dan een hijgende snik nog doortrilde. Nu ruim een jaar geleden had zij
juist zoo’n scène met haar doorgemaakt, met dezelfde wanhoop en
dezelfde klachten. Zij had haar toen volkomen au sérieux genomen,
geloovende in de waarheid van haar verlangen naar iets beters en zij
had met haar gestreden, haar gesteund met raad en liefde: deze jonge
vrouw was te intelligent, van nature in alle opzichten te rijk
aangelegd, meende ze toen, om in oppervlakkige genotzucht onder te
gaan. Maar kort daarna was Ottilie naar Zwitserland vertrokken met
koffers vol nieuwe toiletten, en bij haar terugkomst had ze zich met
hartstocht weer in het oude ijdele leven teruggeworpen, toen had Corona
zich stil terug getrokken, tegen Marguérite van Arkel haar
teleurstelling aldus uitdrukkend: „Zij behoort tot de velen die door de
natuur goed maar door hun opvoeding slecht zijn gemaakt. Als men van
haar geëischt had een mensch, een ernstige vrouw te worden, zou ze het
geworden zijn, nu heeft men van haar geëischt een pop, een bekoorlijk
luxevoorwerp, een ornament van een rijk huis te zijn, en ze is het
geworden, te zwak om zich een ander ideaal te kiezen dan ’t welk men
haar altijd heeft voorgehouden!”
En nu, na al die maanden was dezelfde wanhoop weer daar! Zou ze haar
nogmaals au sérieux nemen? of was het niets dan verveling met een
beetje voorjaarssentimentaliteit, die haar zoo liet spreken? of een
uiting van naïef zelfbedrog om in haar eigen achting en die van Corona
te stijgen, door zich als martelares van haar fladderleven voor te
stellen?
Een oogenblik doorkruisten deze beschouwingen de gedachten der jonge
doktores. Zij kende de vrouwen. Zij wist dat er wanhoopswoorden zijn
die uit ijdelheid voortkomen, en dat er ijdelheidswoorden zijn die
wanhoop beteekenen, en ze besloot voorzichtig te zijn maar toch in
ernst en vertrouwen te antwoorden.
„Wat spreek je toch van zelfmoord, Tilie, natuurlijk kun je je die
voorstellen, want zoo’n leven als jij nou leidt, van overprikkeling en
zoeken van genietingen waarvan op den bodem walging ligt, brengt daar
heel makkelijk toe! Maar je bent nog jong genoeg, om liever je leven te
veranderen dan zulke groote woorden te kermen.”
„Ik kerm geen groote woorden!” zeide Ottilie wrevelig, „maar je wilt me
niet verstaan. Ik zeg niet dat ik me vermoorden wil, maar dat ik wou
dat ik al dood was! Zoó kan ik niet langer voortleven.”
„Ik wou dat je dat waarachtig meende, dat je zoo niet langer leven
wilt! Maar ik heb dat al door zoo veel vrouwen en meisjes hooren
zuchten, maar iets doen om anders te gaan leven willen ze niet.”
„Wat moet ik doen?” zeide Ottilie aarzelend, want ze voorzag het
antwoord.
„Werken! Tilie! Weet je niet meer dat ik het je verleden jaar ook
gezegd heb? Werken voor iets dat je bezielt of voor iemand! Het is het
eenige remedie voor al de kwaaltjes van wuftheid en zonde en wanhoop en
verveling en zenuwachtigheid, die de vrouwenwereld verwoesten.”
„Maar wat zal ik werken? Ik heb me verleden jaar in drie besturen van
liefdadige vereenigingen laten kiezen, en ik heb in twee commissies
voor Bazaars gezeten, maar wat geeft dat?”
Corona glimlachte. „Ik spreek niet van bestuurtjes en vergaderingetjes,
maar van werken. O! die naïefheid van dames om zulke administratieve
bezigheidjes werk te noemen! Werk voor een volwassen mensch in de
kracht van zijn leven, is heel wat anders.”
„Maar wat voor werk zou er voor mij zijn? Eens ben ik es armenbezoek
gaan doen, verleden Januari, was het, geloof ik, omdat ik gelezen had
dat het in dezen tijd zoo noodig is dat de hoogere en lagere standen
elkaar leeren kennen. In de Lage Nieuwstraat woonde een arme vrouw, die
wel es bij me bedelde en ik had gehoord dat ze erg vuil was, maar
verder heel fatsoenlijk, zoodat ik er wel naar toe kon gaan, maar.....”
