kan volhouden, zal ze zich van zelf terugtrekken. Maar vergeet u niet
dat overal waar verbeelding, intuïtie, delicate analyse, fijnheid van
voelen en raden bij te pas komt, de vrouw gauwer en met minder
inspanning haar doel zal bereiken dan de man. Edison bijvoorbeeld
schijnt op zijn werkplaats liever vrouwen-machinisten dan
mannen-machinisten te gebruiken, en moet es gezegd hebben dat over het
algemeen de vrouw veel gauwer begrip van machinerie kan vergaren dan de
man. En op het tooneel hebben immers ook alle groote actrices, veel
jonger dan de groote acteurs, de volle hoogte van haar talent bereikt.
Door sommige eigenaardige vrouwelijke gaven, van zich makkelijker in
andere omstandigheden in te denken, zich makkelijker andere
persoonlijkheden te assimileeren, bereiken de Sarah Bernards en de
Rachels veel gauwer en met minder zware studie haar gloriepunt dan de
Talma’s en de Monnet Sullys. En zoo heeft me ook eens een beroemde
vrouwelijke tandarts te Londen gezegd dat het kiezentrekken misschien
te zwaar voor veel vrouwen zou zijn als het alleen op kracht aankwam,
maar doordat de vrouwenhand dikwijls subtieler, fijnervoelend is dan de
mannenhand, merkt de vrouw gauwer naar welken kant getrokken moet
worden, en hierdoor kan zij dus met minder krachtsinspanning volstaan.
U begrijpt wat ik hiermee bedoel, nietwaar? Dat het wellicht blijken
zal, in sommige gevallen, dat de vrouw, door enkele harer eigenaardige
gaven, langs een anderen weg, met andere middelen, hetzelfde doel zal
bereiken, en voor hetzelfde werk zich op een andere manier en misschien
minder, zal moeten inspannen. Maar al was het waar dat wij ons voor den
zelfden werkkring evenveel of meer dan de man moesten aangrijpen, dan
hou ik het er toch nog voor dat we over het algemeen best tegen hem
zullen kunnen opwerken! Dit is trouwens al glorierijk bewezen bij alle
examens, op alle scholen, conservatoires, academies, waar men vrouwen
heeft toegelaten, en als ik naga hoeveel, op z’n zachtst uitgedrukt,
hoogst middelmatige heeren ik dezen winter heb ontmoet, die hooge
betrekkingen bekleeden, dan geloof ik zelfs dat we op den duur
makkelijk zullen kunnen mee doen.”—Zij lachte even, de oogen vol
ondeugend licht.—„En als dan de tijd zal zijn gekomen van den korten
arbeidsdag in alle kringen en als men de krankzinnige overdrijving in
het onderwijs zal hebben laten varen, die nu zooveel slachtoffers kost,
evengoed onder de jongens als onder de meisjes, en er in de opvoeding
meer op gezondheid en karakter en intelligentievorming, dan op
ingepompte schoolboekengeleerdheid gelet zal worden, dan zal op den
duur de zuster zonder het minste bezwaar naast den broer kunnen
opwerken en heel wat levenskrachtiger kinderen voortbrengen, dan het
slappe zenuwachtige vrouwengeslacht van nu!”
„Maar als u dan gelooft dat de man en de vrouw precies hetzelfde zijn,
waarom ....”
„O! pardon!” zeide Hilda snel. „Dat geloof ik heelemaal niet! Ik geloof
dat zij equivalent zijn, maar heel anders, munten van gelijke waarde
maar met andere stempels!”
„Nou ja,” zeide Bertha ongeduldig, „als u dan meent dat de man en de
vrouw equivalent zijn, hoe komt het dan dat de emancipatie nou pas
begonnen is? Het is onzinnig, zegt dominee Moisette dat, wat altijd
bestaan heeft en duizende jaren geduurd, nou ineens door een troepje
dames zou worden omvergeworpen!”
Hilda stond in eens stil. Zij waren de boschjes reeds diep ingegaan.
Een bank stond vlak bij haar en zij liet er zich moe op neervallen.
„Hoe is het mogelijk!” zeide ze bitter. „Hij neemt de
verantwoordelijkheid op zich om uwe carrière te breken en weet zoo
weinig van die zaken, dat hij zoo iets zeggen kan!”
„Is het dan niet zoo? U hebt daar juist zelf gezegd, dat de emancipatie
nog zoo jong was.”
