Corona bukte zich en legde het hoofd voorover op de tafel. In lang niet

was de wanhoop, het verlangen over haar gekomen met die intense macht,

en zij huilde hartstochtelijk, het uitschreeuwend van tijd tot tijd met

een wild gekreun, dat opsteeg uit de geheimzinnige diepten van haar

liefdeleed, klanken als van een gewond dier.

Marijken, achter in de keuken hoorde het, en weifelend sloop ze naar

voren, angstig luisterend aan de deur. Eindelijk, toen het binnen

stiller werd stak ze voorzichtig het hoofd door een kiertje.

„Dokter, wat is er gebeurd? Heb je kwade tijding gehad?”

Corona zag op. „Nee Marijken, dank je wel. Ik heb heele goeie tijding

zelfs. We krijgen ’n klein huisgenootje, je zult es zien hoe ons oudjes

dat zal opfleuren. Het is niets, ik ben maar ’n beetje zenuwachtig,” en

zij glimlachte onder het zachte snikken dat telkens nog haar borst

doorschokte, zooals op het water na hevige deining nog lang driftige

golfjes komen breken aan den kant.

Marijken trok zich terug, het rimpelige hoofd heftig schuddend. „Zij

begreep er wel alles van!” maar Corona stond op en ging in de

slaapkamer om haar brandend gezicht te wasschen. Zij voelde zich zoo

doodelijk vermoeid door haar nachtwaak en de wilde ontroering van

straks, maar over een paar minuten zou het rijtuig komen, en als altijd

moest ze dan weer klaar zijn, volkomen zich zelf meester om haar zieken

te helpen.

Hilda stond lusteloos droomend voor het raam, ze voelde zich nameloos

gedesoeuvreerd; juist na de opeengestapelde emoties van eergisteren en

de gedruktheid die daar gisteren op gevolgd was, scheen het leven haar

vandaag zoo leeg en troosteloos. Zij had geweigerd om met haar tante en

Corry naar de wedrennen bij Clingendaal te gaan. Een afleidinkje meer

of minder kon haar onvoldaanheid immers toch niet genezen? en het zien

halfdoodjagen van arme mooie paarden leek haar ook zoo’n barbaarsch

amusement en de menschen die ze er ontmoet zou hebben, verveelden haar

al, als ze er maar aan dacht.

„Hilda, mag ik even binnenkomen?” zeide Eugénie om het hoekje van de

deur, maar Hilda hoorde niet en bleef roerloos aan het raam geleund.

Toen kwam Eugénie zachtjes binnen. Zij was nog in haar nachtjapon en

het verkreukelde slappe linnen hing in slordige plooien om de magere

leden. Zij zag oud en doodelijk bleek, de oogen droevig dof in de

gezwollen roode randen, een beeld van te vroeg gestorven jeugd.

Bij de gespannen verhouding, die nu sinds Bernard’s komst tusschen haar

en Hilda geheerscht had, was zij in lang niet in deze kamer geweest;

met een verlegen zenuwlachje bleef zij midden in staan, even kuchend om

Hilda’s aandacht te trekken, en toen deze zich plotseling omkeerde,

wantrouwend met vragende oogen, lachte ze weer, de bovenlip optrekkend,

de mondhoeken omlaag een akelig nerveuzen lach.

„Hilda, ik wou je even komen vragen .... je hoeft me niets voor te

jokken, want ik moet het nou toch gauw hooren, maar is het waar dat

Cranz je gevraagd heeft?”

Hilda kwam een stap nader; een stille blijdschap zwol op in haar hart.

Dit was het oogenblik van weerwraak, dat voelde ze, voor al de

hatelijkheden der laatste weken. En ze was blij, in eens, want ze wist

dat ze edelmoedig zou zijn en er ligt verteedering en weelde in het

edelmoedig zich voelen. Kleine zielen zijn scherp en genieten zich in

leedvermaak in de ure van genoegdoening, maar Hilda zeide zacht:

„Waarom zou ik jokken, Eus? Ja zeker, Cranz heeft me gevraagd, maar ik

heb hem bedankt.”

„Waarom?”

„Dat weet je wel, omdat ik hem niet liefheb.”

„Dat is geen reden.”

„Voor mij wel!” Hilda zeide het in een ootmoedig gefluister, het

schandegevoel van de vorige dagen schrijnde nog in haar ziel.