„Natuurlijk!” zeide Corona, in bijna onbewuste bitterheid, „als ze niet
fatsoenlijk was geweest zou je er niet heen zijn gegaan. Dat was al
dadelijk iets dat je kondt leeren uit dat bezoek, dat de zedelijkheid
in de lagere standen altijd angstvallig wordt nagegaan vóór we zoo goed
zijn tot hen neer te dalen, terwijl we al bitter weinig streng zijn
voor de heeren en dames, die we aan onze tafel ontvangen, als ze
tenminste de vormen maar zoowat observeeren.”
Maar Ottilie scheen niet geluisterd te hebben, en ging voort, vervuld
met haar eigen verhaal:
„Ik had een speech klaar gemaakt over zindelijkheid, en bonbons voor de
kinderen meegenomen. Heusch, Cora, ’t was heilig m’n bedoeling daar
goed te gaan doen. Maar je kunt niet gelooven wat ik ondervond. Eerst
al, toen ik nog rondzwierf in het labyrinth van de Lage Nieuwstraat om
het huis te vinden, kwamen overal vrouwen aan de deuren om naar me te
kijken; ’t was ’n soort van opschudding in dat vunzige wereldje.
Sommige keken vol wantrouwen naar m’n toilet, een riep me hatelijke
geestigheden na, en toen kwamen er ’n paar met benauwende familjariteit
vragen waar ik zijn moest, en toen ik den naam genoemd had, waren ze ’t
oneens over het nummer, en begonnen ruzie met elkaar te maken in
woorden die ik nooit gehoord had. En eindelijk toen ik m’n menschje
gevonden had, en wou binnengaan, dankbaar om even aan al die
nieuwsgierigheid te ontsnappen, o! foei, je kunt niet begrijpen wat ’k
daar voor ’n toestand vond. Op de kachel stond ’n pot met aardappelen
en uien, en ik die geen uienlucht kan verdragen! In de bedstee lagen
twee vieze kinderen, éen met een vuurrood gezicht vol pukkels en de
bedstee was zoó, dat ik er me nooit in zou hebben durven neerleggen, al
had ik moeten omkomen van den slaap. In den anderen hoek bij de tafel
stond de vrouw wasch te stampen, en uit haar tobbe steeg een dikke
walgdamp, een weeë verpestende damp van vuil goed en zeepsop. Ik wou de
deur achter me openlaten voor ’n beetje versche lucht, maar dat mocht
niet: geen graadje warmte mocht verloren gaan, en ’n lange magere
jongen, zoowat van een jaar of zestien met nare glinsteroogen, die
zeker op het uiendiner stond te wachten, gooide met ’n bons de deur
achter me toe. Ik begrijp nog niet dat ik toen niet dadelijk ben
weggeloopen, maar ik had toch het gevoel dat ik iets zeggen moest en ’k
begon een paar woorden uit m’n aanspraak over zindelijkheid maar daar
valt me die lange bengel in de rede—later heb ik gehoord dat ie een van
de belhamels is onder zoo’n troepje opgeschoten socialistische
jongens—en die zegt: „Wel mevrouw, als u onze wasch voor uw rekening
bij uw bleeker wilt laten wasschen, ik beloof u dat moeder het dan hier
veel zindelijker zal hoûen en ’t hier niet meer zoo stinken zal!” Het
was verschrikkelijk brutaal, natuurlijk, maar op dat oogenblik had ik
het gevoel dat hij groot gelijk had, en dat, als men zulk voedsel moet
eten, en moet wasschen en slapen en zieke kinderen oppassen, alles in
éen kamertje, het ridikuul is om over zindelijkheid te preeken. Zoo
gauw mogelijk ben ik weggegaan, maar toen was ik ook meteen overtuigd
dat ik totaal ongeschikt ben voor armenbezoek!”
Corona lachte even.
