dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan
klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes
worden, en we moeten toch leven en dus....”
„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen
vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is
gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en
vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om
zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en
geschiktheid aanwijzen!”
„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft
gesteld?”
„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd
wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk
slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel
door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als
opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze
uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft,
ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende
gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het
belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te
sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek-
of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de
natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat
er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige
zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets
te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n
toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij
nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden
uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te
dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat
’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te
verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden
gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten
hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd
worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?”
„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel
beter dan door het andere kan gedaan worden?”
„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In
het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in
handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander
standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den
toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij
beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan
de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de
gemeenschap ten goede komen.”
„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha
ongeloovig.
Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste
betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de
minder hooge met den man deelen.”
„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!”
Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over
het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de
woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met
den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem
concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw
dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan
gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den
man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar
voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .... schande. Voor de man
is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men
kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil
verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen
uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel
beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen
weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n
kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle
gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom
dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de
rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een
ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam
der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen
naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van
de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de
vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand
uit om te bellen.
Bertha hield haar tegen met een beweging van angst:
„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou
nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n
eindje met me door willen loopen?”
Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de
Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in
haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje
zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie.
„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?”
„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe
bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die
dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n
passie om zich te encanailleeren.”
En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den
correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep
een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het
niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was
Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een
abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen.
„Maar freule .... gelooft u toch ook niet dat .... ons eigenlijke werk
in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons
koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.”
„Het huishouden ....? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat
hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje
koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige
levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen!
In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje
voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de
getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te
hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat
noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil
vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over
het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze
het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch
over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen!
Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook
de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk,
als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik
wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet
zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden
in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop
laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het
huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door
gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig
regeerende vorstin!”
„Maar ’t is toch onze roeping ....”
„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg
voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die
even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel
oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er
minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest
en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden,
uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat
huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig
vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken,
inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte
zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten
draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde
hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden
kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge
uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het
woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang
en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet
duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed
door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden
het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is?
Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis
van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden
ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet
u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben
tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het
treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het
zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door
een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel
klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine
huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje,
ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de
groote maatschappij, waar goed te doen valt.”
Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in
haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt,
heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo
met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om
op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt?
„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in
hartstochtelijke ergernis.
„Ja .... kent u hem?”
„’n Beetje .... en wat zei hij dan wel?”
Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht
buitenshuis op groote kantoren ....”
„Verleiding! ....” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend
minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is
er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de
verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond
te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol
een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als
dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben,
dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor
jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer
goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?”
„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de
man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en
dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan
zij nu het voorwerp is.”
„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die
nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op
straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn
weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar
equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst
eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het
naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te
loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als
vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel
zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten
ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het
niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in
de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde
vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en
kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie
uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer
zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld,
noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk
worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor
éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche
overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in
alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld,
als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan
vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik
geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en
mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de
maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in
Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en
vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!”
„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee
Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw
voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel
lichter en kleiner ....”
„O! dat eeuwige hersenargument!” Hilda glimlachte. „Zoudt u het logisch
vinden als men zei dat de olifant beter denken kon dan de mensch omdat
hij grooter hersenvolume heeft? Is de bij niet veel intelligenter dan
het schaap? Trouwens bij de mannen onderling verschilt het
hersengewicht immers nog veel meer dan gemiddeld tusschen mannen en
vrouwen. De hersenen van Byron wogen 1.807 gr. die van Dante 1.320 en
niemand zal toch wel durven beweren dat Byron superieur aan Dante is
geweest of dat Gambetta een onnoozele was, omdat zijn hersenen maar
1.241 gr. wogen, dus minder dan 1.250 gr., het gemiddelde cijfer van
hersengewicht bij de vrouw. [4] Daarbij is het gebleken dat in
verhouding tot haar lichaamsgrootte en zwaarte het hersenvolume der
vrouw gemiddeld grooter is dan dat van den man in verhouding tot zijn
veel zwaarderen bouw. Men zou hier dus uit kunnen besluiten dat de
vrouw per slot van rekening nog de superieure is, maar dat geloof ik
niet. Het zal bij de hersenen wel hetzelfde zijn als bij de meeste
dingen, dat het meer op de qualiteit aankomt, dan op de quantiteit, en
’t lijkt me ook ’n beetje erg kruideniersachtig om de menschelijke
denkkracht naar ’t gewicht te willen berekenen!”
Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader,
dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was
het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook
superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen
in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen
interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo
hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden
beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten
over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt
hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een
vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de
lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij
beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan
beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een
groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle
eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij
hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en
dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd
met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel
geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda
onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden
van beiderlei geslacht.
Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar
vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens
onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men
de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen
te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht
daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der
partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij
zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden.
„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe
komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?”
Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet
helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking
niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes
vereischt werd.”
„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee
Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of
Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch
geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij
de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.”
„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland
en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren,
ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn
en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de
vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke
examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te
worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen
dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van
geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die
veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren
schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de
vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te
laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen
dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet
geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest
om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren
waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een
goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar
gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo
weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar
integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige
omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al
was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort
kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw
alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn,
dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man
hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om
van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te
beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan
die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op
hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top
steken boven alles uit. En trouwens ....”—Hilda zag op, en een zacht
rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu
het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van
alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest,
dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi
tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk
voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden
wij best tevreden kunnen zijn!”
„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de
bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen ....
groote herseninspanning ....”
Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan.
„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en
intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten
gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is
best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam
zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie,
vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt
eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat
onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn,
die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah
Bernard, Henriette Beecher Stowe, .... ik noem maar enkelen, die mij
het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische
gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van
vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste
levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de
tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te
hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders,
jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen
dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben
de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.”
„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als
de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat
aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?”