft der gevangenissen is vol menschen die tegronde zijn gegaan omdat
men ze in hun jeugd in de macht liet van ellendigen, en degenen die dit
tegronde gaan trachten te voorkomen worden door de wet verlamd!”
Corona had Jaapje en Liesbeth nog onderzocht en met tante Ida over de
behandeling gesproken, toen, na veel afscheidshandjes en kusjes, waren
ze weggereden en het koetsje hield nu stil in de Zorgvlietstraat voor
één van die slopjes, die doodloopen en „Hofjes” genoemd worden in den
Haag.
Het was een van de allerkleinsten, aan elken kant maar vijf huizen,
lage smerige huisjes, waarvan een paar zoo diep lagen, met hun vloeren
beneden de oppervlakte van de straat, dat zij altijd vochtig waren en
bij harde regenbuien zelfs onderliepen.
In een dier huisjes zat ’n vrouw aan de tafel; haar ééne arm hing slap
in den schoot, de andere, afgrijselijk mager, ondersteunde het hoofd
dat voorover op de tafel lag.
Bij ’t opengaan van de deur zag ze even op met haar fletse,
bloedarmoedige oogen, een heel wit smal gezichtje, zoo mager dat, zoo
als het licht nu viel, er zich scherpe lijnen teekenden van af de
uitstekende jukbeenderen tot aan de kin, als was er ’n spookachtige
langwerpige driehoek overheen getrokken. Het haar was witblond en
krulde even om het smalle voorhoofd waarover dwars een bloedroode
striem liep.
Maar toen zij Corona herkend had, zonk het hoofd weer neer op den arm
met een slappe, nameloos geknakte beweging.
„Wel, vrouw Zwalve, wat scheelt er aan vandaag? Zie je niet dat ik es
naar je kom kijken?” zeide Corona.
Door de deur, die achter hen was blijven aanstaan kwam nu een klein
meisje van omstreeks vier jaren zachtjes binnen gewaggeld. Een
oogenblik zag ze onderzoekend verlegen naar de twee vreemde dames,
peuterde met ’n vuil vingertje in haar neusje en trok toen de vrouw aan
haar schort:
„Moeder .... m’n boterham, geef me nou toch m’n boterham!”
De vrouw sprong op met zenuwachtige kwaadaardigheid en Hilda zag nu dat
ze in een vergevorderde periode van zwangerschap was. Zij greep het
kind bij een armpje en schudde het zoo heftig dat het het uitschreeuwde
van schrik.
„Wat mot je nou weer hier? Alla der uit! Hê ’k je nie gezegd, dat je
pas om twaalf uur om je boterham mocht komen? Pas op as je der weer
inkomt!”
Met ’n smak sloot ze de deur achter het kind, dat men in de straat
hoorde voorthuilen, en zakte weer slap op haar stoel.
„Maar vrouw Zwalve, de kleine dee niks. Ze vroeg maar om ’n boterham.
Je moet niet zoo ruw tegen ze doen!”
„Maar ik heb immers geen boterham voor der, en daarom stuur ik ze de
straat op; als ze dan erg van den honger schreeuwt krijgt ze misschien
wel ’n korst bij de buren; juffrouw de Berg van hiernaast is nogal gek
op kinderen.”
Hilda huiverde, het leek haar ontzettend tragisch dat het moederliefde
was, die deze krampachtige hardheid had ingegeven. Dat was het beste
dus, wat deze vrouw voor haar kindje van vier jaren doen kon: het
schreiend „de straat op zenden.”
„Maar hoe komt het dan nou, dat je geen brood in huis hebt? Ben je van
de week niet uit werken kunnen gaan? Waarom heb je me dan geen
boodschap gestuurd?”
Iets in Corona’s hartelijke manieren scheen de moedelooze stugheid der
vrouw te breken.
„Ja, ik heb wèl de heele week uit werken geweest, en al de vorige weken
ook, ofschoon ’t me erg zwaar begon te worden, vooral de dagen dat ik
bij mevrouw Veren was, op dat bovenhuis, met al dat trappenklimmen!
Maar ik heb net zoo gedaan als u gezegd heeft: elke week van de zes éen
gulden in ’n doosje in de lâ weggelegd, voor de dagen dat ik moest gaan
liggen, en ik had er nou elf bij elkaar en dacht dat het nou wel net
gaan zou, maar jawel, hoor! ....”
„Is ie terug gekomen?” zeide Corona ontroerd.
De vrouw knikte.