„Dat wil ik wel gelooven! Geen moeielijker werk dan armenbezoek en
zeker niet geschikt om door rijke dames in een verloren oogenblikje als
tijdverdrijf gedaan te worden. En toch is het jammer, dat je het nog
niet eens een paar maal geprobeerd hebt, want de lagere standen hebben
het zoo vreeselijk noodig om van de hoogere standen te leeren, maar de
hoogere standen hebben het nog veel meer noodig om van de lagere te
leeren. Als de rijken maar eenmaal in konden zien dat de zonden der
armen voortkomen voor een groot deel uit hun ellendige woningen,
voedsel, opvoeding en de afschuwelijke voorbeelden, die hen van jongs
afaan omringen, dan zoûen ze, als het dan niet was uit barmhartigheid,
tenminste uit zelfbehoud de hand slaan aan die broeiplaatsen van
misdaden en ziekten!”
Ottilie begon onrustig met haar spitse blanke vingers te spelen, ze
vond het vervelend als Corona zoo heftig over die dingen sprak.
Een poosje zaten ze zwijgend. Toen hervatte Corona:
„Kom Tilie, kun je nou geen enkel werk bedenken, waar je lust in zoudt
hebben? Is er nou niks, waar je es bijzonder belang in stelt?
Armenbezoek is toch niet het eenige wat je doen kunt? Waarom zet je
niet es flink door met schilderen.”
Maar Ottilie schudde het hoofd, en bij het weer terugkeeren tot haar
eigen leed begonnen op nieuw tranen te komen:
„Ik schilder niet meer! Ik wil nooit meer schilderen! Ik heb het me
vast voorgenomen verleden week. Ik doe toch niks dan prullewerk, en
daar is al genoeg geknoei in de wereld.”
„Nou ja, dat je genoeg hebt van dat kunstgeliefhebber, begrijp ik best,
maar als je ’t es heel ernstig aanpakte, heelemaal als werk?”
„Daar kom ik toch niet meer toe, ik ken me zelf, en wat zou ik nog
anders kunnen doen?”
„Ja, dat is zoo makkelijk niet te zeggen! Werk is er in overvloed, maar
’t kost ’n beetje inspanning om het te vinden. En je huishoûen....”
„Och, m’n huishoûen, daar zeuren m’n man en m’n schoonmoeder ook altijd
over. Maar als ik het eten besteld, m’n japonnen gepast, ’n paar
boodschappen gedaan heb en van tijd tot tijd nog es ’n uurtje ben bezig
geweest, heb ik zoo vreeselijk veel tijd om me te vervelen als ’t
uitgaan niet druk is. O! als ik maar kinderen had!”—en zich plotseling
voorover werpend, met de handen voor het gezicht, begon ze het uit te
snikken.—„O! Cora, waarom heb ik toch geen kinderen! Het is zoo
afschuwelijk wreed! Als ik kleine snoezige kinderen had zou alles heel
anders zijn! Dan zou ik zelf ook wel beter wezen!”
Corona zag treurig neer op de ineengezonken gestalte, schokkend onder
het wilde snikken. Een groote weemoed om dit verloren leven, dat zoo
veel had kunnen zijn, kwam over haar, maar toen ze zocht om iets te
zeggen, vond ze niets dan bittere woorden:
„Dat zou je niet, Tilie, het is zoo makkelijk om te zeggen, ik zou goed
zijn, als ik had wat ik verlang, maar je zoudt net doen als zooveel
anderen: eindelooze praatjes over kinderkleertjes, discussietjes over
gortwater of havermeel, min of meer vertrouwde bonnes en gouvernantes
en scholen zoeken, en spelen met de kleinen als eigen lust het ingeeft,
dat is alles wat zooveel vrouwen onder hun moederplichten begrijpen, en
dat zou jij ook, en op die manier zou je leven er ten slotte, al had je
kinderen, niets rijker en mooier en gelukkiger om zijn!”
„Dat is niet waar!” snikte ze heftig.
„Ja, dat is het wel,” zeide Corona hard. „Je hebt het daar juist goed
gezegd: snoezige kindertjes wou je hebben, om er mee te pronken en te
spelen, maar als ze leelijk waren of gebrekkig of ziek, zou je ze gauw
naar de kinderkamer zenden.”
„Het is niet waar, Corona! het is gemeen van je, om zoo tegen me te
spreken. Als ik kinderen had zou ik heel anders zijn! Ik zou ’n goeie
moeder zijn!”
