werp, zal ik er later misschien om treuren?” Maar tegelijk met deze
gedachte werd ook het bewustzijn in haar duidelijk dat dit het geluk
niet kon zijn. Toen stelde ze zich vóór dat het morgen was, en dat zij
haar weigering den vorigen avond had geschreven en met een klaarheid
als nooit te voren, voelde ze op eens al het doelloos leege van haar
leven, al het nameloos drukkende van een toekomst zonder bestemming.
Was dit niet misschien de aangewezen weg om een levensdoel te vinden?
O! het troostelooze onbevredigende leven, ze was het zoo moe! Zij had
dien morgen tegen Bertha Wendelings met verachting over het huwelijk
zonder liefde gesproken en langzaam, onbewust naderde ze de gevaarlijke
helling. Bernard’s hartstochtswoorden hadden plotseling het heimwee
naar liefde in haar wakker geroepen, zij smachtte er naar heel haar
jonge rijke leven te geven, en niets zag ze voor zich, als zij dit
huwelijk afwees, dan lange grijze jaren, voortgesleept in
onbevredigdheid! Zij vouwde de handen boven op den brief en staarde in
de donkere kamer, en ’t was haar of alles beter zou zijn dan dit leege
meisjesbestaan voort te zetten. In haar jong bloeiend lichaam voelde ze
reuzenkrachten van werken, in haar ziel schatten van teederheid en
devouement, en niets, niets om zich aan te wijden. Zou zij deze
gelegenheid om zich een nieuw leven te scheppen voorbij laten gaan? „Ik
hoop dat mijn klein meisje in haar later leven altijd bedenken zal dat
het niet de vraag is, hoe de tijd te dooden of door te komen, maar hoe
hem te gebruiken!” had haar vader eens gezegd en in pijnlijke ironie
bedacht zij hoe nu haar tijd werd doorgebracht in wat toiletmaken en
wereldparade en tennissen en paardrijden en wat liefhebberen in musiek
en philantropie. Maar de gedachte aan haar vader’s woorden maakte haar
twijfel nog angstiger. Zeker, hij zou haar tegenwoordig leven niet
goedkeuren, maar zou hij een huwelijk dan wèl goed vinden, waarvan niet
liefde, maar ontevredenheid de drijfveer was? Haastig onderdrukte ze
die onwelkome vraag. Er was immers geen anderen weg denkbaar, zij moest
wel kiezen tusschen deze twee: zoo voort leven, of Bernard aannemen. En
het denkbeeld van een nieuw leven begon haar nu sterker aan te trekken,
het fascineerde haar. Voor alle jonge ontevreden zielen ligt een groote
bekoring, een wondere belofte in het „opnieuw beginnen.” Alsof niet het
leven altijd doorging en nieuwe toestanden nooit uit zich zelf
beginnen, maar altijd als gevolg voortkomen uit het vroeger zijnde.
De zoele avondlucht stroomde warm en verweekend naar binnen. Het was
éen dier uren waarin het jonge hart zoo dringend naar sympathie
verlangt en de eenzaamheid zoo vreemd en ondragelijk lijkt en zachtjes
sloopt de verleiding nader zich aan dien man over te geven, die haar
zoo liefhad en haar een mooi eigen home aanbood! Als men haar dien
morgen, op haar wandeling, gezegd had, dat de kansen van den jongen
Cranz gunstig bij haar stonden, uit de hoogte zou ze geantwoord hebben:
„ik heb hem niet lief.” En nu reeds had het zich indenken in de
onvoldaanheid van haar leven en de angst voor een toekomst zonder
bestemming haar zoozeer ontzenuwd dat ze bereid was de hand aan te
nemen, welke dan ook, die haar een nieuw pad zou inleiden. Zelfs de
gedachte dat het treurige bestaan van een Ottilie van Heemeren haar
wachten kon, kinderloos, gebonden in een huwelijk zonder liefde, had nu
geen macht meer over haar. Zij wierp haar van zich, met een bang gevoel
dat ze niet anders meer kon, dat het nog beter was zich te wagen in een
huwelijk dat verdriet en teleurstelling kon brengen dan dit gloedlooze
grijze meisjesbestaan voort te slepen.
Bleek, met koortsgloed in al haar ledematen stond ze eindelijk op. „Ik
zal hem schrijven dat ik z’n vrouw zal worden,” zeide ze zachtjes. „Als
het zonde is, de hemel moge ons genadig zijn, maar ik kan niet anders.”