„Ja, wel het woord, en het bewuste streven er naar door min of meer
aaneengesloten partijen en het consequent doorvoeren van haar
principes. Maar de behoefte naar meer vrijheid en recht is er altijd
geweest. Of dacht u dat wij daar minder gevoel voor hadden dan de man?
In geen enkele onafhankelijkheidsoorlog heeft het toch ooit ontbroken
aan vrouwen, die de grootste offers met enthousiasme wisten te brengen.
Nee! de behoefte om de slavenketen af te schudden zit oorspronkelijk in
elk mensch, men kan haar onderdrukken en bedwelmen, maar zij blijft
bestaan, en door alle eeuwen heen, soms duidelijk, soms onmerkbaar
heeft de menschheid gearbeid aan de emancipatie der vrouw! Stapje voor
stapje is het opwaarts gegaan, soms met pijnlijk terugvallen maar
altijd vooruit. Elke nieuwe generatie worstelende tegen de
vooroordeelen der oudere generatie: dat is de geschiedenis van alle
evolutie! En als dominee Moisette zich uit den Bijbel herinnerd had,
hoe de vrouw in den tijd van de koningen Saul en David behandeld werd,
of geweten wat de vrouw in de Grieksche wereld was: niets dan een wezen
om wettige kinderen voort te brengen, dat de man bij zijn dood, alsof
zij goed of vee was, aan een vriend kon legateeren, of bij de oude
germanen, waar zij kon worden verdobbeld als huisraad en wapens, dan
had hij toch kunnen inzien dat, hoeveel verkeerds er nu ook nog moge
zijn in de positie der vrouw, er sinds dien tijd toch heel wat stapjes
voorwaarts zijn gedaan! Vrouwenemancipatie is niet een grilgedachte die
in eens uit de lucht is komen vallen in het opgewonden brein van een
troepje negentiende eeuwsche dames! Zij sluit zich logisch aan bij al
wat is voorafgegaan! Als een zaadje is zij geweest, dat langzaam,
langzaam ontkiemd is, telkens schuchter één klein worteltje schietend,
één klein blaadje ontplooiend, tot het nu een flinke jonge plant is
geworden, die zich niet meer laat ontwortelen door spotgelach en holle
phrases.
Trouwens het is onwaar wat dominee Moisette u verteld heeft, dat de
vrouw overal en van den beginne af aan onderdane is geweest. Bij veel
volken,—al is het dan ook niet bij alle, zooals men vroeger wel eens
meende—is er een tijd geweest, dat de vrouw heerschte en volkomen macht
had over zich zelf en haar kinderen. Dat noemen ze het matriarchaat,
het moederrecht—bij enkele wilde volken schijnt het nog te heerschen.
En het is ook heel natuurlijk, niet waar? dat in het primitieve
huisgezin de moeder soms hooger stond dan de vader, zij die het leven
aan de kinderen gaf, en ze verzorgde en macht en welvaart aan haar stam
schonk door die vermeerdering van strijd- en werkkrachten. Maar ieder
die iets van de geschiedenis weet, kan zich niet verwonderen dat die
toestand niet blijvend is geweest. Toen het leven gekompliceerder werd,
het bezit kwam en de rijkdom en daardoor strijd, en door toeneming van
bevolking, volksverhuizingen ontstonden, en daardoor veroveringszucht
en slavernij en soms vrouwenroof, kan ieder licht begrijpen dat in de
ruwheid dier tijden het sterke geslacht moest zegevieren. Denkt u eens
even aan de tijden die toen gekomen zijn! Aan de Romeinsche oorlogen,
aan Attila met zijn woeste Hunnen, aan de prediking van het christendom
met het zwaard, waarbij duizenden werden gedood, die niet onmiddellijk
overtuigd waren van zijn voortreffelijkheid, aan de Noormannen en hun
invallen, aan de middeleeuwen toen het oorlogvoeren onderling der
kleinere en grootere kasteelen zoo onhoudbaar was geworden, en de roof-
en plunderzucht der edelen zoo groot, dat de geestelijkheid, die zich
machteloos voelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering in den
toestand trachtte te brengen door de Trêve Dieu in te voeren, een
bepaling waarbij het op straffe van excommunicatie verboden was, om te
dooden of met gewapende hand te stelen, van Woensdag avond tot Maandag
morgen. Niet waar? zulke bepalingen, geldende de grooten en machtigen,
zeggen meer dan alle beschouwingen over de woestheid dier tijden! En
denkt u verder nog eens even aan de gruwelen der burgeroorlogen, der
kettervervolgingen, aan den honderdjarigen oorlog in Frankrijk, aan den
dertigjarigen in Duitschland, aan den tachtigjarigen in ons eigen land!