Maar Eugénie, in een plotseling ineenzinken van al haar trots, wierp

zich hartstochtelijk in haar armen.

„O! Hildy vergeef me! ik had altijd gedacht .... kun je me vergeven?

.... Ik ben ook zoo slecht! O! Je weet het niet! En ik ben zoo blij

nou, O! God, Hilda, O! vergeef me maar! Ik zal nooit meer zoo akelig

tegen je zijn! Maar ik ben zoo .... blij, misschien komt alles nou nog

terecht ....”

Hilda voelde het uitgeteerde lichaam in haar armen zenuwschokken, en ze

zag neer op de gebogen snikkende gestalte en voelde zich akelig koud

omdat ze niets wist te zeggen, omdat zij niet kon sympathiseeren met

die droefheid en zij leed onder haar kou.

Eindelijk onbeholpen, zich vreeselijk prozaisch vindend, omdat ze in

dit oogenblik van verzoening niets beters vond, zeide ze zacht: „Toe

Eus, ga je aankleeden, je zult kou vatten, alles is nou immers weer

goed?”

Maar Eugénie schudde het hoofd. „Nee, ga daar even zitten, ik moet met

je praten.” En zij knielde neer naast Hilda en zachtjes in een eentonig

gefluister begon ze te vertellen van haar wanhoop en hoe ze altijd op

dit huwelijk met Cranz gerekend had, hoe het eigenlijk al door de

families was afgesproken toen zij nog kinderen waren, hoe men haar

altijd met hem geplaagd had, tot haar verbeelding geheel met hem

vervuld was geworden, hoe ze altijd was blijven hopen, ook toen zij

ouder werden, en Bernard zich maar steeds niet declareerde, hoe ze

geleden had onder de vernedering van dit wachten, hoe ze toen Hilda had

gehaat, meenend dat zij hem tot zich wilde trekken, en eindelijk hoe

haar leven was geworden één foltering van jalouzie en van tobben,

tobben, tobben over de toekomst die ze voor zich zag, hopeloos dor en

eenzaam.

„En als ik dan den heelen nacht gehuild had met allerlei akelige

droomen er tusschen in, en den volgenden morgen dol van de hoofdpijn

was, kwam de dokter en zei: „Niets dan zenuwen freule, mevrouw u moet

de freule maar veel afleiding geven.” Veel afleiding! Alsof afleiding

nog mogelijk is in een leven waarvan de eenige bezigheid juist is

afleiding zoeken! Weet je Hilda, ik heb er den laatsten tijd dikwijls

aan gedacht hoe onrechtvaardig het is, dat wij meisjes, als we verdriet

hebben, zoo weinig kunnen doen om ons zelf te vergeten als we geen

afleiding meer kunnen vinden in toilet en handwerkjes en uitgaan.”

„Ja!” zeide Hilda bitter, „het lijkt zoo veel poëtischer en

„vrouwelijker” om te zitten treuren op ’n chaise longue in ’n elegant

boudoir dan om werk te zoeken in de groote maatschappij, maar dat zou

wèl zoo goed voor ons zijn!”

„Werk?” vroeg Eugénie met haar cynischen zenuwlach, „wat zouden wij

kunnen doen? We zijn immers nergens toe in staat of het moest zijn

zoo’n beetje philantropie, maar ik hou niet van vieze menschen! O! het

heerlijkste zou maar wezen om zoo als Corry en Valérie en Betty te

zijn, die nemen het leven zoo als het komt, die kennen geen getob en

onvoldaanheid ....”

„Maar dat is juist het ergste! die kennen geen onvoldaanheid, maar

daarom zullen zij ook nooit zoeken naar iets hoogers!”—een plotseling

enthousiasme klonk in Hilda’s stem—„naar een doel, naar iets enfin, dat

het leven waard maakt om geleefd te worden ....”

Eugénie lachte weer haar bitter, ongeloovig, lachje. „Wat voor doel

meen je eigenlijk?”

En toen Hilda, diep in gedachten, niet antwoordde, vroeg ze na een

lange poos: „Hildy, zeg es eerlijk, geloof je dat er nog hoop voor me

is dat Bernard nog ....”