Het was nu volkomen donker geworden en het duurde lang vóór ze de
lucifers kon vinden. Zij wilde dadelijk schrijven, als ’t ware om zich
zelf voor een voldongen feit te stellen. Het angstige getwijfel van
dien avond hield ze op dit oogenblik wezenlijk voor rijp nadenken en ze
was bang, zonder het bijna zelf te weten dat de strijd bij de minste
aanleiding terug zou keeren. Maar op haar schrijftafeltje ontbrak de
inktkoker. Gisteren had ze hem beneden, in de serre gebruikt om menus
te schrijven en hij moest daar nog zijn. Met een vreemd plechtig gevoel
dat er iets vreeselijks in haar leven gebeurd was, dat zij zelve nog
niet kon overzien, daalde ze de trappen af.
In de achterkamer, waardoor men gewoonlijk in de serre kwam, hoorde ze
stemmen opklinken en besloot dus door het spreekkamertje te gaan,
achter in de gang, dat ook tot de serre toegang gaf. Het zou haar op
dit oogenblik onmogelijk zijn geweest iemand te ontmoeten. Alles was
donker en rustig in de serre, alleen uit de huiskamer viel een
fantastisch licht door de kanten gordijnen, waarvan de bloemranken
spookachtige figuren op den grond teekenden. Hilda bleef even staan,
huiverend in de hitte van haar opgewonden verbeelding, maar toen haar
oogen aan de schemering gewend waren, kon ze de voorwerpen alle
makkelijk onderscheiden en had dadelijk haar inktkoker gevonden.
Voorzichtig gleed ze naar het tafeltje waar hij stond, maar juist toen
ze hem in de hand hield en zachtjes wilde terugsluipen hoorde ze binnen
Edward lachen en haar tante’s stem die zeide:
„Nee, Hilda is wél ’n zonderling kind, maar dáarvoor is ze toch te
verstandig.”
„Weet u zeker dat de brief van Bernard was?” zeide Edward.
Hilda stond roerloos en luisterde, niet in staat na die woorden om heen
te gaan.
„Ja zeker, ik ging juist door de gang toen ie gebracht werd, en ik zag
duidelijk het wapen van Cranz, toen Johan hem in de hand hield.”
„Ik heb toch nooit gemerkt dat Hilda iets om hem gaf?” zeide Edward
vragend.
„Nee, ik geloof ook niet precies dat ze dol op hem is, maar daarom kan
ze hem toch wel aannemen. Het is in alle opzichten ’n prachtige partij:
naam, fortuin, carrière, goed uiterlijk, en... nou ja, men zegt wel dat
er op zijn leven nog al wat aan te merken valt, maar daar heeft ’n
meisje niets mee te maken, en als je bent zooals Hilda, zonder
bijzondere schoonheid en volstrekt niet schatrijk dan kun je er niet te
veel pretensies op na hoûen. Aan alle mannen mankeert iets, maar ik heb
altijd gezegd: Cranz is het lot uit de loterij en Hilda zal zich geen
tweemaal bedenken vóór ze zich aan hem g....”
„Verkoopt,” vulde Edward aan met zijn scherp overslaande jongensstem en
Hilda rilde onder den striemenden slag van het woord.
„Maar Eddy, wat ’n akelige dingen kun je toch altijd zeggen!” riep
mevrouw van Starren ongeduldig.
„Waarom is dat nou weer akelig, mama? Als Hilda geen liefde voor hem
heeft en ze neemt hem tòch, doet ze eenvoudig ’n ruil en verkoopt zich
zelf tegen ’n zekere kwantiteit, „goeie partijdigheid,” is dat
nietwaar?”
Meer hoorde Hilda niet, zoo snel als ze zich in de duisternis bewegen
kon, zonder zich te verraden, sloop ze de serre uit, naar boven, en
stond daar, midden in haar kamertje, in ’n opwinding zooals ze nog
nooit gekend had.