„Een goeie moeder!” herhaalde Corona met een vreemd warme trilling in
haar stem, die men alleen bij diepe ontroering van haar hoorde. Want
het was plotseling in haar duidelijk geworden, hoe zoo ontelbaar vele
kinderlooze en ongehuwde vrouwen, bewust of onbewust, dezen zelfden
strijd hebben moeten doorstrijden, maar daarna hebben leeren inzien dat
er voor haar in deze treurige maatschappij nog wel een andere mooie
roeping dan kinderenkrijgen te vinden is, dat er nog wel ander werk is,
waard om alle krachten en liefde aan te wijden. Hoe durfde dan deze
wufte vrouw al de schuld van haar ijdel verloren leven aan haar
kinderloosheid te wijten? En toch was er misschien iets waars in haar
beweren; de wereld had van haar geëischt het verstandshuwelijk van
gelijke geboorte met een veel ouderen man en daarna het leven van
behagen en amuseeren—helaas, het vrouwen-ideaal in zulke kringen—en
misschien was het waar dat zij alleen bij het licht van een paar
kinderoogen een ander ideaal zou hebben ontdekt.
Toen steeg het oude mededoogen weer warm in haar op, de onvermoeibare
liefde waarmede Corona alle lijden altijd weer opnieuw te gemoet kwam.
Een gevoel dat dit wellicht een moment van invloed in Ottilie’s leven
kon zijn liet gloeiende woorden haar op de lippen stijgen:
„Een goeie moeder, Tilie? Weet je wel iets van wat dat woord beteekent?
Hoe heb je je al deze jaren voorbereid, wetend dat wellicht een kleine
menschenziel aan je liefde zou worden toevertrouwd? Wat heb je met je
lichaam gedaan, waarin een klein nieuw leven wellicht gewekt zou
worden? Je hebt er wuft mee gepronkt en, wie weet, het misschien nog
erger bezoedeld, in plaats, o God, van het heilig en rein te houden als
een tempel, waarin geopenbaard zal worden het geweldige levensmysterie!
Wat heb je met je ziel gedaan, wier leven één zal zijn met het
ongeborene, wier invloed nog vóór de geboorte wellicht een beslissing
zal zijn over heel een nieuw menschenbestaan! Heb je haar blank en
heilig gehouden, als voor de wijding tot eene hoogepriesterschap? Want
wat anders is het moeder zijn? Het kleine menschenkind wordt niet
geboren om een elegant moedertje bezig te houden en haar van
vervelingszonden te redden! Niet het kind is er voor de moeder, de
moeder is er voor het kind, versta je, en wat heb jij gedaan om je voor
te bereiden op de groote taak? Waarlijk, als je alleen kinderen
verlangt om ze op te voeden tot wat je zelf bent, zou het
barmhartigheid zijn ze niet in het leven te wenschen.”
Ottilie had bewegingloos toegehoord. Het snikken was in eens opgehouden
als onder den zenuwdruk van intens luisteren. Corona kon het gezicht
niet zien, het lag afgewend in de kussens, maar toen na een oogenblik
geluidlooze stilte er geen beweging kwam, stond ze voorzichtig op en
verliet de kamer. Als haar woorden indruk hadden gemaakt, was het beter
de jonge vrouw alleen te laten, alleen met haar geweten en haar
toekomst.
„Wacht, dokter, ik zal es effen kijken of uw rijtuig wel vóór is,”
zeide Hendrik naar de voordeur snellend, zoodra hij haar de trap zag
afkomen; maar toen ze vlak bij de deur waren, schrikte ze pijnlijk
onder het krijschend geluid van de huisbel.
Paardengetrappel werd gehoord, de afrijwagen van van Smaarth stond
buiten voor het huis en op de stoep de palfrenier, die een brief afgaf
met de boodschap hem dadelijk aan mevrouw te brengen.
Angstig ontroerd zonk Corona neer in haar coupétje, en als in een
onbewusten drang naar gebed vouwden zich haar handen. Hadden haar
woorden ingang gevonden en kwam nu deze brief dit alles vernietigen?
