oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning,
maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor
het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld,
met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone
geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt.
Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was
ook zoo moeielijk .... De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel
pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard’s declaratie had weten te
voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen
houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen
van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de ’n klein beetje
romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe
jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een
kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van
haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit
ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan.
Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de
zenuwprikkelingen van den middag.
Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn,
gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke
allusies, die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en
die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de
vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven
om zich in eerlijken kamp te verdedigen.
Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij
mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen
komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de
naïeve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje
glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in
machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de
blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort
daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel
vertoond.
„Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?” zeide Hilda onder het naar
huis rijden.
„Nous verrons, nous verrons.” Corry lachte even, verwonderd over
Hilda’s toon van ter verantwoording roepen. „Ik geloof het wel, maar
men weet het eigenlijk nooit .... Ik had gedacht dat ie ’t al lang
gedaan zou hebben.”
„Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?”
„Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede
omdat flirten altijd amusant is en ten derde .... In October word ik al
vier en twintig. Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik
bedank er voor om zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat
ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te
gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.”
Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het
donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien
ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd,
zooals iemand die vertelt langs welke route zij haar pleizierreisje zal
nemen en met ’n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond
in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij
het kille cynisme uit die rose lipjes.
Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing
klaar voor Hilda’s oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had
nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere
tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had
er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en
philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in
couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich
dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar vanmiddag had ze het begrepen.
Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars,
advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun
beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de
schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het
mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi
vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in
bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends,
zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als van zelf de gedachte
schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen
moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch
zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak
laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat
waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten
van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal
en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou
hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer
alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar
spreken om dit eéne mooie kind.
Met ’n bons trok Bernard Cranz de voordeur achter zich toe, peuterde
aan zijn das, die van achteren wat tegen het boordje was opgeschoven en
begon langzaam een van zijn lichtgele handschoenen aan te schuiven,
terwijl hij opliep met zijn geforceerd lange stappen, te lang voor zijn
beenen, waardoor bij elken pas zijn lichaam even naar voren knikte. Een
paar huizen verder stond hij stil en keek om, naar den knecht, dien hij
nog juist den anderen kant van de Javastraat op, en de hoek naar het
Nassauplein zag om gaan. Hij glimlachte, wond even met de dikke blanke
vingers zijn snor omhoog, en zag op zijn horloge, berekenend hoe lang
het duren kon vóór hij antwoord zou hebben op dien brief, dien hij aan
den knecht had meegegeven. Op zijn minst een uur, dacht hij, en ’t was
nou half negen, en langzaam slenterde hij naar den Scheveningschen weg.
Toen, in eens, voelde hij een hand op zijn schouder:
„Wel Narretje, dat is ook niet van gisteren dat wij elkaar gezien
hebben! Hoe staat het leven?”
„Gut Maarten! Ik wist waarachtig niet wie me daar bij dien ouwen
schooljongensnaam riep! Hoe heb je dien nog onthoûen?”
Zij stonden voor elkaar, Maarten van Hervoren en Bernard en schudden
elkaar hartelijk de hand.
„Natuurlijk, die ouwe namen en dingen vergeet je nooit. Op weg naar
Scheveningen?”
„Nee, ik maak maar zoo’n loopje, ga mee naar de Promenade ’n pousse
drinken, en vertel me waar je uithangt tegenwoordig.”
En onder het oploopen vertelden zij elkaar hun leven sinds den tijd dat
zij elkaar gekend hadden op de schoolbanken en later in de vakanties
thuis.
„En dus, je hebt voor goed je anker hier neergelegd?” zeide Bernard.
„O! dat weet ik nog niet. Misschien neem ik m’n wandelstaf nog wel weer
es op. Maar op ’t oogenblik bevalt het me hier best. Weet je wat het
is? Geld kun je hier niet maken, en de opvattingen zijn hier in ’t land
dikwijls erg klein en bekrompen, maar je leeft hier in Europa toch
intenser dan in de nieuwe landen. Ik ben den laatsten tijd vreeselijk
veel belang gaan stellen in de groote puzzles van onze
maatschappij.—Mijn moeder was er zoo mee vervuld en die laatste maanden
met haar hebben er me eigenlijk de oogen voor geopend.—Natuurlijk in
jonge landen heb je ook dezelfde vraagstukken min of meer; overal heb
je partijgekibbel en is er eén gedeelte van de menschen dat vooruit
wil, en den boel beter maken en een ander dat alles precies wil hoûen
zooals ’t is. Maar hier in het ouwe Europa is alles zoo veel
gecompliceerder en dus moeielijker interessanter, diepzinniger,
schilderachtiger, als men ’t zoo mag uitdrukken. O! het passionneert me
hier wezenlijk!”