„Verkoopen”, herhaalde ze tusschen de dicht geklemde tanden, „ik mij
verkoopen tegen zooveel aan geld en naam? Hoe durven ze het van mij te
denken! Het huwelijk is ’n heilige instelling zeggen de menschen, mooi
zoo, maar zoodra zich ’n goeie partij aan ’n meisje voordoet, vindt
iedereen het heel natuurlijk om haar te verdenken van het laagste
waartoe ’n vrouw in staat is: zich te verkoopen! En pretensies, zei
tante, ik mocht geen pretensies hebben omdat ik niet schatrijk en geen
bijzondere schoonheid ben! m.a.w. moet ik daarom maar klaar staan voor
den eersten den besten! Maar ik heb wèl pretensies, en ik zal het ze
toonen! Hoogere pretensies dan ’n mooi huis, en ’n equipage beschilderd
met dubbele wapens! Ik wil liefde en geluk en geen mooie partij!”
Trillend stond ze midden in de kamer, de handjes hartstochtelijk te
zamen geklemd om de inktkoker. Met een schok was de oude fierheid
ontwaakt.
Maar op de schrijftafel vóór haar lag Bernards open brief en daarnaast
het blanke velletje waarop ze zooeven nog haar jawoord had willen
neerschrijven. Toen, plotseling, begreep ze den afgrond dien ze straks
genaderd was, en gebroken, het gloeiende voorhoofd verborgen in de
handen, zonk ze neer, knielend op den grond.
„O! mijn God! mijn God! mijn God! wat ’n vernedering in mij zelve!
gevallen, o! God ik ben gevallen, ik die zoo trotsch was, zoo hoog
hield mijn geloof aan liefde, zoo laag neerzag op al die meisjes
hunkerend naar ’n huwelijk, ik ben gevallen, toen de eerste verzoeking
kwam!”
Zij snikte, de handen stijf tegen de oogen gedrukt, die droog en
brandend waren.... „Vader, vergeef me! Maar ik voelde me zoo eenzaam
en.... zoo nutteloos, als ’n drijvend stroohalmpje op ’n stroom. Als ik
maar iets had gehad, wat ook, waar ik me met hart en ziel op had kunnen
toeleggen, zou het niet gebeurd zijn, vader! In elk mensch toch is ’n
ingeboren drang om voor iets te willen leven, zich aan iets te willen
wijden, en ik had niets! Vader, niets!”
Lang, met dorstend verlangen lag ze zoo, van tijd tot tijd opziende
naar het groote portret aan den wand, en de oude mooie kop scheen bij
het kaarslicht, dat hem van uit de verte flauw verlichtte, mysterieuze
blikken naar haar heen te werpen.
En toen met een verplettering van schaamte dacht ze er op eenmaal aan
hoe haar jonge doode moeder haar Brünnhilde had genoemd „omdat,” had ze
gezegd met een van haar laatste glimlachjes, toespeling makende op de
oude Germaansche Walkürelegende, „ik hoop dat het hart van ons
dochtertje omgeven zal zijn van een kring van reine en trotsche
vlammen, waardoor alleen een held, dit is een edele, een hooggestemde
zal vermogen door te dringen, om haar tot liefde te wekken!”
„O! mijn God! moeder! vergeef me!” zeide Hilda en bij ’t aanroepen van
dien naam, dien ze nooit gezegd had, kwamen eindelijk haar tranen. „En
ik die me bijna aan dien.... Cranz zou hebben.... verkocht! Maar niet
verkocht, tenminste, in de infame beteekenis die Edward er aan gaf.
Niet voor rijkdom en eer zou uwe Hilda zich ooit gegeven hebben! Dat
nooit, moeder, dat nooit! Het was alleen maar om te ontkomen aan dat
nameloos leege onbevredigde leven! Maar er moet immers ’n andere weg
zijn? Straks wanhoopte ik er aan, maar ik voel het nou duidelijk. Het
is dom en laf om het huwelijk als eenige uitkomst te beschouwen....”
Lang bleef ze geknield, half biddend, half peinzend om klaarheid te
vinden in haar ziel, toen stond ze op en schreef haar moeielijken
brief, in zachte woorden de pijnlijke weigering hullend.
Maar toen zij den knecht had weggezonden om dadelijk den brief aan zijn
adres te bezorgen bleef ze nog lang in groote ontroering achter. Het
was éen dier lange levensdagen voor haar geweest waarin het
menschenhart veel jongen overmoed en trots verliest, maar daarvoor ook
in de plaats ontvangt een beetje meer wijsheid en kracht.
Corona zat voor haar eenvoudigen lunch en deed haar best om wat te
eten, maar het kostte haar moeite vandaag, ze voelde zich zoo erg moe.