Waren die tranen alleen wat zenuwachtigheid geweest of lag de jonge
vrouw op dit oogenblik te worstelen tusschen betere voornemens en de
lokstem uit dien brief? Was dit wellicht het beslissende oogenblik van
haar leven, een van die korte zeldzame oogenblikken, waarop de
levensweg zich in tweeën splitst en de keuze soms over een heel
menschenbestaan beslist? De twijfel, het gevoel van onmacht om te
helpen, overstelpten haar even. O! al die strijd, al dat lijden, die
zij altijd maar door om zich heen zag, en in zich zelf voelde branden!
O! het moeielijke leven!
Maar het was maar een kort moment. Haar kinderlijk eenvoudige
levensphilosophie, die haar door zoo heel veel leed had heengedragen:
dat alle ellende tot hoogere volmaking dient, al wordt zij er dikwijls
niet voor gebruikt, liet haar weldra weer het gewone energieke
evenwicht hervinden.
Op de Heerengracht voor een der bovenvensters van een groot huis stond
een bleek blond meisje, dat haar in het voorbij rijden hartelijk
toewuifde. Het was de oudste dochter van Baron van Herkelens wier
engagement met van Smaarth men den vorigen winter algemeen voorspeld
had. Hij had haar in ’t oogvallend het hof gemaakt en sommigen zeiden
dat hij haar in stilte gevraagd had en maar op de terugkomst zijner
moeder uit het zuiden had gewacht om officieel zijn aanzoek bij haar
vader te doen. Toen op een avond bij de Mureaux, waar het meisje niet
bij was, had hij met Ottilie van Heemeren gesoupeerd en van af dat
oogenblik was alles geheel anders geworden. Men fluisterde nu dat
Mientje van Herkelens wegkwijnde van verdriet, sommigen hadden
medelijden met haar en anderen spraken ironisch van treurende maagden
en gebroken harten. Er zijn er wier geestigheid altijd bijzonder door
’t hooren van liefdesverdriet schijnt opgewekt te worden. Maar Corona
wist meer dan de wereld, die het geval befluisterde. Haar had het kind
het arme hart geopend vol schrijnende scherven van gebroken illusies,
en zij wist dat zij zachtjes wegstierf.
„En wat kan ik voor haar doen?”—dacht Corona—„zoolang ze zoo hardnekkig
weigert om weg te gaan in een heel andere omgeving, en daar maar blijft
zitten voor dat raam, het matte leven slepend tusschen de canape en het
bed om te droomen, te treuren, wie weet, misschien nog te hopen?”
Zij zuchtte en rustte zwaar tegen de kussens van den coupé, starend in
de druipende straten, waar de voorbijschietende parapluies, als groote
rouwvlekken tegen de glimmende natgrijze straatsteenen afstaken.
Toen op eenmaal vlamde de gedachte in haar op, als een lichtstraal over
de emotie van dien morgen: Dit is vrouwenemancipatie, dat niet langer
de meisjes onzer invloedrijkste standen tot vrouwen als Ottilie worden
opgevoed, ongelukkig voor zich zelf, leed brengend over anderen en voor
de maatschappij een element van rotting en bederf, maar ook dat haar
niet langer geleerd wordt dat trouwen en kinderenkrijgen de eenige
roeping der vrouw is, zoodat zij volkomen hulpeloos gedesoeuvreerd
zijn, als de omstandigheden haar dezen werkkring weigeren. Veel, veel
is er te doen op allerlei gebied? Maar aan haar voor wie wèl het
moederschap is weggelegd, zal dan ook worden ingeprent dat moeder zijn
niet is alleen het voortbrengen, voeden en kleeden van kinderen, maar
het opvoeden van een nieuw geslacht, waarvan de wereld-toekomst
afhangt. En luide zal er dan om hoogstaande vrouwen geroepen worden,
die begrepen hebben het heilige van haar taak, het onmetelijke van hare
verantwoordelijkheid!
„Wel, waar gaat dat al zoo vroeg naar toe?” vroeg mijnheer van Starren,
toen hij Hilda ’s morgens dadelijk na het ontbijt de trap zag afkomen,
het lichte stroohoedje en de lange zeemleeren handschoenen in de hand.
„Oom, mevrouw Cranz heeft gevraagd of ik vanmorgen wat vroeg wou komen.
Om dezen tijd maakt ze altijd allerlei bezendingen klaar voor
gestichten, en nou moeten er allemaal boekjes, prenten, teksten,
speelgoed en kleeren worden uitgezocht, naarmate van de behoeften. ’t
Is ’n heel werk, ziet u, en ze wou graag dat ik het voor haar deed.”