Aan al die benden slecht bezoldigde huurtroepen die het land door
trokken of muitend heele streken onveilig maakten, en later, nog geen
eeuw geleden, aan Napoleon’s bloedheerschappij! Dan kan het u toch
waarlijk niet verwonderen dat de vrouw in die tijden een ondergeschikte
plaats moest innemen! Zonder zich zelf aan het grootste gevaar bloot te
stellen, kon ze zich toen immers nauwelijks buiten de poorten van haar
stad of burcht wagen tenzij onder vertrouwd geleide, en alleen achter
de kloostermuren, of in het huwelijk, vond zij zekere veiligheid, die
zij met haar onafhankelijkheid moest koopen. Wèl vinden wij in de
geschiedenis telkens en telkens weer vrouwenfiguren in kracht en moed,
zelfs in strijdlust, de gelijken van den man en als de omstandigheden
het eischten ontbrak het nooit aan heldinnen. Maar onze aard is het nu
eenmaal niet om op het slagveld te schitteren. Zoolang de wereld
voortdurend vervuld was van het kletteren van wapenen en kanongebulder
kon de vrouw zich nooit laten hooren, zoolang physieke kracht en
vaardigheid in wapenhandel onder de hoogste deugden werden gerekend,
oorlogvoeren de hoogste carrière was, tournooien houden het eenigste
voorname vermaak, dapperheid de eenige heldendeugd, was er in de groote
maatschappij voor de vrouw officieel geen plaats. Eerst in deze eeuw
waarin Bertha von Suttners kreet: Leg neer de wapens [5] luid heeft
geklonken en echos heeft gewekt aan alle kanten, kan er sprake zijn van
vrouwenemancipatie; d.i.: de vrouw vrij en onbeperkt werkzaam op alle
gebied midden in de maatschappij, en ook eerst in deze eeuw, met zijn
trillend verlangen naar sociale rechtvaardigheid, kan de vrouw de
plaats opeischen die haar toekomt.”
Hilda had lang en heftig doorgesproken, zich zelf soms verbazend over
de klaarheid waarmede al deze dingen haar in de gedachten kwamen, nu
zij ze onder woorden brengen moest.
Bertha zat zwijgend met neergeslagen oogen en teekende met de punt van
haar parasol onvaste dwarrelende strepen in het zand, onvast en
dwarrelend als haar eigen gedachte.
„Dominee Moisette zegt juist, dat de vrouw in de middeleeuwen zoo hoog
vereerd werd,” zeide zij aarzelend, „en daaruit leidt hij juist af dat
hoe afhankelijker de vrouw blijft, hoe meer zij beschermd en geëerd
wordt.”
„Ja,” zeide Hilda bitter, „de troubadours en minnestreels
verheerlijkten haar in hun liedjes en de ridders trokken met de kleuren
van hun dames op hun banieren gestikt ten strijde. Maar ik zou wel eens
willen vragen aan de arme koninginnen en burchtvrouwen, die naast zich,
en met meer eerbewijzen omringd dan zij zelven, de minnaressen van haar
mannen moesten dulden, aan de vrouwelijke slachtoffers der geplunderde
steden, aan de duizende vrouwen, die liever een wijkplaats achter de
kloostermuren zochten, dan het voorwerp dier hooggeroemde bescherming
te zijn, aan de knappe kruidkensters, eigenlijk de doktoressen van de
middeleeuwen [6], die wegens hekserij op de vreeselijkste manier werden
doodgemarteld, aan de jonge vrouwen, die zoo juist in het huwelijk
waren verbonden met den man dien zij liefhadden, en daarop den gruwel
moesten doorstaan van Droit du seigneur! of die allen wel erg over de
vrouwenvereering dier tijden tevreden waren? Ik denk dat zij gaarne
zouden hebben willen ruilen met de vrije Amerikaansche!”
Het meisje keek verward op. Voor haar, die weinig van geschiedenis
wist, waren Hilda’s toespelingen op de middeleeuwsche toestanden
nauwelijks verstaanbaar, maar aan den toon van afgrijzen begreep zij
dat het vreeselijke dingen waren, die der vrouw toen werden aangedaan.