„Zoo, ben jij ook al beet gepakt? ’t Is net ’n aanstekelijke ziekte
tegenwoordig, dat geleuter over sociale vragen! En nou zit je
natuurlijk tot over de ooren in enquêtes, werkstakingen,
vrouwenemancipatie, kiesrecht, arbeiderswoningen, anarchisme,
socialisme, gemeenschapskunst, vredebonden, godsdienstcongressen, vrije
liefde, vegetarisme en god-weet-wat!”
Bernard had het heel uit de hoogte gezegd, op elk woord drukkend, met
een kleinen ironischen klemtoon, die tergend werd bij de lange
opsomming, en sterker uitdrukte dan eenig betoog, dat hij, als
ontwikkeld man, op de hoogte van zijn tijd, de namen der kwesties
kende, maar tegenover al de vragen zelf, volkomen onverschillig stond.
Maar Hervoren scheen het niet te merken.
„Waarachtig zit ik er tot over de ooren in! Ik ben er als een razende
Roland op afgestormd en nou sleept het me van zelf mee! Het zijn
allemaal zulke ontzettend lastige problemen, en de strijd zal hoe
langer hoe heftiger worden. We gaan geweldige tijden tegemoet ....”
„Geloof je?”
„Ik ben er zeker van! Maar waar zit jij tegenwoordig?”
„In Londen, secretaris bij de legatie, en ik kan het er best uithoûen!
Verleden nog die gloeiende feesten van ’t huwelijk van prinses Mary mee
gemaakt, prachtig en ....” Maar ineens hield hij op, onder een
zonderling sterken aandrang plotseling om te spreken over dien brief
waar hij den knecht juist mee had weggestuurd en waarop hij straks het
antwoord zou ontvangen. Het was als een dringende behoefte op eens, die
moest worden bevredigd; hij kon er niet meer van zwijgen. „En waarom
eigenlijk ook? Wat kwam het er op aan of Maarten, zoo’n ouwe kennis,
het ’n beetje eerder dan de anderen wist?”
„En je mag me bijna feliciteeren ook, want ik ben op het punt om le
saut périlleux te doen, de groote stap in ’t gevreesde bootje!”
„Jij? .... wel, wel!”
„Ja, vindt je ’t niet verdienstelijk van me dat ik een meisje ga
gelukkig maken?”
„Ik vind het .... enorm verbazend. ’k Moet zeggen, ik dacht niet dat je
’t ooit zoover zoudt brengen!”
„Wel, waarom niet? Je moet er toch éens toe komen. Maar waarom vindt je
dat zoo verbazend?”
Er was iets in Hervoren’s koel ironische verwondering dat hem hinderde.
„Ik ben pas voor zaken van de fabriek in Parijs geweest en daar hebben
ze me juist nog stukjes van je verteld die .... nou, niet precies
lieten denken dat je trouwplannen had!”
„Van wie heb je dat gehoord?”
„Wel van van Praege, daar was je immers mee? en in Parijs van d’Aréchal
en du Plessiz en al de anderen ....”
Cranz lachte met een paar leelijke grimassen, half spottend, half
verlegen.
„Nou ja, iedereen heeft wel es iets op z’n kerfstok, en toen kende ik
haar ook nog niet; ik ben over Parijs hierheen gekomen.”
„Heeft ze ouders?”
„Om naar me te informeeren?” spotte Cranz, inwendig kwaad, omdat hij
achter Maarten’s woorden afkeuring voelde. „Nee, ze heeft geen ouders
meer en haar oom zal blij zijn dat ie ze met goed fatsoen kwijt raakt
....”