„Natuurlijk, papa, ze gaat weer naar haar lieve mevrouwtje!” riep
Eugénie van boven aan de trap, met een lang hatelijk sleepen op de l en
i van lieve.
Mijnheer van Starren lachte goedig met de onverschillige
toegefelijkheid van oude menschen, voor wie het gekibbel en de
ergernissen die de jeugd in ontroering brengen geen beteekenis meer
hebben. Hij had de bedoeling van Eugénie’s uitval best begrepen en het
amuseerde hem.
Hilda zag hem onder het aantrekken van haar handschoenen peinzend na,
zooals hij de lange gang afging, de kleine gebogen gestalte met de
korte onzekere stapjes, tot aan de deur van zijn studeerkamer, zijn
stoffig paradijs vol wapenboeken en geslachtsboomen. Met de knop in de
hand draaide hij zich nog even om en knikte haar toe met een knipoogje.
Hilda kleurde, ’n brandende gloed overstroomde haar gezichtje, terwijl
ze zich driftig omdraaide en de voordeur opende.
„Hij denkt het dus ook al! Waar zien die menschen me dan toch voor aan?
Dat ik mij vernederen zou om dien man na te loopen? Wat kan me die
modepop met al z’n schatten schelen? Hoe durven ze me zoo te
beleedigen. Maar misschien vindt oom het niet eens ’n beleediging,
misschien vindt ie ’t heel natuurlijk, dat ik m’n netten zou gaan
zetten bij de oude mevrouw, om haar zoontje te vangen. In onze wereld,
waar het de eenige roeping van het meisje is om een goeie partij te
veroveren, neemt men het immers niet zoo nauw met fierheid en
zelfachting. Waarom zoûen ze mij dan ook niet verdenken van zoo’n
heerlijk doel! ’t Is kinderachtig om het me nog zoo aan te trekken!” Ze
kneep de kleine vuisten samen en liep nog harder voort.
„O ik wou dat .... ik hem hier had, die mooie mijnheer, ik zou .... hem
toonen ....”
„Goeie morgen, freule, hê, wat hebt u hard geloopen, ik kon u haast
niet inhalen; mag ik u even vragen, gaat u misschien ook naar mevrouw
Cranz?”
Hilda zag om, bij ’t hooren hijgen vlak achter zich dier woorden, en ze
herkende een van de protegéetjes van mevrouw Cranz, een forsch gebouwd
jong meisje, in een ouden zwarten regenmantel, die haar te nauw was
geworden en uit welks te korte mouwen een paar groote handen staken in
grijs garen handschoenen.
„O, dag, juffrouw Wendelings, ik wist niet dat u achter me liep, ja, ik
ga naar mevrouw Cranz, maar waarom? moet u er ook heen?”
„Ja, ik ben op weg naar mevrouw, maar ik zie er zoo vreeselijk tegen
op, en toen ik u zag loopen, dacht ik, dat het mogelijk een uitkomst
zou zijn ....”
Bertha Wendelings was de eenige dochter van een zeeofficiers-weduwe,
die in groote armoede van haar klein pensioentje leefde, en jaren lang
reeds bijna blind was. Mevrouw Cranz had haar dikwijls ondersteund, en
toen het gebleken was dat Bertha makkelijk leerde, had zij haar lessen
laten geven en laten klaarmaken voor de examens van candidaat-notaris.
Sinds twee jaar was zij nu werkzaam op een van de eerste Haagsche
notariskantoren.
„Waarom ziet u er zoo tegen op om bij mevrouw te komen? Mevrouw is
altijd zoo lief, niemand hoeft toch bang te zijn om haar iets te
vragen!” Hilda zeide het aanmoedigend, in de veronderstelling dat het
een kwestie van voorschot of zoo iets zou zijn.
„Ja, ze is altijd erg lief voor ons geweest, maar dat is het juist ....
dat maakt me zoo vervelend, omdat .... ze zal het erg ondankbaar van
ons vinden .... want ik vond .... ik heb voor m’n betrekking bedankt!”
Heel zenuwachtig, gauw, binnensmonds had ze het gefluisterd, maar toen
op eens luider, heel heftig:
„Ik wil niet langer dat mannenbaantje waarnemen, ik bedank er voor!