Roerloos bleef ze zitten, bijna niet in staat om te denken van
zenuwachtigheid.
„Kom,” zeide Hilda, „’t is hoog tijd, we moeten gaan. Ik heb het al
half elf hooren slaan, en ik had nog wel aan mevrouw Cranz beloofd
vroeg te zullen komen.”
Maar Bertha bleef zitten .... „Wat zal ik toch aan mevrouw zeggen?”
zeide ze met ’n hijgenden snik.
Hilda zag op haar neer en in haar gezicht kwam iets zachters van
medelijden. „Kom juffrouw Wendelings, grijp uw moed bij elkaar, wil ik
eerst met mevrouw spreken? Mevrouw is zoo innig goed en houdt zooveel
van uw mama. Ga naar haar toe en zeg haar dat u onder verkeerden
invloed een .... enfin, een domheid hebt begaan maar dat u trachten
zult ....”
„Nee, nee,” zeide juffrouw Wendelings, „dat is het juist, ik geloof
tòch dat dominee Moisette gelijk heeft en ik wil niet meer ....”
Hilda stond verslagen. Een uur lang had zij met alle inspanning haar
zaak bepleit, éen voor éen alle bezwaren weerleggend en niets was ze
gevorderd. „U bent toch geen kind meer, dat u iets alleen op gezag van
een ander aanneemt!” zeide ze zacht met het plotseling moeie gevoel,
dat alles wat ze zeggen kon toch tevergeefs zou zijn. „Dominee Moisette
is toch geen paus voor u, aan wiens onfeilbaarheid u zelfs tegen logica
en geweten in moet gelooven?”
Maar toen in eens met de intuïtie dat er wellicht nog een laatste
argument bestond dat Bertha niet gezegd had, maar dat zwaar bij haar
woog: „Waarom hebt u toch eigenlijk bedankt?” zeide ze alsof het vorige
vergeten was.
Bertha boog het hoofd en zat zenuwachtig plukkend aan de toppen der
grijsgaren handschoenen, die haar groote handen nog grooter maakten.
„Zulk werk,” zeide ze eindelijk, „zal de vrouw het bekoorlijke
ontnemen, haar leelijk maken.”
Een oogenblik kwam er verlangen in Hilda op, om weg te loopen en de
onvruchtbare discussie te eindigen, toen zag ze neer op de gebogen
gestalte, plomp in elkaar gezakt, waarvan elke lijn tot in de kleinste
bijzonderheden ongracieus was. Van het dikke roode gezicht met de
vooruitstekende lippen, den stompen neus, en de kleine diepliggende
zwarte oogen, kon zij niets zien omdat het hoofd te veel naar voren
hing, maar zij zag onder het vaal verkleurde stroohoedje het armoedige
knoopje van rosachtig haar, en onder uit het nauwe kleedje zag ze de
groote, leelijk gevormde voet uitkomen in een oude laars, de hak, naar
buiten gekeerd en de punt naar binnen. Toen steeg er langzaam een groot
medelijden in haar op.
Zou dit meisje werkelijk denken, dat, door stil thuis te zitten bij
moeder in het bovenkamertje in het benauwde Juffrouw Ida straatje, zij
in eens een bekoorlijke jonkvrouw zou worden, zooals ze voorkomen in
ouderwetsche romans? Hilda dacht aan een paar Amerikaansche meisjes,
die zij in Philadelphia had ontmoet, de eene boekhoudster, de andere
stenografe, twee slanke feetjes vol frischheid en gratie, zij dacht aan
een vrouwelijke advocate in Washington, de elegantste vrouw die ze ooit
gezien had, en ze verbaasde zich over de macht van holle phrases.
„Ik zou juist denken,” zeide ze zacht, „dat uw betrekking u mooier zou
hebben gemaakt. Met wat ruimer inkomen zou u wat meer werk van uw
toilet kunnen maken, wat niet zonder beteekenis is in het uiterlijk van
een vrouw, nietwaar? en als u dan in uw vrije avonden wat koekjes aan
de thee voor uw moeder kondt meebrengen en haar wat moois kondt
voorlezen, in plaats van nu uw oogen moe en rood te gaan werken op
slecht betaald naaiwerk, geloof ik, dat u er veel vroolijker en liever
zoudt hebben uitgezien. Overwerken is voor ieders gezondheid slecht en
dus ook voor de schoonheid, maar een rustig volbrachte dagtaak en een
voldoend salaris zijn uitstekende schoonheidsmiddelen!”