Hilda stond op, gejaagd. Nog onder den indruk van haar zwakheid, „haar

val”, van den vorigen avond had ze geduldig met veel belangstelling

naar Eugénie’s lange confessie geluisterd. Het had haar telkens

getroffen, hoe zij beiden, op verschillende wijzen waren

gedemoraliseerd geworden door haar doellooze leven, met niets dan een

huwelijk tot uitkomst. Vol medelijden had zij toen plotseling begrepen

hoe Eugénie’s bestaan er geheel door verwoest was; daardoor alleen!

Want dat zij waarlijk Bernard liefhad, Hilda had het nooit geloofd en

ze wist nu zeker van neen. Niet een ongelukkige liefde had het arme

schepseltje gebroken, ofschoon zij het zich zelf nu wel inbeeldde. Wat

zij zoo bitter betreurde was het huwelijk, de goede positie, de

negatieve satisfactie om niet ongetrouwd te blijven, vooral het lang

verbeidde, beloofde land, waarop heel haar opvoeding was gericht

geweest. De man, hoewel hij haar sympathiek kon zijn, kwam daarbij toch

in de tweede plaats.

Hilda had groot medelijden gevoeld, maar nu, dit hardnekkig, onzinnig

blijven hopen niettegenstaande zij wist dat hij eene andere liefhad,

plotseling prikkelde het haar tot drift.

Een paar maal ging ze de kamer op en neer, zoekend naar zachte woorden,

maar in eens bleef ze voor haar staan en eigenlijk vóór ze het zelf

wist, had ze het gezegd, koud, verpletterend: „neen!”

Eugénie kromp in een, heel even, maar ze huilde niet, zooals Hilda

verwacht had, en ze bleef zitten op den grond waar ze straks bij Hilda

geknield had en staarde lang voor zich uit, heel bleek, met moeë oogen

en ging toen eindelijk zachtjes en zwijgend de kamer uit.

Hilda was te kort geleden haar eigen worstelperiode ingetreden om zich

lang te verdiepen in Eugénie’s klagelijken toestand, maar toch voelde

ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter.

Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en

een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen,

van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om

diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor

miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor eén zuchtend

verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz.

Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de

trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een

atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op

Hilda inwerkte na haar week gepeins.

„Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan ’t maken of aan ’t

treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet ’n klein

beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds

in de wereld te doen is?”

Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen

ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet

meester was. Zij sloeg beide armen om Corona’s hals en bleef even tegen

haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en

toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui.

„Wat is er kindje, verdriet?”

„Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar ’n beetje uit m’n

humeur ben.”

„Dat bestaat niet, Hildy. Dat is ’n woord zonder zin. Als je je naar

voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je

spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen.

Wat is het, denk je?”

Hilda zuchtte. „Het is moreel, denk ik,” zeide ze aarzelend. „Het is

omdat ik wee ben van me zelf en m’n tegenwoordig leven. Ik word er

slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe

ik nou leef, meer als ’n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep

bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders opgevoed, en ik heb het

altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er

iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.”

„Is dat alles?” zeide Corona.

Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze

al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid

had begrepen.

„Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om

hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek

van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze

hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig

haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen

en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het

kinderleven nou uit moet zijn. Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een

mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?”

Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed

langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een blijen

lach geluisterd had. Elk van Hilda’s woorden had een vreugdetrilling in

haar hart gewekt.

„Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen

zou.”

„Hoe meen je dat?”

Corona nam haar handje en streelde het. „Dacht je dat ik niet dadelijk

begrepen had dat jij je tenminste niet rustig zoudt neerleggen en vrede

vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen

ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de

maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk! Ze heeft zoo hoog

noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke

manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het

kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om

de wereld ’n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?”

Hilda beefde van opwinding, Corona’s blijde emotie ging in eens in haar

over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er

plotseling een stroom van kracht door haar heen ging.

„Wat moet ik doen?” zeide ze fluisterend.

Corona dacht even na. „Morgen is het Zondag. Dan maak ik altijd zoo min

mogelijk rijke visites en ga alleen enkele armen bezoeken, die me

speciaal interesseeren. Als het je ernst is om het eigenlijke leven te

beginnen ga dan met me mee. Je zult veel groote ellende zien, het lijkt

haast wreed om je zoo in direkte aanraking met het wezenlijke leed te

brengen, maar de waarheid leeren zien is toch het eerste wat we doen

moeten als we willen helpen. Wat geeft het of we in vage theorieën en

melancholieke droomerijen medelijden voelen en zuchten om verbetering,

als we de menschen en de toestanden niet eerst zelf hebben gezien?”—Zij

stond op—„Wil je komen, morgen om tien uur?”