Den ganschen nacht had ze bij Marietje Roerade gewaakt, en al was ze
ook gewend aan het bijwonen van veel leed, gevallen als die van dezen
nacht, grepen haar toch altijd weer aan.
Gisterenavond tegen elf uur was vrouw Roerade het haar komen zeggen:
Marietje, het oudste van haar negen kinderen, een meisje van zeventien,
dat in een winkel in de Spuistraat diende, was plotseling thuis gekomen
en .... het was de oude geschiedenis, zoo oud dat zij banaal klinkt
voor wie haar hooren, en toch voor wie haar doorleven moeten, nog
altijd even verbrijzelend. Het meisje was verleid, zij was mooi en nog
zoo jong en had geloofd in liefdewoorden en beloften en toen was,
zooals altijd, de ontzettende teleurstelling gekomen met haar grijnzend
spookgeleide van wanhoop en schaamte en ze was thuis gekomen ’s avonds
bij de ouders, die niets vermoedden, en had een arm klein meisje het
leven gegeven.
Corona steunde het moede hoofd op de hand en staarde lang voor zich
uit. Zij dacht aan zooveel jonge schepselen, die zij in de vreeselijke
ure had bijgestaan, want wetend van hoeveel waarde het voor de meesten
is om in het supreme oogenblik zich physiek en moreel gesteund te
voelen, had ze de arme jonge zondaressen eerder opgezocht dan zich van
haar teruggetrokken. Zij had er van allerlei soort ontmoet, zij kende
er die gevallen waren door grenzenlooze onwetendheid, door beneveling
van alcohol, door overgeërfde lichtzinnigheid, en door armoede, door
heilig gelooven in beloften van trouw, door pressie van infame ouders,
door éen oogenblik van zwakheid na een braaf eerlijk leven, en sommigen
hadden haar doen walgen door groote verdorvenheid, voor anderen had zij
vriendschap en achting leeren voelen. En terwijl ze zoo neerzat en de
lange lijdensrij herdacht, kwam groote bitterheid in haar op om de
wreedheid waarmede de geëerde gelukkige vrouwen deze toestanden
trachten te ignoreeren. Zelfs boeken, waarin over deze dingen met ernst
wordt gesproken, heeten ongeschikt voor dameslektuur. Het klinkt zoo
lief, zoo vrouwelijk rein te zeggen dat men van al die zonde en ellende
niets afweet, alsof het niet waarachtiger reinheid is de modderpoelen
naast uw voordeur weg te ruimen dan er met afgewende gezichtjes langs
te wandelen en te doen alsof gij ze niet ziet. O! de schandevolle
onverschilligheid der zoogenaamd fatsoenlijke vrouwen, die neerzien op
die armen, die wellicht de slachtoffers zijn van haar eigen zonen en
broers en echtgenooten! en dan achten zij zich nog heel vrouwelijk
deugdzaam, als zij de gedachte ver van zich werpen dat het haar plicht
is mee te werken in, mee te waken over een maatschappij waar zulke
toestanden zijn.
Corona stond op en nam van haar rekje een klein boekje met
statistieken: „jaarlijks in Nederland ongeveer 5000 onwettige
kindergeboorten,” peinzend sloeg ze het weer toe. En al deze arme
kleine schepsels hebben toch vaders gehad waarvan de meesten de moeder
en het kind aan hun lot van gevaar en schande hebben overgelaten! Hoe
kan men nu toch denken dat mannen, die tot dit in staat waren, als zij
direct of indirect invloed hebben op de wetgeving, goed de belangen van
de vrouw en het kind zullen behartigen? De vrouw zelf moet mee haar
stem kunnen doen hooren voor zich en de kleinen die zij het leven
geeft! Als de vrouw de laatste twintig jaren mede het volk had mogen
vertegenwoordigen, zou het afgrijselijk laffe spel met Marietje Roerade
niet straffeloos meer gespeeld kunnen zijn en haar kleintje niet
hulpeloos alleen in de wereld staan met niemand tot steun dan een
zeventienjarig kind, dat in de wereldoogen nog wel verachtelijk
gevallen is!”
Toen kwam de oude Marijken binnen om af te nemen.
„Maar dokter, heb je nou je eitje niet opgegeten? Denk je dat men zich
kan voeden met nachtwaken en goeie werken?”