„’t Is net of ie ’t ruiken kan! Hij stond me al op te wachten aan de
Veenka. Eerst nam ie me de gulden af, die ’k net gekregen had, en ’t
hielp niks of ik al zee, dat ik die gulden aan den bakker beloofd had,
omdat ik hem de heele week niet had kunnen afdoen. Natuurlijk, je heb
eerst de huur, en Stiene der schoenen moesten noodig gelapt worden, en
toen had ik den bakker maar tot Zaterdag laten oploopen. Hij zee niks,
maar as ’n hond liep ie me na, tot aan huis. Toen meende ’k nog de deur
voor z’n neus dicht te gooien en ’t slot om te draaien, maar ie had het
zeker begrepen, want ie had dadelijk z’n voet tusschen de deur. En toen
is ie me alles gaan nazoeken, want ie zee, nou ’k al zoo ver was, zou
’k zeker wel wat van de menschen gekregen hebben en ie moest geld
hebben.”
„En heeft ie ’t gevonden?”
„Natuurlijk. Hij was heelemaal nuchter, zeker in lang geen centen
gehad, en ie zocht heel bedaard alles stukje voor stukje na. Maar ziet
u, toen ie ’t doosje gevonden had en ik zag ’t in eens in z’n smerige
handen, kon ik m’n eigen niet meer hoûen! Ik ben op hem aangevlogen en
we hebben er als katten om gevochten. Maar, och God, als ik anders was
geweest, zou ’k wel hebben geworsteld tot ie ’t los liet, maar nou,
kijk es an, zoo als ik nou ben, met zoo’n lichaam, wat kun je doen? Hij
heeft me tegen de kast gesmeten, kijk, u kunt het zien, ik ging net met
m’n voorhoofd langs de punt en daar ben ik wel ’n kwartier blijven
liggen. En daar zit ik nou, op alle dag, en geen cent in huis!”
„Nou maar, vrouw Zwalve, je begrijpt toch wel, dat ik je niet zoo zal
laten zitten; ik zal zien wat voor je bij elkaar te krijgen ...”
„Och ja, dokter, u zult er me wel weer doorhelpen, dat geloof ik ook
wel, en ik ben u ook wel dankbaar!” zeide ze met een poging om in haar
slappe moedeloosheid niet onbeleefd te schijnen. „Maar zoo zal ’t nou
immers telkens gaan? Dit is nou de derde keer, dat ie me laat zitten
met die vijf schapen en dan kan ik er maanden lang voor opdraaien, en
net begin je bij te komen en weer ’n beetje in de kleeren, of ie komt
terug en neemt alles weg en mishandeld je of .... levert je zoo’n
koopje ....”—Met een rampzalig gebaar wees zij op haar schoot.—„Kijk
hij heeft gisteren ook weer alles meegenomen.”
Zij stond op en haalde de lade van de kast open, die leeg was.
„Kijk, de nieuwe luiers, die ’k net gekregen had, en de ponnetjes van
mevrouw Veren, zulke beste ponnetjes nog, en .... m’n Zondagsche goed,
dat ik uit de lommerd gehaald had, omdat ik dacht tegen het doopen
....”
In eens barstte ze uit in een kort tranenloos gesnik, en Hilda huiverde
bij het tragisch ironische van dit oogenblik, van die vrouw die in
matte kalmte haar smartelijk drama had verteld en het uitsnikte bij de
gedachte aan haar weggehaalde japon. Maar juist die verdwenen
Zondagsche kleeren hadden de maat doen overloopen; zij waren het
symbool geweest van weer knap voor den dag te kunnen komen, van de
stand en eer van haar gezin te kunnen ophouden (want het gevoel van
stand bestaat op alle sporten van den maatschappelijken ladder), van
zich weer eens te kunnen verheffen boven het absolute proletariaat, dat
er nooit meer eens netjes uitziet.
En heel deze illusie, die in haar donker eng werkleven een lichtpuntje
was geweest, was nu weg voor goed. Want zij wist dat hij altijd terug
zou komen, zoodra zij er weer even „boven op” zou zijn, en hoe zij ook
werkte en zwoegde, hij zou haar altijd weer alles komen weghalen!”
Corona nam een gulden uit haar beurs en legde dien op de tafel voor
haar neer:
„Ik zal zien wat ik voor je doen kan, vrouw Zwalve, maar laat Mijntje
nou eerst maar wat brood halen.”
De vrouw knikte en nam zwijgend den gulden met een gretige beweging van
goed vasthouden. Toen waggelde ze naar de deur en schreeuwde om het
kind dat dadelijk hongerig kwam aangehold.
„Daar, ga nou maar gauw naar den bakker en vraag of ie zoo’n lang brood
wil meegeven, en zeg dan meteen aan Dirkie en Klaas en Stine en Coosje,
dat ze binnen kunnen komen, gauw loopen Mijntje!”