....”
„Bedankt?” herhaalde Hilda, alsof ze niet kon begrijpen. Zij herinnerde
zich hoe mevrouw Cranz nog onlangs gezegd had:—„als dat meisje nou
flink haar best doet, kan ze de laatste levensjaren van haar moeder nog
’n boel aangenamer maken, en voor haar zelf ook is de toekomst nu
verzekerd en hoeft ze niet, als zooveel andere stumpertjes in haar
omstandigheden, te zitten hunkeren of er ook een man komt, die zoo goed
wil zijn haar te onderhoûen.”—En Edward van Starren, die er bij zat,
had er zijn ruwe jongensgrap bijgevoegd:—„En als ze nou ooit trouwt,
kan ze de inspraak van haar hart volgen, in plaats van die van haar
maag!”—En wat beteekende nu deze stap?
„Wat bedoelt u met mannenbaantje?” zeide Hilda koel.
„Wel .... zoo’n betrekking, die tot dusver alleen door heeren is
vervuld geworden, zoo’n kantoorleven alleen tusschen al die mannen
....”
„Hebben ze het u lastig gemaakt?”
„Nee, ze waren allemaal heel beleefd, behalve één die probeerde wel es
om flauwe grapjes te zeggen.”
„En hebt u daàrom bedankt? Natuurlijk, overal, in elke positie kan men
onaangename menschen treffen, maar ’n massa vrouwen in Amerika, en ook
hier verscheidene dames, die betrekkingen bekleeden, hebben me altijd
gezegd, dat iedere waarachtig ernstige vrouw, die het wil, zich kan
laten respecteeren.”
„Dat is ook zoo!” zeide Bertha kleurend, omdat ze in Hilda’s woorden
een verdenking voelde. „En dat is ook heelemaal niet de reden van mijn
bedanken. Maar de vrouw moet vrouw blijven en niet mannenwerk doen.”
„Waarom noemt u zulk kantoorwerk speciaal mannelijk? Waar is toch die
grens tusschen mannen- en vrouwenwerk waar altijd zoo over gesproken
wordt? En wat denkt u nu te doen?”
„Ik zal zien naaiwerk te krijgen, maar ik ben helaas niet erg handig
met de naald ....”
„Naaiwerk? O! maar juffrouw, hoe onvrouwelijk! De naald is geen
vrouweninstrument, want duizende kleermakers en goudborduurders en
stoffeerders hanteeren haar!”
„En ik zal leeren kantwasschen,” ging Bertha voort, alsof zij Hilda’s
ironie niet had verstaan, „daar kan ik misschien ook nog wat mee
verdienen.”
„Wasschen? O, maar dat is mannenwerk! In heel de Vereenigde Staten
wordt de wasch haast uitsluitend door mannen gedaan, mannelijke
Chineezen! En wilt u u misschien ook toeleggen op het koken? dat is ook
al zoo verschrikkelijk mannelijk! want in alle kazernes, oorlogschepen,
hotels, restaurants, paleizen, wordt door duizende mannen gekookt. U
ziet wel, als de vrouwen zich wilden onthouden van alle werk, dat op
grooten schaal door mannen gedaan wordt, zouên ze niet alleen de
kantoren moeten vaarwel zeggen, maar dan bleef er zelfs niet veel
anders over dan kinderjuffrouw. Dat is nog een van de weinige baantjes,
voor zoover ik weet, waar ze niet in concurrentie met de mannen treden,
of het moest zijn met een haakwerkje voor het raam gaan zitten; zoover
hebben de mannen het ook nog niet gebracht.”
Hilda lachte bitter. De ergernis over dit jonge meisje, dat heel een
toekomst weggooide onder suggestie van een paar holle phrases over
vrouwelijkheid, maakte haar woorden bijtend.
„Ik had gehoopt steun bij u te vinden, maar als u zoo spreekt zal ik
maar liever niets meer zeggen!” zeide juffrouw Wendelings geraakt.
Hilda zag haar aan, strak, uitdagend, en toen uit de hoogte, half omdat
zij boos was, half om Bertha uit te lokken tot verder spreken:
„Natuurlijk, tegen mijn argumenten valt ook verder niets te zeggen!”