Maar toen geprikkeld door Maarten’s kille zwijgen, dat hem ergerde
omdat het in de plaats kwam van de gewone nieuwsgierige sympathie
waarmee men onder oude kennissen elkaars avonturen behoort aan te
hooren, begon hij opeens wat door te slaan:
„Nee, ik hoef niet bang te zijn dat iemand zich zal vermoeien om achter
mijn geheimpjes te komen, en als zij zelf ooit iets van die
geschiedenissen te weten kwam—maar vrouwen komen nooit achter zulke
dingen—dan is het nog niks! Je weet niet wat wij zondaars ’n boel vóór
hebben bij de dames boven de brave jongetjes. Als je ze maar kunt
wijsmaken dat je eerst in de macht van de zonde verstrikt was, maar
door haar invloed den weg naar den hemel hebt gevonden—en dat gelooven
ze allemaal dadelijk—dan vergeven ze je alles. Dat is de eenvoudige
reden dat je zoo dikwijls de grootste losbollen met de ernstigste
meisjes ziet trouwen en dat je de strengste matrones haar mannen, die
’t zoo nauw niet nemen met de huwelijkstrouw, altijd weer in genade
ziet aannemen. Als je ze maar telkens handig genoeg kunt inprenten dat
je verloren gaat als ze je laten loopen, kun je bij de vrouwtjes
vergiffenis krijgen voor alles en au fond hebben ze nog ’n speciaal
zwakje voor le pauvre pécheur! Dat is het duiveltje van de
reddende-engeltje-spelen-ijdelheid, voor ons ’n patente bondgenoot.”
Maarten liep zwijgend voort, zenuwachtig op zijn snor bijtend, en met
zijn gewone tic, als hij nadacht, zijn rechter oog uitwrijvend. Toen
vroeg hij onverschillig beleefd:
„En wie is het meisje, dat je op die manier gelukkig wilt gaan maken?”
„Freule van Suylenburg, die bij de van Starren’s in huis is.”
Maarten zag in eens op zijn horloge, haastig, en bleef staan aan ’t hek
van de Promenade:
„Sinds wanneer ben je dan eigenlijk geëngageerd?”
„Ik ben nog niet geëngageerd, kerel. Ik wacht vanavond pas haar
antwoord.”
„En ben je daar zoo zeker van?”
„Ik heb straks, toen ik den brief wegzond geprobeerd om heel angstig te
voelen, en ik weet wel dat ik nou bleek en van onrust bevend moest
rondloopen, maar ik kan het niet helpen, ik voel me erg akelig en
onpoëtisch bedaard. Ik begrijp niet waarom ze me niet zou aannemen?”
„Baron Cranz van Rozenhagen is geen partij die men zoo maar afslaat,
nietwaar?”
„Nou ja, entre nous, er zijn er wel slechtere, en of ze nou erg dol op
me is, weet ik niet, daar kun je met die lieve welopgevoede
huichelaarstertjes nooit achter komen: die ze het liefst behandelen,
hoûen ze soms voor de gek en soms zijn ze stug tegen dengeen waar ze ’t
mee meenen, maar de liefde zal later wel komen, dat komt wel terecht,
en wat voor reden zou ze eigenlijk hebben, om me te bedanken? Maar hoe
staat het met jou? Heb jij nog geen brave plannen?”
„O!—Nee!” Maarten zei het heftig, met een verren strakken blik, die
zijn lichte oogen bijna zwart maakte, doordat alleen de pupil tusschen
de toegeknepen oogleden zichtbaar was—„maar als ik ooit trouw, verzeker
ik je dat ik geen vrouw ga zoeken onder de freuletjes, die op ’n goeie
partij zitten te wachten! Ik denk dat ik nog es zoo’n arm naaistertje
zal nemen, dat jaar in jaar uit heldhaftig liever voor bloedgeld zit te
pikken dan zich makkelijk te laten onderhoûen door den een of den
ander.”
„Allemachtig, wat ’n rooie illusies! Nou ieder zijn smaak! Maar ga toch
zitten. Wat wil je hebben? ....”
„Dank je, ’t spijt me, maar ik moet je in de steek laten; ik had bijna
vergeten dat ik straks iemand moest gaan spreken. Bonjour, tot plezier.
Daar is net de tram.”
En Hervoren holde de trapjes van de Promenade af en sprong met een
behendige beweging van zijn lang lenig lichaam op de voorbijkomende
tram en Cranz, vóór hij het goed besefte, zag hem op de platform achter
het traliehek wegglijden en verdwijnen in de groene, donkere massa van
den weg.
„Wat ’n rare kerel is ie geworden,” zeide Bernard in zich zelve, maar
lang verdiepte hij zich niet in dat zonderling plotseling weggaan.