Bertha vouwde de handen en Hilda zag een paar tranen neerglijden, die
als donkere vlekjes neerspatten op de grijsgaren handschoenen.
„Kom juffrouw Wendelings, zeg het me maar. Al uw argumenten waren maar
uitvluchten, nietwaar? U ziet wel, dat het maar klanken en zinnen zijn,
die niet bestand zijn tegen ’n beetje doordenken. Zeg me nou maar
waarom u bedankt hebt, het zal u goed doen om het te zeggen!”
„O! omdat .... nee, het waren geen uitvluchten, het waren wel degelijk
argumenten van dominee Moisette, maar ik kan ze niet verdedigen tegen
u, maar hij heeft ook nog gezegd .... hij heeft ons gewaarschuwd ....
dat misschien .... es iemand komen kon .... die, .... onze eigenlijke
bestemming is toch het huwelijk, niet waar? .... en .... heeren hoûen
niet van meisjes die zulke betrekkingen bekleeden .... en zoo iemand,
die mij gelukkig had kunnen maken zou dan niet naar me om zien....”
Hakkelend met een roode vlam in het gezicht had ze het uitgesproken.
Hilda stond een oogenblik strak voor zich ziende, toen draaide ze zich
om en begon den terugweg. Bertha volgde zwijgend.
Dus voor een vaag iemand, die misschien nimmer komen zou, en die, als
hij kwam, heel misschien haar werkkring zou afkeuren, had dit meisje
haar toekomst vernield? Marguérite van Arkel had het haar onlangs wel
gezegd hoe verslappend het vage denkbeeld op vele vrouwen werkt: dat
„de heeren” sommige betrekkingen onvrouwelijk vinden. Zij had het niet
willen gelooven en nu zag zij het vóór zich. Al hare fierheid kwam in
opstand tegen deze laffe angst voor een denkbeeldige afkeuring van een
denkbeeldig minnaar.
„Weet u dan niet,” zeide ze hard, „dat er honderd duizenden meer
vrouwen zijn dan mannen? Wie zegt u dat die „iemand,” voor wie u uw
carrière gebroken hebt, ooit komen zal? En dan, waarom zou het niet
even goed kunnen dat die „iemand,” in plaats van bekrompen te zijn, vol
verouderde dwaze begrippen over vrouwenarbeid juist in u apprecieerde,
uw energieke werken, uw geld verdienen voor uw moeder; waarom zou het
niet kunnen dat hij u juist liefhad om uw moedig alle bezwaren en
vooroordeelen overwinnen, dat hij juist trotsch was op een vrouwtje dat
haar uitzet had betaald met haar eigen mooie zelfverdiende geld? Zulke
mannen bestaan er toch ook! en mij dunkt, zij die zoo denken zijn onze
liefde meer waard dan de anderen. O! het is ergerlijk, ergerlijk, dat
dominee Moisette u de dingen zoo verkeerd heeft voorgesteld. Ik vind
het ellendig van hem!”
Bertha zag op, snel met een hooge kleur.
„Hoe kunt u zoo iets zeggen, freule, dominee Moisette heeft nooit iets
ellendigs gedaan. Hij is de wijsheid en goedheid zelf en al zoudt u me
ook honderdmaal bewijzen dat ie ongelijk heeft, ik geloof het toch
niet. Hij is zoo vreeselijk verstandig en edel, hij moet het beter
weten ....”
Toen zuchtte Hilda even met een erg vernederd gevoel dat ze al heel
weinig scherpzinnig was geweest dien morgen. Dàt was het dus, ze had
den jongen dominee lief en ze had haar toekomst vernietigd om niet in
zijn oogen onvrouwelijk te schijnen.
En Hilda zuchtte weer met groote moeheid, omdat de wereld zoo vol
treurigheid was. Want zij kende immers het geheim van Moisette en wist
dat hij dit offer niet vergelden kon en ze voelde zich nameloos droevig
om Bertha en om Moisette en ook om zich zelve, die uren lang vol
enthousiasme over werken had gepraat en niet eens wist wat met haar
leven aan te vangen.
Tot aan het huis van mevrouw Cranz liepen ze zwijgend voort, toen
spraken zij weer voor het eerst.