„Kom Marijken, brom nou maar niet, ik heb heusch m’n best gedaan en met
’n stukje brood en vruchten kan men het ’n heel eind ver brengen.”
„Ik weet wel wat ’t is, die geschiedenis van Marietje Roerade zit je in
de maag. Ja, wie had nou ook ooit zoo iets kunnen denken?”
„Waarom niet?” zeide Corona treurig. „Je moet je nog verbazen dat die
dingen niet meer voorkomen, als je denkt hoe zulke meisjes opgroeien in
die slopjes tusschen de ellendigste voorbeelden, hoe jong ze de wereld
ingaan en, als ze er aardig uit zien, hoeveel vijanden er aan alle
kanten loeren. Een mooi arm meisje is immers vogelvrij verklaard! Elke
gemeene kerel, die haar tegenkomt fluistert haar vuile, de verbeelding
verhittende complimentjes toe, elke dandy vindt het hoogst natuurlijk
om brutaal tegen haar te lachen en wie beschermt haar tegen de
genotzucht van den eersten den besten? Iedereen vindt dat het ’n jong
mensch toekomt om zich te „amuseeren”, en wie denkt aan de meisjes die
daarbij te gronde gaan? Wie wreekt ze als ze bedrogen zijn? Ze moeten
maar voor zich zelf zorgen en het zijn nog kinderen!”
„Ja, ze moeten maar voor zich zelf zorgen, dat spreekt van zelf.
Juffrouw Roerade kan al der negen kinders niet aan ’n touwtje hoûen en
haar meidenwaschjes er nog bij doen. Maar van Marietje had ik het nooit
gedacht, zoo’n stil net meisje altijd?”
Marijken slofte weg, haar hoofd in een onafgebroken schuddende
beweging; dat was zoo hare wijze om ontroering en medelijden te
betuigen.
Mat zette Corona zich toen neer in de oude armstoel. Het was kwart over
éenen, dus vóór zij moest uitrijden, nog bijna een uur om wat te
rusten, misschien wel ’n oogenblik te slapen.
Maar nauwelijks had ze de oogen gesloten of Marijken kwam weer binnen,
zorg en meewarigheid in elken rimpel van haar oude gezicht; zij legde
een brief op haar schoot met buitenlandsche zegels. Och, die brieven
uit den vreemde, ze kende ze al en wist heel goed hoeveel ontroering en
verdriet ze gewoonlijk brachten. Zoo graag had ze dokter nou dit éene
rustuurtje gelaten, maar een van deze brieven achterhouden zou ze toch
nooit hebben gedurfd.
Maar ’t was alsof bij ’t zien van die hand Corona’s vermoeidheid in
eens was verdwenen. In een oogwenk zat ze recht en veerkrachtig
overeind, de oogen klaar wakker en opende haastig het couvert.
Het was een brief van Frank uit Parijs, haar meldende dat hij
onverwachts uit Amerika de prachtigste aanbiedingen had ontvangen om
daar met zijn gezelschap een aantal voorstellingen te komen geven.
„Financieel,” schreef hij, „zijn de condities zoo schitterend dat wij
er niet over kunnen denken om te weigeren, en daarbij kan ik niet
ontkennen dat het mij machtig aantrekt om op deze wijze het reusachtige
jonge land te leeren kennen met zijn nieuwe organisaties en nieuwe
typen. Wat wij hier van de Amerikanen zien zijn dikwijls blufferige,
ongemanierde parvenus, of armzalige reisgezelschappen, die als
voortgejaagde troepen onze musea, paleizen en kerken doorrennen, maar
in het land van Emerson moet veel aantrekkelijks en belangrijks zijn,
dat ik graag zou willen leeren kennen.
Maar Corona, mijn liefste, éen groote zorg vervult mij bij al deze
plannen en zooals in al mijn oogenblikken van leed en onrust kom ik tot
je om raad en dezen keer zelfs om hulp, Corona, om groote krachtige
hulp. Zul je mij die kunnen geven? en is het niet al te zelfzuchtig van
mij je dezen dienst te vragen? Luister, mijn lieveling, en oordeel.