Langzaam, onder het glaasje triple sec kwam Hilda’s beeld hoe langer
hoe duidelijker vóór hem, en wat hij zich vanavond vooral bijzonder
goed van haar kon voorstellen, waren hare schouders, zooals hij die op
’t laatste bal bij de Binckhorsten had gezien. Mooie blanke schouders
waren het, rond en toch meisjesachtig, niet te gevuld en ’t was
vanavond alsof die schouders het eenige was waar hij aan denken kon.
Haar oogen kon hij zich niet volkomen duidelijk voorstellen, en ook
eigenlijk niet het voorhoofd, alleen ’n paar kleine donzige krulletjes
op zij van den nek, vlak bij het rozige oorlapje en daar onder de
blanke trotsche hals en dan weer de schouders.
En terwijl zijn sigaar in de stille avondlucht lange blauwige
dampkronkels om hem heen slingerde, bleef hij behagelijk zitten soezen,
maar Hervoren tramde recht door, naar zijn kamers op de Plaats, en
werkte hartstochtelijk tot laat in den nacht een nieuwe brochure over
socialisme en individualisme door.
Hilda was dien dag dadelijk na het eten naar haar kamer gegaan en een
boek begonnen dat Valérie Vermaezen haar dringend had aanbevolen. Het
was een dier fransche romans, die als verschietende sterren even langs
den literairen hemel glijden, maar in hun kort bestaan de wereld met
dertig herdrukken vergiftigen. Vlugge dialoog, beschrijving van
toiletten en zinneprikkelende tooneeltjes zijn er de levenskrachten
van, en knap genoeg geschreven om ’t gewone publiek te bekoren en niet
knap genoeg om serieuse kritiek op te wekken, zijn zij oneindig
gevaarlijker dan Zola’s ruwst realisme, omdat zij minder waar, minder
ernstig zijn, en ongemerkt in de meisjes-boudoirs doordringen om er de
verbeelding te verontreinigen, de zenuwen te verslappen. Natuurlijk
handelde het over het eeuwig geliefde onderwerp der middelmatige
Fransche auteurs: een getrouwde vrouw, die een liefdesbetrekking heeft
aangeknoopt met den vriend van haar man. En ofschoon zeer zeker deze
strijd van het arme menschenhart tusschen verlangen en eens beloofde
trouw, tusschen meesleependen hartstocht en afkeer van bedrog plegen
tusschen het opgeven van den geliefde en het breken met den man die den
eersten kus ontving, door alle eeuwen heen een van de meest tragische
zal blijven, het bestudeeren van zulke problemen onder leiding van
jonge auteurtjes, die hun studies over „de vrouw” en „de liefde”
voornamelijk op de Parijsche boulevards en achter de coulissen hebben
gemaakt, moet alles behalve opbouwend voor jonge meisjes werken.
Een poosje las Hilda voort, half verontwaardigd, half nieuwsgierig,
verwonderd dat Valérie zoo iets kon aanbevelen. Maar Hilda behoorde tot
die zeldzame, volkomen geëquilibreerde reine gemoederen, waarlangs het
kwade heenglijdt als modderspatten langs zwaneveeren. Eén slag met de
vleugels, en de vuile druppels zijn afgeschud, het blanke dons is weer
smetteloos. Zoo ook Hilda: haar gedachten bleven rustig, haar zenuwen
onbewogen bij het zinneprikkelend Fransch vergif. En toch ging zij
voort met lezen, ook toen zij merkte welke lectuur het was. De
vloeiende vorm, die onwillekeurig boeit, een soort van indolente
nieuwsgierigheid, en behoefte aan een lichte afleiding na al de
ontstemmingen van dien dag, lieten haar lusteloos voortlezen.
Maar toen op eens kwam er een groote stoornis. Men bracht haar een
brief, een groot couvert met het adres door een mannenhand geschreven
en gezegeld met het wapen van Cranz. Bevend hield ze het geheimzinnige
papier in de hand, wachtend tot de knecht de kamer weer verlaten had.
Het was een gewichtig oogenblik, dat deze brief in haar leven kwam
brengen, zij voelde het en het verwarde haar.
Maar uit den chaos van plotseling heftig opgeschokte aandoeningen was
het eerste wat klaar tot haar bewustzijn doordrong een razend gevoel
van teleurstelling, wreede bittere teleurstelling, omdat bij het
openscheuren van den brief zij het op eenmaal duidelijk in zich voelde
hoe heel haar wezen verlangde naar liefde geven en liefde ontvangen, en
hier nu, zij wist het, kwam liefde vragend tot haar en zij had niets te
geven.