„Ik zal komen,” zeide Hilda bijna plechtig, maar toen, in eens, in

kinderlijke onstuimigheid, pakte ze Corona beet en omhelsde haar.

„Zeker zal ik komen!” en zij glimlachte, maar in haar oogen was reeds

iets van den mysterieuzen ernst van een nieuwe toekomst.

Corona stapte haastig in haar coupétje, bang zich door het gesprek met

Hilda wat verlaat te hebben; ze wist dat verscheiden patiënten thuis

nog op haar wachtten.

Edward stond voor het salonraam met zijn vriend Stephaan van Brehnen en

zij zagen haar gaan.

„’n Mooie vrouw toch, die juf-doctores,” zeide Stephaan, tevergeefs

trachtend zijn bewondering weg te huichelen onder den spottenden vorm.

Edward knikte en wond langzaam, met onbeschrijfelijk fatuiteit zijn

mooien rossen knevel omhoog. „Ja, gek, dat ze nog geen man heeft kunnen

vinden, maar niemand schijnt er aan te durven. ’t Is tegenwoordig niet

makkelijk voor meisjes om beet te krijgen!”

Beiden lachten den naïef hoovaardigen lach van heel jonge ijdelheid.

Het is zoo streelend zich het doel van alle meisjesdroomen te voelen en

toch vast van plan te zijn om „er niet in te loopen.”

„Zeg jij maar niks, kereltje,” plaagde van Brehnen, „jij zult gauw

genoeg ingepalmd zijn door Betty de Mureaux’s lieve blikjes.”

Maar Edward schudde heftig het hoofd en fluisterde zijn vriend iets in

het oor, waarop zij beiden schaterlachend de kamer inliepen.

En terwijl reed Corona naar huis, het hoofd duizelend vol gedachten. De

komst van het onbekende kindje, het kindje van Frank, Hilda’s ontwaken

en de geheime hoop die zij daarop bouwde, Marietje Roerade en haar arme

kleine baby, en haar eigen groote levensproblemen, pijnlijk dwarrelde

het dooreen in haar moeë hoofd. Een oogenblik hield zij de handen voor

de oogen, worstelend om kracht. O! God hoe zwaar was het leven! Maar

thuis, onder de lange rij patiënten, die zij dien middag ontving, was

er geen die den storm achter het reine voorhoofd bemerkte. Zoo gaan

vele vrouwen daarhenen met kalmen glimlach en rustige trekken en de

wereld, die spottend vraagt waarom zij niet getrouwd zijn, heeft zelfs

geen vermoeden van den geweldigen strijd die daar plaats heeft gehad in

de harten dier stil voorbijgaande figuren.

„Ben je klaar om de reis te aanvaarden, Hildy?”

Hilda knikte, een beetje zenuwachtig, en zwijgend reden zij weg van

Corona’s huis naar de Prinsegracht, waar zij haar visites zouden

beginnen.

Het was een rij bitter treurige bezoeken.

Eerst in de Lage Nieuwstraat, bij kleine scrofuleuze kindertjes met

akelig schitterende oogen en blauwbleeke gezichtjes en opgezwollen

neusjes en opgezette lichaampjes, gedragen door heel magere beentjes.

Toen bij een vader, die wegstierf aan de tering en wist dat hij zijn

vrouw en zes kinderen onverzorgd zou achter laten! Onverzorgd! hij wist

dat het zeggen wilde voor hen: overgeleverd aan honger, kou, misschien

wel aan schande! en hij had niet voor hen kunnen sparen. Hij had immers

maar acht gulden in de week verdiend, daar kon niet van gespaard

worden! En hij was radeloos, in bitteren opstand en wanhoop, en hij

vertelde van een deftige dame die bij hem gekomen was en hem aangemaand

had tot berusting en hem scherp had verweten dat het volk tegenwoordig

zoo ontevreden was en ondankbaar voor het vele dat voor hem gedaan

werd, maar hij had haar uitgelachen, zeide hij, in haar gezicht:

„Millioenen menschen gingen door armoe te gronde, en wie kon hem op

zijn stervensbed, in de worgende angsten van zijn ziekte, de

verzekering geven dat zijn vrouw, die hij lief had en zijn zes kinderen

niet onder die millioenen zouden zijn? ’t was afgrijselijke ironie om

berusting van hem te vergen!”