Zooals ik je dikwijls gezegd heb, staat mijn troepje in alle opzichten
moreel zeer hoog en uit den aard der zaak, dat wij trachten niet het
publiek te dienen of ons eigen succes, maar alleen onze strenge en
naijverige godin: de kunst, heb ik vrijwel mijn ideaal bereikt om een
klein troepje te vereenigen van werkelijk beschaafde hooggestemde
menschen. Toch zijn er nog altijd een paar bij, en zij ook zullen den
Amerikaanschen tocht meemaken, die ik voor mijn kleine Rosa op dezen,
voor indrukken zoo uiterst gevoeligen leeftijd, een ongewenscht
gezelschap vind. Daarbij zijn de vermoeienissen van zulk een reis ook
niet gering voor ’n klein meisje, zoodat ik besloten heb, hoeveel het
mij ook kosten zal, mijn kindje niet mee te nemen. Of Eva mee zal gaan,
weet ik nog niet. Zij schijnt er erg op gesteld te zijn om den tocht
mee te maken, maar dit is zeker, dat ik, als zij achter blijft, Rosa
toch in geen geval bij haar zou kunnen laten. Het kind is nu tien jaar,
en bijzonder voor haar leeftijd ontwikkeld en het wordt hoog tijd dat
ik haar aan den moederlijken invloed onttrek. O! Corona, wij hebben
zelden over deze dingen gesproken. Om sterk te kunnen zijn is het soms
beter ons leed niet te veel uit te spreken, maar bitterheid overstroomt
mijn hart, als ik deze vrouw samen zie met mijn kind.
Liefste, van den beginne af aan is de opvoeding allertreurigst geweest.
Ik zelf had geen tijd om er mij veel mee bezig te houden en Eva? ....
Om er mee te pronken, om het op te smukken, als zij er visites en
boodschappen mee gaat doen, is haar geen moeite of kosten te veel.
Heele dagen zit zij er voor te naaien, hardnekkig, koortsig, tot haar
zenuwen zoo kapot zijn, dat zij er iedereen onder laat lijden! Maar
terwijl loopt het kind verwaarloosd en eenzaam rond! Om er op haar jour
mee te poseeren als mooi jong moedertje is het kind haar lief, maar als
er zich amusantere occupaties voordoen, wordt het dadelijk naar de
bonne gestuurd. Enfin, je kent het type, je moet er velen zoo kennen,
die haar moederschap opvatten als middel om haar tijd aan te vullen en
haar ijdelheid te streelen en niet als een doel, waarvoor zij al haar
krachten willen inspannen.
Meermalen heb ik getracht Eva’s belangstelling voor de eigenlijke
opvoeding te wekken, maar „zieleontwikkeling”, „karaktervorming”, zijn
woorden zonder eenige beteekenis voor haar. Ik heb haar een paar maal
een mooi stuk van Fröbel voorgelezen, haar boeken gegeven, hopende haar
een beetje tot nadenken, althans tot belangstelling te brengen, maar
zij begon te huilen en zeide dat ik onvrouwelijke dingen van haar
eischte. Zat zij niet uren lang te naaien omdat het mij niet
conveniëerde het goed buitenshuis te laten maken en zij toch uit liefde
wou zorgen dat haar kind er netjes uitzag? Maar dikke vervelende boeken
lezen kon niemand van haar vergen, dat was goed voor mannen en geleerde
professors, de vrouw moest voor de kleeren en het huishoûen zorgen en
dat deed ze immers, wat kon ik dan toch meer van haar vergen?
Toen begreep ik, Corona, dat wij elkander nooit konden begrijpen. Het
eenige wat zulke „lieve vrouwtjes” voor haar kinderen kunnen doen is
voor kleeren en voedsel zorgen, en dat natuurlijk heel onhygiënisch, en
dan een beetje brommen als zij lastig zijn. Het was immers ook onzinnig
van mij nog te hopen dat mijn kindvrouw mijn kindje zou kunnen opvoeden
tot een vrouw?