Langzaam ontvouwde ze den brief en las de hartstochtelijke woorden
waarin Bernard haar vroeg om zijn vrouw te worden. Het was doodstil in
de kamer en ze bleef zitten, lezend en herlezend die liefdewoorden, als
om hun zin geheel in zich op te nemen, en langzaam stegen toen uit de
warreling van haar emoties, naast het eerste eerlijke deceptiegevoel,
veel andere meer gecompliceerde gedachten op, die haar meevoerden in
een lang gedroom. Er was wrevel in haar impressies, omdat Bernard het
toch gewaagd had haar te vragen, na al haar koelheid, en ook een beetje
minachting omdat hij zonder eenige zekerheid van haar liefde, haar toch
tot zijn vrouw had gewenscht, maar ook was er in bedwelmende streeling
van ijdelheid! Het was bijna duizelend dat machtsgevoel om op dit
oogenblik te kunnen beslissen over het levensgeluk van een ander
mensch. Een wereld van compensaties voor veel vernedering ligt er voor
de vrouw in dit moment van zich geven of weigeren, van daar wellicht,
dat de meest onderdrukte vrouwen altijd het wreedst zijn geweest in dit
éene machtuur van haar leven.
Maar toen begonnen onrustige gedachten en vragen op te stormen in haar
hoofd; hoe zou hij het opnemen als ze weigerde? Zou de oude mevrouw
Cranz bitter bedroefd zijn, zou hij veel lijden en jaren lang er onder
gebukt gaan? en ze kreeg medelijden en een weeker gevoel voor hem bij
de voorstelling dat hij misschien diep rampzalig zijn zou. En toen ....
als van zelf kwam de vraag in haar op waarom ze eigenlijk weigeren zou
en zooveel leed zou geven? zij had hem niet lief, straks bij ’t
ontvangen van den brief had zij het immers volkomen duidelijk gevoeld?
Maar misschien zou ze hem eenmaal lief krijgen, als ze hem beter kende
.... Zij had hem nu oppervlakkig en cynisch gevonden, maar misschien
gaf hij zich niet in de wereldconversatie zoo als hij wezenlijk was.
Zijn brief was zoo teeder en ootmoedig een zoete streeling was het om
dien laatdunkenden man, die gevierde partij, zoo smeekend aan haar
voeten te zien. Het verteederde haar op eenmaal, zij had toch niets
gedaan om hem tot zich te trekken, en als hij haar nu toch, na al haar
reserve zoo lief had gekregen, welk een invloed moest ze dan op hem
verkrijgen kunnen! Misschien zou ze hem kunnen leiden, vervormen naar
haar eigen ideaal? Het was de oude illusie waarvan de wreede
teleurstelling duizende vrouwenlevens heeft vernietigd maar op dit
oogenblik met de passiewoorden van Bernard vóór zich, scheen haar heur
macht zoo onmetelijk groot, en zij wist zoo weinig hoe diep de stempels
van wereld-cynisme en demoralisatie zich in de ziel drukken.
En terwijl ze zoo voort bleef peinzen en de kamer zich met schemering
vulde, steeg er voor haar verbeelding een teeder tafreeltje op, vaag en
toch gedetailleerd zooals in droomen. Zij zat in een kleine kamer, die
veel op haar boudoirtje op Suylenburg leek en een groote lamp met
geelzijden kap wierp een zacht licht over de kamer en de theetafel waar
het fijne blauw porcelein zich in het zilver spiegelde; en vlak bij
haar stond een rose zijden mandje met kant bekleed, waarin een klein
teer kindje sliep. Zij zag de rose handjes en de hulpelooze beweginkjes
en een vermoeden van onuitsprekelijke weelde doortrilde haar. Toen werd
de deur geopend, zij hoorde iemand binnen komen, die naderde en zich
tot haar over boog .... Maar toen was het visioen verdwenen, ze
huiverde. Zich zelve met het kindje voor te stellen scheen zoo
natuurlijk, maar dat Bernard Cranz zoo zou kunnen binnen komen en haar
zou kunnen kussen als zijn vrouw, ze durfde er zelfs niet meer aan
denken. Het vervulde haar met schrik en schaamte als van een zondige
gedachte.
„Ik moet hem afschrijven!” zeide ze op eens heel zenuwachtig. „Ik zal
probeeren voorzichtige zachte woorden te vinden.” Maar ze bleef zitten
en op nieuw slopen vreemde, tegenstrijdige gedachten af en aan, die
haar wil verlamden en haar het pad onduidelijk maakten.