„Dat wel!” riep Bertha geprikkeld, „want u kunt misschien gelijk hebben

dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan

klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes

worden, en we moeten toch leven en dus....”

„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen

vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is

gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en

vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om

zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en

geschiktheid aanwijzen!”

„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft

gesteld?”

„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd

wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk

slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel

door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als

opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze

uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft,

ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende

gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het

belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te

sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek-

of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de

natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat

er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige

zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets

te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n

toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij

nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden

uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te

dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat

’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te

verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden

gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten

hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd

worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?”

„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel

beter dan door het andere kan gedaan worden?”

„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In

het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in

handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander

standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den

toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij

beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan

de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de

gemeenschap ten goede komen.”

„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha

ongeloovig.

Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste

betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de

minder hooge met den man deelen.”

„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!”

Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over

het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de

woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met

den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem

concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw

dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan

gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den

man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar

voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .... schande. Voor de man

is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men

kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil

verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen

uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel

beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen

weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n

kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle

gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom

dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de

rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een

ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam

der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen

naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van

de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de

vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand

uit om te bellen.

Bertha hield haar tegen met een beweging van angst:

„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou

nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n

eindje met me door willen loopen?”

Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de

Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in

haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje

zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie.

„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?”

„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe

bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die

dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n

passie om zich te encanailleeren.”

En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den

correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep

een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het

niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was

Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een

abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen.

„Maar freule .... gelooft u toch ook niet dat .... ons eigenlijke werk

in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons

koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.”

„Het huishouden ....? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat

hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje

koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige

levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen!

In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje

voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de

getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te

hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat

noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil

vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over

het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze

het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch

over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen!

Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook

de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk,

als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik

wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet

zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden

in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop

laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het

huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door

gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig

regeerende vorstin!”

„Maar ’t is toch onze roeping ....”

„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg

voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die

even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel

oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er

minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest

en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden,

uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat

huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig

vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken,

inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte

zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten

draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde

hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden

kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge

uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het

woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang

en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet

duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed

door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden

het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is?

Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis

van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden

ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet

u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben

tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het

treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het

zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door

een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel

klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine

huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje,

ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de

groote maatschappij, waar goed te doen valt.”

Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in

haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt,

heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo

met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om

op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt?

„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in

hartstochtelijke ergernis.

„Ja .... kent u hem?”

„’n Beetje .... en wat zei hij dan wel?”

Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht

buitenshuis op groote kantoren ....”

„Verleiding! ....” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend

minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is

er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de

verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond

te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol

een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als

dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben,

dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor

jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer

goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?”

„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de

man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en

dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan

zij nu het voorwerp is.”

„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die

nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op

straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn

weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar

equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst

eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het

naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te

loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als

vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel

zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten

ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het

niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in

de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde

vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en

kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie

uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer

zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld,

noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk

worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor

éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche

overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in

alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld,

als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan

vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik

geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en

mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de

maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in

Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en

vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!”

„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee

Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw

voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel

lichter en kleiner ....”

„O! dat eeuwige hersenargument!” Hilda glimlachte. „Zoudt u het logisch

vinden als men zei dat de olifant beter denken kon dan de mensch omdat

hij grooter hersenvolume heeft? Is de bij niet veel intelligenter dan

het schaap? Trouwens bij de mannen onderling verschilt het

hersengewicht immers nog veel meer dan gemiddeld tusschen mannen en

vrouwen. De hersenen van Byron wogen 1.807 gr. die van Dante 1.320 en

niemand zal toch wel durven beweren dat Byron superieur aan Dante is

geweest of dat Gambetta een onnoozele was, omdat zijn hersenen maar

1.241 gr. wogen, dus minder dan 1.250 gr., het gemiddelde cijfer van

hersengewicht bij de vrouw. [4] Daarbij is het gebleken dat in

verhouding tot haar lichaamsgrootte en zwaarte het hersenvolume der

vrouw gemiddeld grooter is dan dat van den man in verhouding tot zijn

veel zwaarderen bouw. Men zou hier dus uit kunnen besluiten dat de

vrouw per slot van rekening nog de superieure is, maar dat geloof ik

niet. Het zal bij de hersenen wel hetzelfde zijn als bij de meeste

dingen, dat het meer op de qualiteit aankomt, dan op de quantiteit, en

’t lijkt me ook ’n beetje erg kruideniersachtig om de menschelijke

denkkracht naar ’t gewicht te willen berekenen!”

Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader,

dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was

het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook

superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen

in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen

interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo

hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden

beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten

over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt

hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een

vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de

lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij

beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan

beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een

groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle

eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij

hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en

dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd

met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel

geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda

onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden

van beiderlei geslacht.

Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar

vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens

onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men

de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen

te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht

daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der

partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij

zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden.

„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe

komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?”

Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet

helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking

niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes

vereischt werd.”

„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee

Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of

Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch

geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij

de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.”

„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland

en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren,

ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn

en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de

vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke

examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te

worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen

dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van

geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die

veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren

schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de

vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te

laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen

dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet

geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest

om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren

waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een

goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar

gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo

weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar

integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige

omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al

was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort

kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw

alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn,

dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man

hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om

van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te

beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan

die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op

hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top

steken boven alles uit. En trouwens ....”—Hilda zag op, en een zacht

rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu

het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van

alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest,

dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi

tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk

voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden

wij best tevreden kunnen zijn!”

„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de

bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen ....

groote herseninspanning ....”

Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan.

„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en

intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten

gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is

best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam

zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie,

vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt

eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat

onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn,

die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah

Bernard, Henriette Beecher Stowe, .... ik noem maar enkelen, die mij

het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische

gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van

vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste

levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de

tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te

hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders,

jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen

dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben

de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.”

„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als

de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat

aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?”

Hilda van Suylenburg · 第 14 / 35 段