verlangend had uitgezien sinds het oogenblik dat mevrouw Cranz hem
gevraagd had te komen. Het vooruitzicht alleen met Hilda een paar uur
samen te werken had hem dagen van koortsige blijheid gegeven; honderd
malen had hij die oogenblikken voor zijn verbeelding gesteld, ze gevuld
met al de woorden vol diepe, teere beteekenis, die hij haar zeggen zou,
maar haar laat komen en koele begroeting ontroerden hem plotseling met
onrust. Het was, alsof er bij haar binnenkomen, op eens iets in hem was
gebroken.
„Wat ’n prachtig weer, freule, vindt u niet? Maar haast al te warm!”
„Ja veel te warm!” en Hilda bukte zich over een groote mand met
speelgoed en ging ijverig aan het uitzoeken.
„Dit is ’n hoopje prenten en boekjes voor de doofstommen,” zeide
Moisette na een poosje. „Als u er speelgoed voor bij elkaar hebt
gezocht, wilt u het dan hierbij zetten? En hier in de hoek is voor de
verwaarloosde meisjes van de Annastichting ....”
„Dank u, ik weet het. Mevrouw heeft het me gisteren allemaal verteld.”
Weer volgde een lange pauze; beiden werkten schijnbaar ijverig voort,
elkaar onbemerkt bespiedend.
„Wat is er toch in vredesnaam met haar gebeurd?” dacht Moisette, en
wanhopend zag hij den tijd voorbijgaan van de kostbare uren, waarvan
hij zich zooveel had voorgesteld.
„Zoudt u denken dat we vanmorgen klaar komen? Ik had gedacht .... ik
had .... gehoopt dat .... u vroeger zoudt zijn gekomen!”
Het was zacht gezegd en Hilda wist hoe hij het bedoelde, maar het
prikkelde haar plotseling tot verzet. Misschien was het ook de reactie
van het opwindend gesprek dien morgen, misschien ook het gevoel dat het
onhoudbaar was langer haar stugge zwijgen te bewaren, terwijl zij hem
naast zich voelde smachten naar een vriendelijk woord.
„Ja!” zeide ze uitdagend, bijna vijandig: „Ik zou ook eerder gekomen
zijn, maar onderweg kwam ik juffrouw Wendelings tegen en ik ben ’n eind
met haar omgeloopen om haar van haar dwaze besluit af te brengen.”
Er was, terwijl zij sprak, in eens een harde uitdrukking in zijn
gezicht gekomen. Dát was het dus waarom zij vanmorgen zoo koel was!
Overal dus moesten hem die ellendige emancipatieidées als booze geesten
vervolgen! In zijn gemeente moest hij ze overal bestrijden en nu wilden
zij hem ook de vrouw, die hij liefhad ontnemen.
„Ik vind het besluit van juffrouw Wendelings volstrekt niet dwaas,”
zeide hij streng met iets van ouderwetsch priesterlijke hoogheid. „Ik
vind het zeer in het meisje te waardeeren, dat ze terug is gekeerd tot
haar plaats als vrouw in de binnenkamer.”
Maar toen Hilda hem een oogenblik zwijgend had aangezien met haar
groote oogen vol uitdagende spot, verloor hij zijn zelfbeheersching:
„De vrouw is veel te mooi, te teer, te hoog, te zwak voor zulk
kantoorwerk!” zeide hij heftig, verward.
„Te teer, te mooi, te hoog voor kantoorwerk?” herhaalde Hilda. „Maar
niet te mooi, te hoog, te teer om armoe te lijden niet waar? En te
zwak? De vrouw niet sterk? Alsof de voorzienigheid, éen deel van de
menschheid, het mannelijke, gezond en flink zou hebben gemaakt, en het
andere, het vrouwelijke, te zwak en te ziekelijk om de gaven, die het
gekregen heeft te gebruiken. Ik zou durven wedden dat op haar kantoor
geen harer heeren collega’s zoo frisch en stralend van gezondheid was
als juffrouw Wendelings! En alsof niet in een massa gevallen het
huishoudwerk oneindig meer kracht vereischt en vermoeiender is dan
geregeld kantoorwerk! Kijkt u maar es naar de huisvrouwen op het platte
land, die nog veel zelf moeten doen, dat de stadsdame kant en klaar in
de winkels koopt; kijkt u maar es even naar de boerenvrouw, zooals ze
b.v. in Suylenburg, en overal in Noord-Brabant is, of ze niet nog veel
harder dan haar man werkt! en niemand merkt daar iets van die
veelbesproken zwakheid! En dan de fabrieksarbeidster, die dikwijls
hetzelfde werk als de man doet en nog het huiswerk bovendien. O! al die
fabels over vrouwenzwakte! Gelooft u niet dat de meesten van al de
kwaaltjes van ons vrouwen uit de hoogere standen alleen ontstaan door
het tegelijk leege en overspannen leven, dat we leiden: vol drukte en
zonder arbeid! met veel tijd om over onze petite santé te denken en
weinig ernst om hygiënisch te leven?”