En dikwijls kwam de gedachte bij mij op dat ik Rosa weg moest zenden
uit mijn treurig wuft interieur, maar ik had er de kracht niet toe, zij
was mijn eenige lichtstraal, maar ik weet nu dat het onvergefelijke
zwakheid was. Zondag was ik met haar gaan wandelen, het
kinderfiguurtje, och arme, uitgedoscht als een miniatuur modedame. Zij
zag er aardig uit, maar toen ik haar omhelsde, voelde ik hoe het teere
lichaam was ingeprangd in een baleinen harnas en ongeduldig weerde zij
mij af, zij die zoo dol van me houdt, uit angst dat ik haar kantjes zou
kreukelen. Arm martelaresje, physiek en moreel van de moederlijke
ijdelheid. Maar wij gingen uit, Corona liefste, en op eens, met wanhoop
vervulde het mij, toen ik zag hoe het kleine ding de hulde der
voorbijgangers gretig opving. Wij kwamen een troepje studenten tegen in
den tuin van het Luxembourg, die erg naar ’t kleine mooie dametje
keken, en ik zag hoe Rosa glimlachte zonder reden, en hoe er in haar
oogen een uitdrukking kwam van huichelachtige onschuld toen ze naar me
opkeek en onverschillige dingen vroeg en terwijl onophoudelijk den
indruk gadesloeg, dien ze op de voorbijgangers maakte. O! mijn liefste,
het was een uur van namelooze bitterheid. Ik kan er niet aan denken dat
mijn dochter het evenbeeld van haar moeder zou kunnen worden. En daarom
kom ik tot je, Corona, je smeekend om je over mijn kind te ontfermen.
Neem ze tot je en red haar! O! lieveling, jij kunt het, onder jouw
leiding kan alles nog goed met haar worden.
Soms als ik aan Rosa’s toekomst denk, droom ik er van dat zij misschien
eenmaal mijn voetsporen drukken zal, dat zij, als mevrouw Tachilde, zal
worden een groote kunstenares en dat zij mijn werk zal vervolgen om het
tooneel te verheffen. Onze kunst heeft het zoo heel noodig dat zich
waarachtig edele, hoog ontwikkelde menschen aan haar wijden, om een
einde te maken aan het rijk van zooveel onzer tegenwoordige actrices,
wier kleermaker en verfkwast soms meer tot haar succes bijdragen dan
hare talenten. En ik geloof zeker dat er ’n tragedienne in het meisje
zit, maar liefste, vóór alles wil ik dat mijn kind een goed mensch
wordt! en ik weet nu, dat zij dat hier nooit worden zou.
O! de bitterheid, Corona, om hopeloos aan een vrouw verbonden te zijn,
die de ziel van mijn kind vergiftigt, en haar, de heerlijke vrouw te
moeten missen, die ons beiden gelukkig zou kunnen maken. Maar
tenminste, erbarm je over het jonge leven, Corona, voor mij zelve smeek
ik je niet meer, ik heb leeren eerbiedigen je inzichten, al kan ik ze
niet deelen, maar voor Rosa wil ik bidden! geef haar de weldaad van je
nabijheid en je liefde! Niemand dan jij kunt haar maken tot de sterke
hooge vrouw die eenmaal mijn werk moet voortzetten! Mag ik op je
toestemming hopen, Corona? ik kan er niet aan twijfelen, al weet ik ook
hoeveel storing het in je drukke leven geven zal!......................
.......................................”
Corona zat lang bewegingloos, stil turend op den brief, dien zij niet
meer las.
Zijn woorden van teederheid voor het kindje, waarvan hij maar zelden
gesproken had, zijn toekomstdroomen, zijn angsten en zorgen voor de
kleine dierbare ziel, waren heel nieuw voor haar. Niet de kunstenaar
die werkt en zoekt, niet de denker die haar iets van zijn
gedachtenleven komt zeggen, niet de geliefde, die haar zijn arme
woorden van wanhoop en hartstocht zendt, geen van die allen, die zij
zoo goed kende, sprak uit het blad dat zij vasthield, alleen de vader!
En die nieuwe persoonlijkheid vervulde haar met vreemde ontroering.
O! zijn kindje, zijn eigen geliefd kind bij zich te zullen ontvangen,
het te zullen koesteren en opvoeden zoo als hij het begeerde! Een
zachte vreugde ging op in haar borst, een stille jubel, alsof zij op
dit oogenblik tot iets heerlijks was uitverkoren.
Zou nu niet tusschen haar en Frank een nog inniger band, met nog
dieper, heiliger beteekenis ontstaan? Maar toch .... dit kind was niet
van hem alleen .... en het beeld rees voor haar op dier onbekende
vrouw, die hem jaren lang het leven had verbitterd, die tusschen hen
stond met haar hardnekkig weigeren om hem zijn vrijheid weer te geven,
wier wuftheid nu zelfs een gevaar voor haar dochter was, maar die toch,
niettegenstaande dit alles, de moeder was van zijn kind!