Toen bij een oud vrouwtje, dat haar been had gebroken en bang was om te

sterven, zij aan wie het leven niets meer te geven had, dan wat pijn en

gebrek en die toch onwillig was om heen te gaan, en daarop bij een

vrouw wier kindje juist dien nacht gestorven was, maar zij had er

achttien gehad en tien waren er al dood, en dit elfde verlies scheen

haar niet meer te treffen. Zij was te uitgeput om nog sterk te kunnen

voelen voor wat het ook was, en haar moede, emotielooze wijze om over

het doode kindje te spreken, was treuriger dan tranen.

Het was een smartelijke rij bezoeken.

„En waar gaan we nou naar toe?” vroeg Hilda even huiverend onder de

tweevoudige aandoening van vrees om nog meer ellende te moeten bijwonen

en koortsig verlangen om toch dieper door te dringen in ’t ontzaglijke

drama van het volksleven.

Corona zag heel ernstig. „Nou gaan we naar ’n geheime plaats, en je

moet me beloven dat je er nooit tegen iemand een woord van zeggen zult.

Wil je?”

„Wat bedoel je?” vroeg Hilda bijna angstig. Het geen zij gezien had was

al zoo overstelpend geweest, dat zij achter Corona’s geheimzinnige

woorden onwillekeurig vreemde, ontzettende dingen zocht.

„Het is ’n groot geheim, en vóór ik je binnen laat, moet je me heusch

volkomen stilzwijgen beloven, want als iemand het hoorde, die er

misbruik van wou maken tegen mij, zou ik met gevangenisstraf kunnen

worden bedreigd.”

„Ik beloof het je, ik zal er met niemand over spreken.”

Corona glimlachte. „Als men iets tegen de wet doet, moet men zelfs met

z’n vrienden voorzichtig zijn, niet waar?”

Zij waren nu in de Willemstraat en het koetsje hield stil voor een

eenvoudig gesloten huis. Op het naambordje op de deur stond: Wedwe

Steunenberg. Hilda zag er naar en het gaf haar een soort rust: er

woonde tenminste niemand die zijn naam verbergen moest. Corona was met

den huissleutel binnen gegaan; zij scheen volkomen thuis en liep

rechtdoor naar achteren.

Maar als Hilda, in een bewust spel der verbeelding zich deze

achterkamer had voorgesteld als een tooneel van gruwelen, des te

vreedzamer moest haar toeschijnen hetgeen ze er zag.

Het was een groote lichte tuinkamer, de zon scheen met witte

schittering vlak door de wijdgeopende deuren, en gleed met dartele

lichtlonkjes over de artistiek mooie prenten aan den muur, over de

bloemen op tafel, en over twee groote witte kussens op den grond

waartusschen een kleine baby speelde.

In een hoek stonden naast elkaar twee rustbedjes, op het eene lag een

meisje van ongeveer zeventien jaren, op het andere een klein bleek

ventje van zes.

Corona ging naar het kleine kind op den grond, en nam het op haar arm.

„Wel Suusje, m’n poppetje, ben je heusch blij dat ik kom?”

Het kind lachte even, alleen het mondje vertrekkend, de oogen schuw

vragend op Hilda gericht. Het was bijna vier jaar, maar zoo klein en

teer dat men het nauwelijks twee zou gegeven hebben. Met groote bange

oogen had het omgekeken bij ’t opengaan van de deur, een blik van

angst, heel treurig in oogjes nog pas zoo kort geleden geopend, maar

bij het herkennen van Corona had het lachend de handjes uitgestrekt.

„En hoe gaat het met Jaap en met Liesbeth? Ik denk dat ze wel gauw

beter zullen zijn, als ze zoo zoet en geduldig blijven liggen.”

Corona ging naar hen toe en kuste hen beiden, het kleine Suusje op den

arm, en Hilda, die nog aarzelend bij de deur stond, zag het groepje aan

en vond het heel mooi om Corona zoo te zien; er was iets roerends in

die trotsche slanke vrouw met haar streng profiel en donker type van

Spaansche madonna in teeder erbarmen met een kindje.

„Maar, als ik beter ben, hoef ik dan heusch de straat niet meer op?”

zeide kleine Jaap. Het was een vraag die hij dikwijls deed, soms zeurde

hij haar drie, vier maal achter elkaar, soms maakte hij er een

spelletje van en vroeg het telkens op een andere manier, altijd weer

verlangend het heerlijke antwoord te hooren.