Zij lachte, een beetje brooddronken door haar eigen woordenvloed, die
ze met kracht uit haar lippen voelde wegstroomen. En zooals ze daar
vóór hem stond met haar glanzende groote oogen, de volle roode lippen
even geopend in een trotschen lach, hoog opgericht het slanke,
veerkrachtige lijf, scheen ze elk argument van vrouwenzwakheid te
tarten. Maar toen ging ze weer voort, zonder te bemerken hoe
hartstochtelijk hij zijn blikken op haar gevestigd hield, hoe hij
nauwelijks scheen te hooren wat zij zeide, verloren in het strakke
kijken naar haar mooi bezielde verschijning:
„Heusch Dominee, de tijden zijn voorbij, dat we om gedistingueerd en
echt vrouwelijk te zijn, er bleek moesten uitzien en flauwvallen en
niet eten mochten en zwakjes moesten doen. In de twintigste eeuw zal de
vrouw onder haar lievelingsstudies de hygiëne rekenen en sterk zijn! En
dan, vergeet u ook niet, als er nu soms over mindere werkkracht bij de
vrouw geklaagd wordt, dat we in ’n overgangsperiode leven, waarin dus
de gegevens hoogst onzuiver zijn. Hoeveel vrouwen moeten niet, vóór zij
haar werk kunnen aanvangen, een groot gedeelte van haar krachten geven
in het worstelen tegen familie en wereld-vooroordeelen, dáar waar de
man onbelemmerd, zelfs aangemoedigd zijn gang kan gaan? En het is geen
kleinigheid, en zeer afmattend, om tegen onwil en tegenwerking in, het
eigen pad te volgen! En voor de meeste mannen is er na volbrachten
arbeid rust en ontspanning, terwijl op ontelbare vrouwen, na haar
dagtaak, nog eindelooze huishoudzorgen wachten. De
dochter-onderwijzeres heeft na haar schooluren menigmaal nog al het
verstelwerk der geheele familie, de zoon-onderwijzer kan zich rust
gunnen. Het onrecht tusschen de sexen in het familieleven, zooals dat
nu nog is, drukt als een ontzettende belasting op de zenuwen en
werkkracht der vrouwen uit dezen tijd ....”
Maar plotseling hield ze stil. Mevrouw Cranz was binnen gekomen en nog
nooit had Hilda het lieve oude gezicht met die uitdrukking gezien.
„Moisette,” zeide de oude dame, de stem bevend, heel achter in de keel.
„Mevrouw Wendelings is daar juist bij me geweest met haar dochter, maar
ik moet zeggen, dat ik je dit hoogst kwalijk neem!”
Hilda bukte zich diep over de mand met speelgoed, erg onthutst. Mevrouw
Cranz moest wel heel boos zijn, om haar lieveling op die manier toe te
spreken. Voorzichtig ging ze achter haar om, onhoorbaar naar de deur en
sloop de kamer uit.
Moisette was heel bleek geworden, zenuwachtig, met ’n beweging van
gewoonte wierp hij een van de sluike, zwarte haarlokken terug, die
telkens op zijn voorhoofd vielen. Dus ook zijn oude vriendin was nu
tegen hem om die ongelukkige geschiedenis!
„O! die rampzalige emancipatie,” zeide hij half luid in een zucht.
„Zeg liever dat rampzalige conservatisme,” zeide mevrouw Cranz ernstig.
„Die rampzalige onmacht om mee te voelen, te begrijpen, den drang van
je tijd!”
Hij zag haar even aan, en toen driftig:
„Wel mogelijk, maar ik kan het niet helpen! De vrouw staat voor mij te
hoog, en het is mij een gruwel, dat vrouwen mannenwerk gaan doen!”