„Adieu freule.”
„Gaat u niet mee naar binnen?”
„Nee, als mevrouw zoo tegen me spreekt als u gedaan heeft, weet ik geen
raad. Ik zal moeder gaan halen. Als zij er bij is, durf ik het beter
zeggen.”
„Adieu, juffrouw Wendelings.” En Hilda drukte haar de hand met een
hartelijkheid, die het meisje na haar gesprek verbaasde.
„Mevrouw is boven op de bibliotheek,” zeide de knecht en Hilda ging
naar boven, naar de mooie ouderwetsche kamer, die vroeger aan mijnheer
Cranz van Rozenhagen tot studeerkamer had gediend. De oude mevrouw zat
hier veel. Tusschen die vier wanden, rondom betimmerd met planken vol
boeken, waarvan velen met oude kostbare banden, bracht ze gaarne haar
lange eenzame uren van weemoedig herdenken door. Haar meisjesjaren
waren kort en gelukkig geweest, maar door de gierigheid van haar man en
zijn absolute zelfzucht was haar huwelijk een lange tijd geweest vol
schrijnende pijn. Na zijn dood was er een krachtig nieuw opbloeien in
haar gekomen, een terugvinden van jeugd, van illusies bijna, en met
hartstocht had ze er zich toen aan gewijd, om tot geluk van anderen
haar groot vermogen te besteden dat zij in haar huwelijk had
aangebracht, maar dat al die bange jaren in misdadigen schijndood in de
macht van haar man was gebleven.
Onder voorwendsel dat zoo’n eenigst zoontje licht door mama vertroeteld
zou worden, was Bernard al heel jong door zijn vader het huis
uitgestuurd en had zijn opvoeding gekregen op een kostschool, waarvan
zijn moeder den geest volstrekt niet goedkeurde. Dit was wel een van de
zwaarste verwondingen geweest die het huwelijksleven haar gebracht had,
en eene die nooit meer kon genezen. Maar Bernard’s opgroeien had naar
het oppervlakkige wereldoordeel den vader gelijk gegeven. Hij was een
flinke knappe jongen geworden, die een prachtige carrière maakte, en er
zijn ouders, die niets meer voor hun kinderen verlangen! Voor een reine
hoogvoelende moeder echter als mevrouw Cranz waren er veel dingen in
Bernard die haar met onrust en leed vervulden. Telkens als hij thuis
zou komen was zij vol van blij hoopvol verlangen, maar telkens als zij
een poosje samen waren, voelde zij, dikwijls zonder het zich zelf te
willen bekennen, hoe teleurgesteld ze was. O! hij was heel hartelijk en
vol attenties voor haar! Maar zij wist dat zij buiten het intiemste van
zijn leven stond, en ongeduldig weerde hij haar af, als zij probeerde
er in door te dringen. „Vrouwen hebben zulke eigenaardige
opvattingen!”—had zij hem eens tegen een kennis hooren zeggen.—„Je moet
ze erg vereeren, maar ze zoo veel mogelijk buiten alles hoûen!” En dat
drukte karakteristiek hun verhouding uit. Voor veel moeders is het
genoeg als haar zonen maar een beetje hartelijk de alledaagsche
praatjes houden, en zich wat laten bederven, maar mevrouw Cranz had
gedroomd van een zooveel mooier samenzijn, en soms was er een kille
onrust in haar, die haar ineens liet huiveren, als zij vermoedde dat er
ook veel in dat leven was, waarvoor hij zich geschaamd zou hebben als
zij het had geweten.
Op dit oogenblik zat zij stil te breien, éen harer tallooze grof
katoenen borstrokjes voor arme kinderen, luisterend naar Bernard, die
haar de courant voor las.
„Dag Hildy!” zeide ze hartelijk, en toen in schertsend verwijt: „Wat
ben je laat! en je had me nog zóo beloofd om vroeg te komen!”
„Ja, dat is waar, maar onderweg ben ik opgehoûen, .... ik zal u dat
later wel es vertellen.”
„Foei, mama, u mag niet zoo tyranniek zijn!” riep Bernard lachend. „Men
kan wel zien dat de freule u verwend heeft, dat u haar met verwijten in
plaats van met dankbetuigingen ontvangt.”
„Mevrouw heeft groot gelijk!” antwoordde Hilda, in een eerlijke poging
om zoo stroef mogelijk te zijn. „Ik bén ook veel te laat!”