„Nee, zeker niet, ventje, heusch niet! Als ie beter is gaat ie heel ver

hier vandaan, buiten, bij ’n lieve boerin, waar allemaal koeien en

schapen zijn.”

„Maar denkt u, dat m’n beentje weer zal aangroeien?”

„Dat geloof ik niet, mijn jongen, maar dat is niets, we zullen je ’n

mooi houten beentje geven en je zult es zien hoe flink je daar weer mee

loopen zult! Maar waar is tante Ida?”

„Hiernaast,” zeide Liesbeth, „in de badkamer.”

En Corona, met Suusje nog altijd in de armen, ging naar het vertrek

daarnaast en Hilda hoorde haar zeggen:

„Goeie morgen, tante Ida, hoe gaat het?”

„Guns, dokter, ik had u niet hooren komen .... hoe hebt u de kinderen

gevonden?”

„We zullen ze es goed bekijken, maar me dunkt dat alles goed gaat.

Suusje begint me bepaald te kennen. Ze schrok nog wel even bij ’t

opengaan van de deur, maar toen lachte ze toch dadelijk, niet waar

kleine dot? Maar tante, laat me je eerst even ’n vriendin van me

voorstellen, hier naast ....”

„Hebt u iemand meegebracht? Durfde u dat te wagen? Eén onvoorzichtig

woord kan ons alles kosten ....”

„Nee, je kunt haar gerust vertrouwen.”

En daarop zag Hilda een tenger vrouwtje naar zich toe komen in een glad

zwart kleedje, een lief bleek gezicht, niet jong meer, met veel

vermoeide trekjes en grijzend haar, maar iets jong dwepends in de

lichte oogen en veel zachtheid om den mond.

„Dit is tante Ida,” zeide Corona, na het officieel noemen der namen:

„freule van Suylenburg, juffrouw Steunenberg, mijn medeplichtige bij

onze groote misdaad.”

„Wat voor ’n misdaad dan toch! Het ziet er hier toch niet uit als ’n

roovershol,” lachte Hilda, nu volkomen gerust.

„En toch is het dat, in de volle beteekenis van het woord! Maar kom

mee, hier in de badkamer, daar kunnen we rustiger spreken.”—En toen de

deur gesloten was:—„Het is niet goed dat de grootere kinderen dat

allemaal hooren, maar tante Ida en ik zijn heusche roovers, niet waar

tante? Want al deze drie kinderen zijn gestolen en men zou ons kunnen

vervolgen, en het ergste van alles, ons de kinderen afnemen, als iemand

iets wist en ons verraadde.”

„Ja zeker!” zeide juffrouw Steunenberg. „Ik durf zelfs geen meid hoûen.

Niemand mag iets van deze kinderen weten.”

„Waarom dan toch? Ik begrijp het niet, toe Corona, vertel het me nou

gauw.”

En terwijl zij handig het kindje begon uit te kleeden, om straks het

kleine ziekelijke lichaam te kunnen onderzoeken, vertelde Corona het

verhaal van haar kinderroof.

„Op een nacht in ’t laatst van Februari, toen het zoo lang achtereen

gesneeuwd had en het zoo glad was, was zij teruggekeerd van een zieke

op den Denneweg, bij wie zij in groote haast was geroepen. Zij had niet

eens den tijd gehad om om haar koetsje te telefoneeren. Maar op het

Voorhout, vlak bij huis, had ze in eens zachtjes hooren kreunen, alsof

er een ziek dier lag te klagen, en bij een van de boomen, had zij,

donker, tegen de witte sneeuw, een klein hoopje zien liggen. Ze was er

heen gegaan, meenend dat het misschien een mishandelde hond was, want

ze had niet, als zoovelen, haar medelijden in twee aparte vakjes

verdeeld, één voor menschen, en een ander voor dieren. Voor haar had al

wat lijdend was aanspraak op erbarmen. Maar toen ze bij het hoopje was

gekomen, had ze er geen hond, maar Jaapje gevonden, het kleine

jongetje, dat nu binnen lag, met zijn afgezet beentje.

Slaperig, bevangen door de koû, had ie half bewusteloos liggen kreunen,

maar toen ze geprobeerd had om hem op te richten, had ie het van pijn

uitgeschreeuwd.

Hilda van Suylenburg · 第 19 / 35 段