„Mij ook!” zeide mevrouw Cranz warm. „Een gruwel! Maar het komt er maar
op aan wat wij mannenwerk noemen!” Zij ging zitten en haalde uit haar
sleutelmandje eenige velletjes papier, waarop ze onlangs uit boeken en
tijdschriften, die zij gelezen had, notities had gemaakt. „Wil je dit
es even inzien? Dit is wat ik mannenwerk noem, niet omdat door allerlei
toevallige omstandigheden de man er voornamelijk in gearbeid heeft,
maar omdat dit soort werk de vrouw in haar meest vrouwelijke functie,
het moederzijn beleedigt. Maar omdat het lage verachte arbeid is,
worden er nauwelijks enkele stemmen gehoord, die protesteeren tegen
deze hoogst „onvrouwelijke” bezigheden! Wie bekommert er zich over dat
duizende arme schepselen en haar kinderen te gronde gaan. Eerst als het
geldt goedbetaalde, fatsoenlijke baantjes, waar de vrouw volkomen
veilig bij is, gaan er huichelkreten van „onvrouwelijkheid” op.”
Moisette had het papier genomen en werktuigelijk las hij het door. Maar
langzamerhand toch kregen de woorden beteekenis voor hem en begon hij
nauwkeurig opnieuw te lezen:
De kinderen der loodwitwerksters komen slechts ter wereld om bijna
zonder uitzondering aan stuipen en loodwitvergiftiging te sterven. Zij
worden òf te vroeg geboren, òf sterven binnen het eerste jaar. Mr.
Vaughan Nash. Fortnightly review Febr. 1893.
De aandacht wordt in de fransche bladen gevestigd op de enorme sterfte
onder de poudreuses, de bestuifsters, in de fabrieken van gekleurd
porselein en aardewerk. Te Limoges sterven de jonge fabriekwerksters in
grooten getale aan loodzoutvergiftiging; het werk is het volgende:
zoodra de bladen met een patroon in kleefstof bedrukt uit de machine
komen, moet de werkster een prop droge watten, die zij in metaalpoeder
gedompeld heeft, er over laten gaan, vóórdat de kleefstof droog is. Het
poeder verspreidt zich als een wolk om de werkster en hoe meer zij zich
haast, des te dichter is de atmosfeer er mee vergiftigd. De poudreuse
moet 250 bladen per dag bewerken, het loon is 15 à 20 centimes per uur!
Welke kinderen zullen zulke vrouwen voortbrengen?
Onder de beroepen voor vrouwen zijn er velen die het grootste gevaar
opleveren. Zoo is het gevaar voor inwerking van zwavelzure en
alkalische gassen in hooge mate voorhanden bij het stroohoeden maken en
wasschen, het gevaar voor vergiftiging, bij het vervaardigen van
gekleurd papier en bloemen, en van metachromotypie, bij het behandelen
van vergiften en chemicalieën, het beschilderen van looden soldaten en
looden speelgoed. Het bedekken van spiegels met kwikzilver is voor de
vrucht der zwangere arbeidster meestal doodelijk. Als men gemiddeld
rekent dat van levend geboren kinderen 22 percent gedurende het eerste
levensjaar sterven, dan kan men rekenen dat van levend geboren kinderen
van spiegelbedeksters 65 percent, van glasslijpsters 55 percent, van
loodwerksters 40 percent in het eerste jaar sterven. Volgens Dr. Hirt
zijn in de tweede helft der zwangerschap bijzonder gevaarlijk voor de
werksters zelven en hare kinderen het fabriceeren van gekleurd papier,
van kunstbloemen, het zoogenaamde bestuiven van Brusselsche kant met
loodwit, het vervaardigen van decalqueerplaatjes, de
caoutschoucindustrie en alle verdere fabrieksarbeid waarbij de
werksters blootgesteld zijn aan het inademen van schadelijke gassen:
kooloxyde, koolzuur en zwavelwaterstofgas. Hoogst gevaarlijk is ook het
maken van phosphorlucifers en het zijde spinnen. Bebel. „Die Frau und
der Socialismus.”
De toenemende gewoonte om in publieke plaatsen van vermaak en
consumptie vrouwelijke bedienden in plaats van mannelijke te nemen,
dreigt een groot gevaar te worden voor de physieke en moreele
gezondheid van het volksmeisje, de toekomstige volksmoeder. Brochure,
Mevrouw van Bergen: „Sluit men voor de vrouw de goede broodwinningen
dan moet zij de kwade wel opzoeken.”
Het lijstje met aanteekeningen van mevrouw Cranz was lang. Feiten en
cijfers en aanhalingen uit statistieken volgden elkaar op tot Moisette
er langzamerhand ’n visioen uit voelde opstijgen van nameloos, stil
gedragen lijden, van ontzettend zwaar sloven waar niemand zich om
bekommerde en van folteringen, geluidloos ondergaan.