Het kind rende weg, na een blik op Corona van vroegwijs begrijpen, die
duidelijk zeide dat ze het verband had gezien tusschen Corona’s komst
en den gulden. Toen keerde de vrouw naar haar stoel terug en log, met
’n pijnlijke beweging zakte ze neer en veegde zich het zwaktezweet van
het voorhoofd.
„Dank u wel dokter, als ik u toch niet had, zou ’k niet weten wat te
doen!” zeide ze met een lange moeë zucht, te afgetobd om zelfs bij de
onverwachte gave blijdschap te voelen, en toen ging ze voort op haar
toon van doffe lijdelijkheid:
„Maar dat daar nou toch niks aan te doen is, dokter! Ik heb er ook al
es met de menschen van hiernaast over gesproken, die man is agent en
die vrouw der broer is ook bij de politie. Maar ze zeggen allemaal:
voor de wet is m’n man heelemaal in z’n recht. Een man mag best zijn
vrouw en zijn kinderen laten zitten, als ie maar van tijd tot tijd es
terugkomt en hij mag al der geld, dat ze met sloven voor der kinderen
heeft verdiend, opmaken in de kroeg en der kleeren van der lijf
verkoopen, alles ziet u, want alles is zijn eigendom en de vrouw heeft
nergens recht op. En ik heb nog es goed gevraagd, maar die agent van
hier naast heeft me zelf gezegd dat als Zwalve morgen aan den dag wil
komen, en m’n bed onder me weg halen, dan zou ie er niks aan kunnen
doen, al stond ie er bij, want de wet vindt het goed. Kunt u dat nou
begrijpen, juffrouw? Waarom ze zulke wetten hebben gemaakt? Ik zal
volstrekt niet zeggen altijd, maar meestal zijn de vrouwen toch
oppassender en ze drinken niet zoo dikwijls en zorgen beter voor der
kinderen en waarom hebben ze dan niet eens recht op der eigen
verdienste? Als ’t net omgekeerd was en de vrouw had ’t volle recht op
het loon van den man, zou je het je nog kunnen begrijpen, in de meeste
gezinnen zou dat nog gelukkig zijn! Maar noemt u ’t nou stelen of niet,
als m’n man alles weg mag halen wat ik heb verdiend, om het te gaan
verdrinken met dat sl... uit de Bloemstraat ...”
Mat klagend had ze het uitgesproken. Van opstand of verontwaardiging
was geen sprake bij deze moede vrouw. Met ’n soort geduldige
verwondering, die gauw in moedeloosheid verging zag ze de wreedheid van
het leven over zich komen.
Corona nam afscheid met een belofte van hulp. Het klotsende
klompengeluid van aanstormende voetjes onder het ingangspoortje van het
slop, klonk hen al tegen bij de deur en vijf opgetogen gezichtjes
omringden de vrouw op den drempel. Nog even zag Hilda om, maar de
kinderen waren al naar binnen met het brood; alleen de vrouw stond nog
groetknikkend aan de deur met haar misvormde figuur en het bleeke
gezicht en de bloedroode schram op het voorhoofd.
„En zoo zijn er zoo veel!” zeide Corona zacht. „Een leger van
uitgeputte, mishandelde vrouwen, die door haar mannen verlaten zijn of
erger nog, wier slovend verdiende geld door hen wordt verdronken en
verdaan. Maar de wet, die zoogenaamd ieders eigendom beschermt, laat
het rustig toe dat de getrouwde vrouw van het hare schandevol beroofd
wordt! Hoe langer hoe meer komt het tegenwoordig voor dat de vrouw de
kostwinster van het gezin is, maar de wet geeft haar geen recht op een
enkele penning! En de stemmen van zulke vrouwen zijn dof en mat, Hildy,
haar geklaag is te zwak om te worden gehoord! Maar daarom moeten wij
het overnemen, lieveling, en het uitroepen met onze jonge krachtige
stemmen: wat een onrecht en een wreedheid dit is, en welk een gevaar
voor de maatschappij en een schande voor een volk dat zulke wetten
duldt!”
„Nu nog ons laatste bezoek, heb je er moed toe?”
Hilda knikte zwijgend, bang om te spreken, want ze wist dat ze in
tranen zou uitbarsten als ze op dit oogenblik geluid moest geven.
Te voet gingen zij nu de straat af tot aan een huisje, waarvan de
keurig gestreken, sterk geblauwselde gordijntjes al in de verte
zichtbaar waren.
„Hier wonen de Roerades,” zeide Corona, „’t zijn zulke echt
fatsoenlijke menschen; gelukkig maar dat mevrouw van Maeren, bij wie de
man als koetsier dient, uit de stad is, want door ’t ongeluk van
Marietje is ie heelemaal in de war, hoor ik.”
De deur stond aan en zij gingen binnen in de voorkamer met de witte
gordijntjes, waar Corona wist dat haar patiëntje lag.