„De kisten met al het goed staan beneden in de eetkamer,” hernam de
oude mevrouw. „Moisette is er al een uur aan bezig geweest, en zal wel
erg naar je hulp verlangen!”
„Is dominee Moisette beneden?”
Mevrouw Cranz glimlachte, hare zichtbare ontroering misvattend:
„Ja zeker, ik heb hem gevraagd om je te komen helpen. Er is veel te
veel voor éen persoon om uit te zoeken.”
Hilda ging zwijgend heen. Na de opwinding en het vermoeiend gesprek met
Bertha was het haar ondragelijk Moisette te moeten zien.
„Mama!” zeide Bernard, toen Hilda was gegaan. „Wat moet nou toch
eigenlijk die dominee er bij doen?”
„Haar helpen, beste jongen, en .... z’n hof maken, als ie lust heeft!”
„Dat meent u toch niet? die .... die predikant met z’n dwepend
monniksgezicht en .... Hilda?”
Heel zacht, met een kleine trilling had hij het laatste woord gezegd,
maar de oude mevrouw merkte het niet op. Een oogenblik breide ze rustig
voort, telde hare steken, en toen, ernstig tot hem opziende:
„En waarom niet? Het zou niet de eerste keer zijn dat ’n mooi, rijk,
voornaam meisje met ’n dominee trouwde. Ik dacht dat je boven zulke
ouwe aristocratische opvattingen verheven was.”
Maar Bernard antwoordde niet en liep de kamer op en neer met gefronsd
voorhoofd en groote gejaagde passen.
Toen, op eens, begreep ze.
„O! Ber! ... is het mogelijk! Zou jij ...?” en in wondere ontroering,
half van schrik, half van vreugde, vouwde ze de handen boven haar
breiwerk, en zag strak naar hem op, haar oude zwakke oogen wijd open.
Hij knikte en kwam naar haar toe, juist als vroeger, heel lang geleden,
vóór ze hem van haar weg, naar de kostschool hadden gezonden, vroeger
toen hij kind was, als hij verdriet had, en knielde juist als toen voor
haar neer.
„O! mijn jongen! is het mogelijk!” En met onbewuste bewegingen streelde
ze zijn haar, juist als vroeger, zoo heel lang geleden. Een oogenblik
zaten zij stil, een oogenblik voor haar van groote weemoedsvolle
weelde, waarin ze vergat haar levensteleurstelling, dat hij zoo heel
anders geworden was dan ze gewild had.
„Had u er heusch niks van gemerkt moedertje? En nou is het misschien te
laat! zeide hij week.
„Dat geloof ik niet. Ze hebben elkaar eigenlijk nog zoo weinig gezien.
Moisette is wel erg doodelijk van haar, maar ik weet volstrekt niet of
ze het beantwoordt, en juist omdat ik zoo’n medelijden met hem kreeg,
had ik ze vandaag samen .... Hoe kon ik toch zoo blind zijn! ....”
Bernard glimlachte gerustgesteld. In den grond van zijn hart, had hij
eigenlijk ook nooit geloofd dat, waar een vrouw de keuze had tusschen
hem en dien bleeken theoloog, haar beslissing ongunstig voor hem kon
zijn. En toch was er iets in Hilda, dat hem telkens ongerust maakte.
Zij was zoo heel anders dan de vrouwen waarmee hij omgang had gehad, en
de vele jonge meisjes, die hem duidelijk toonden hoe bereid zij waren
om Baronesse Cranz van Rozenhagen te worden.
Een klop op de deur liet hem overeind springen.
„Mevrouw, daar is mevrouw Wendelings en de juffrouw die u graag even
woûen spreken.”
„Laat de dames naar boven komen!” antwoordde ze met een zucht van
ongeduld en toen zij weer alleen waren ging zij naar hem toe en sloeg
haar armen om hem heen, maar de weeke emotie van straks was tusschen
hen weg.
„Waarom heb je het me niet eerder gezegd?” zeide ze zenuwachtig,
bedroefd dat zij het niet geraden had.
Maar Bernard rolde zwijgend zijn cigarette en ging de kamer uit.
Hilda was intusschen naar beneden gegaan.
Met strakke lippen, het hoofd nauwelijks buigend en zonder hem de hand
te reiken, had zij Moisette’s vroolijken groet beantwoord.