„Zie je, als je nou van mannenwerk praat, dan noem ik dát mannenwerk,”
zeide mevrouw Cranz. „Als men aanneemt dat dit werk gedaan moet worden,
dan beter door den sterke, den man, dan door haar die ’t nieuwe
geslacht moet voortbrengen en voeden. Maar juist voor zulk werk wordt
de vrouw bij voorkeur gebruikt omdat zij een goedkoope arbeidskracht is
en niemand hoor je daarbij roepen over onvrouwelijkheid!”
„Het is ontzettend, ontzettend!” herhaalde Moisette en driftig gooide
hij de zwarte sluike lok weer naar achteren, die op zijn voorhoofd was
terug gevallen. „Daar moeten wetten voor gemaakt, dat is duidelijk!
Heel eenvoudig moet de wet dit werk aan vrouwen verbieden.”
„Flink zoo! en wat moet er dan van al die duizende vrouwen worden die
in eens broodeloos zijn gemaakt? Geloof je dat die arme schepsels, die
zulk werk verrichten”—met een hoofdknik wees zij naar het papier, dat
hij nog in de hand hield,—„het voor haar amusement doen? Zij doen het
natuurlijk uit nooddwang, ontneem of beknibbel je haar nu dat bloedig
gekochte stukje brood, zonder haar iets anders er voor in de plaats te
geven, dan drijf je haar eenvoudig den weg op van de gevangenis of
erger nog .... Je ziet, zulke verbodsbepalingen, alleen, zonder verdere
ingrijpende maatregelen, zonder andere hulp, zijn een meedoogenlooze
oppervlakkigheid! O! die vrouwenkwestie is zoo maar niet ’n eenvoudig
knoopje, dat men es even met ’n wetje en ’n paar rollende phrases kan
doorhakken! Zij raakt tot in het hart van de sociale vragen! Maar daar
spreken we op dit oogenblik niet over. Wat ik je even wou laten zien
was maar hoe al die ridders, die in naam van teerheid en mooiheid onze
vrouwen terug dringen uit de goede betrekkingen,—vooral in Duitschland
is dat type nog sterk vertegenwoordigd,—zich al bitter weinig
bekommeren om wat er van haar terecht komt, als zij maar tevreden zijn
met het ellendige slecht betaalde werk, dat in de vreeselijkste
beteekenis van het woord onvrouwelijk is! O! al die huichelachtige
ridderlijke phrases!”
„U bedoelt toch niet dat u mij ook voor huichelachtig aanziet?”
„Nee, dat geloof ik niet,” zeide ze zachter, „ik sprak meer in ’t
algemeen. Jou zou ik alleen willen beschuldigen van .....
oppervlakkigheid .... stil, laat me even uitspreken, ik bedoel dat je
niet, lang niet genoeg hebt nagedacht en onderzocht om deze groote
kwestie te mogen bestrijden! Ik ben ’n ouwe vrouw, Moisette, ik heb zoo
veel beleefd en geleden, en natuurlijk, ’t kost me soms groote moeite
om me te verplaatsen in den gedachtengang van de jongeren, maar dit is
een zaak van humaniteit en rechtvaardigheid, waar ik mijn volle
sympathie dadelijk aan heb kunnen geven, en dat zou jij ook doen als je
de vraag ernstig had bestudeerd.”
„O! maar ik ontken ook niet dat er in die vrouwenbeweging wel iets
goeds is,” antwoordde hij langzaam. „Maar .... denkt u nou, om es ’n
voorbeeld te nemen, dat voor de hand ligt ... de freule van Suylenburg,
zoo gracieus, zoo teer en fijn in al haar voelen en denken, op ’n
kantoor of aan ’n ministerie. Zoudt u dat niet afschuwelijk vinden?”
„O, maar zóo moet je de zaak niet voorstellen!” riep de oude mevrouw
levendig. „De vraag is niet of het voor rijke meisjes een geluk zou
zijn om droge kantoorbaantjes te gaan bekleeden, ofschoon, ik voor mij
geloof, dat het voor de zenuwen van onze jonge dames heel best zou
zijn, als zij eenige uren van den dag vast werk hadden, op ’n kantoor,
in de keuken, op school, op ’n atelier, in ’n ziekenhuis of waar dan
ook. Maar wij hadden het nu over die ontelbare massa vrouwen, die
ongefortuneerd zijn, zooals juffrouw Wendelings, wier aantal door den
druk der tijden voorloopig nog enorm zal toenemen, en die aan meer en
aan betere betrekkingen moeten geholpen worden. Stel nu bijvoorbeeld de
freule Hilda verloor haar fortuin, wat makkelijk zou kunnen
tegenwoordig met al die geldcrisissen niet waar? zou je haar dan niet
veel liever klerk of ambtenaar zien worden met ’n fatsoenlijk
tractement en vrije avonden dan juffrouw van gezelschap of bonne, het
eenige wat nu voor haar open zou staan, en wat zeker in acht van de
tien gevallen een heel onderdrukt droevig leven beteekent? Maar weet je
wat Moisette?” En ineens ontrimpelde zich de stroeve trek in haar
gezicht, ze lachte, weer in een goed humeur gebracht door het grapje,
dat haar zoo juist inviel.—„Al degenen die nu tegen ons streven zijn,
om de vrouw aan betere werkkringen te helpen, moesten eigenlijk
gedwongen worden om ’n fonds bijeen te brengen, waaruit alle
onvermogende vrouwen konden putten om werkeloos als de leliën des velds
voort te leven! Zou je dat geen prachtig idee vinden, zoo’n fonds?
Moreel zijn jullie er toe verplicht, hoor, als je het verdienen van de
vrouw zoo af keurt! Want of jullie ’t nou goed vindt of niet, om te
leven, al is ze ook nog zoo’n ideaal wezen, moet elke vrouw heel gewoon
eten, om te kunnen eten moet er geld zijn, en om geld te krijgen moet
er verdiend worden, mijn waarde, dat is onverbiddelijke logica! nou,
wat denk je van zoo’n fonds?”
Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik
besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg
om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als
ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij
zou denken dat ze voor hem kwam .... Toen werd er een deur geopend,
achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar
betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze de trap op, naar
boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg
vond.
„O! wat een trouble en gezeur allemaal!”
Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was
te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de
kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der
banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin
mevrouw Cranz had zitten lezen,—een engelsche brochure die veel opgang
had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices,—lag geopend op de
tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken, maar toen ze
op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had
begrepen.
Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor
den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat
maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe
argumenten tegen Bertha’s bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij
daar straks niet aan gedacht had. „Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan
doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het
hem es flink zegt ....” Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met
hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die
van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook
menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en
anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten.
Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in
zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in
eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken
van de pendule. Ze keek om, het moest wel ’n half uur zijn sinds ze
hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas
tien minuten waren voorbij gegaan.
Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag;
bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef:
Lieve Corona!
Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen
zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie
even praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft
gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd
hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur
rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: „onvrouwelijk!
want dit werk is te hoog voor u!” Aan den anderen kant staan onze
vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: „onvrouwelijk! Gij staat
te hoog voor dezen arbeid!” En het groote publiek schermt met de
argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen
zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en
onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze
individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast
hem!
Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift.
Je Hilda.
Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend
werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe;
ze voelde dat het Bernard zijn moest.
„O! Pardon, freule, ik wist niet .... ik stoor u toch niet?”
„Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat
uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.”
„Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!”
zeide hij met een leelijken lach.
Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden
lag, en het ontstemde haar.
„Het is geen wonder,” zeide ze koel, „in dezen tijd, dat op alle gebied
de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens
is, al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp
is belangrijk genoeg om er ’n beetje over te discussieeren!”
„O ja, de emancipatie, nietwaar?”—Hij zeide het met zijn glimlach van
voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd.—„Ik was straks
even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven
er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet
wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik ’n
heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst
interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en
rechten .... ik moet u zeggen .... dat lijkt me al heel weinig
aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?”
„U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse
der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!” Ze
zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid,
waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande:
„Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die „weinig aantrekkelijke”
kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal
komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen
had?”
„O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!” zeide hij in eens heel
zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat
bekorend op vrouwenzenuwen werkte. „Mama zal wel zóó klaar zijn en ze
zou ’t zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.”
Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar
koelheid en scherpe woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had
ze eenvoudig voor één van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen
gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien
ook was ze ’n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even
laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. „Jonge meisjes
hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze
werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken
.... en toch ....”
Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met
kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te
breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken
door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de
stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen
toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook
niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij
intuïtie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een
oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een
lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de
deur.
„Nee, heusch, mijnheer Cranz, ’t is beter dat ik nou maar naar huis ga.
Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?”
Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde
ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik
staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat
was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar
de kracht tot gaan ontnomen had, maar de angst dat Bernard haar
misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort.