Een poosje zwegen zij. Marguérite was bij het raam gaan zitten op den

eenigen stoel die er was, want het kamertje was klein en blijkbaar werd

het alleen gebruikt om in den kortst mogelijken tijd door slaap en koud

water de verbruikte krachten te herwinnen.

„Cora!” zeide Marguérite aarzelend. „Ik begrijp heel goed dat jullie

erg ongelukkig bent, maar, misschien is het toch eigenlijk maar een

wachttijd. Als Frank veel geld heeft verdiend, kan ie die vrouw

misschien wel afkoopen, ik bedoel haar een groote som beloven als zij

scheiden wil. En als zij maar ééns wil, zijn er wel middelen te vinden

om een scheiding gedaan te krijgen!”

„Misschien wel,” zeide Corona mat, nog te veel geslagen om er in te

gelooven. Toen legde ze op eens de kam neer en stond voor Maggy, de

zwartzijden haren neerstroomend aan beide kanten van haar hoofd als

nonnensluiers die het bleeke gezichtje nog witter maakten:

„Maggy, weet je wat ik daar denk?”

„Nee, wat dan?”

„Dit is de formule die we gezocht hebben voor vrouwenemancipatie: De

vrouw hebbe het recht om mee te werken aan de wetten die eenmaal op

haar leven en dat van haar zusters en dochters een beslissenden invloed

kunnen uitoefenen!”

„De formule is niet goed,” zeide Marguérite. „Want ze geeft alleen maar

’n klein gedeelte van ons streven terug.”

„Dat is ook zoo, maar mij dunkt dat dit toch wel, voor de menschheid,

één van de groote weldaden er van zal zijn! Als je wist in hoeveel

huishoudens ik kom, onder alle standen, waar betere

echtscheidingswetten, een redding van zedelijkheid en waardigheid

zouden zijn geweest, als je al het leed kondt zien, al de zonde, zooals

ik ze van nabij heb gezien, voortkomende uit dat onverbreekbaar

saamverbonden zijn van twee levende elementen, die niet meer door den

tooverband van affectie zijn vereenigd, dan zou je ook zeggen .....

enfin, en dan nog al de andere verouderde wetten, die betrekking hebben

op onzen rechtstoestand ..... Geloof je niet, dat, als er

vrouwen-kiezers, vrouwen-afgevaardigden waren, die hadden zien lijden

of zelf hadden geleden, zooals ik het heb gezien en gedaan, er heel wat

flinker zou worden aangepakt om de toestanden te verbeteren?”

„Natuurlijk,” zeide Marguérite, glimlachend, „ik geloof zelfs dat als

de wetgevers bijvoorbeeld alleen uit vrouwen bestonden, er veel te gauw

aangepakt zou worden. In de meesten van ons zit iets van de Hollandsche

huisvrouw, die, als ze wat stof op een meubel ziet, en zoo gauw geen

stofdoek bij de hand heeft, haar zakdoek of schort zal gebruiken,

gehoorzaam aan het instinkt om elke onreinheid onmiddellijk te

verwijderen. Moreel zouden wij dat ook doen en onder onze absolute

heerschappij zou dus de wereld zelfs misschien veel te hard

vooruitloopen, bijna op hol gaan.”

„Maar daarom ook is immers een bestuur bestaande alleen uit vrouwen of

alleen uit mannen, altijd nadeelig voor de gemeenschap!” zeide Corona.

„Physiek zijn man en vrouw twee equivalente deelen van het menschtype,

nietwaar? Zij zijn precies gelijk, de een kan zonder de andere niet

voortbrengen, alleen door hun vereeniging blijft het ras in stand en is

er een toekomst mogelijk. En die zelfde wet geldt ook, moet gelden in

de moreele en maatschappelijke verhoudingen. Alles wat tot stand komt

door samenwerking van mannen en vrouwen moet noodwendig vruchtbaarder,

rechtvaardiger, evenwichtiger zijn, dan wat een van de beide geslachten

alleen heeft gedaan.”

„Getuige ons wetboek!” riep Marguérite. „Maar er is immers ’n commissie

bezig geweest het te herzien, nietwaar?”

„Ja, een commissie! ....” antwoordde Corona met voor het eerst iets als

een lach. „In 1880 is die aangesteld, maar ik hoor dat die herziening

niet veel verbetering behelst en wanneer zal dat ontwerp eindelijk es

in behandeling komen?”

Beiden zwegen een lange poos, terwijl Marguérite zich in stilte

verheugde dat zij gekomen was, en Corona had kunnen opwekken uit haar

eerste diepe neerslachtigheid. Zoodra zij zich maar weer kon verdiepen

in die vragen, waaraan zij haar leven gewijd had, zou ze weer meester

zijn over haar eigen leed. Niets is zoo machtig om eigen smart op den

achtergrond te dringen als het zich hartstochtelijk absorbeeren in een

groot algemeen belang. Het werkt als een hefboom, ons oprichtend uit de

diepten van zelfmedelijden en zelfzuchtig neerzitten. Dankbaar zag

Marguérite hoe langzamerhand onder het voortdenken, Corona’s loome

lusteloosheid verdween en de oude rustige veerkracht in hare bewegingen

terugkeerde.

„Weet je wel Maggy,” zeide Corona eindelijk, „dat over vijftig jaar de

heele wereld zal lachen om al dit geschrijf en gepraat voor en tegen de

vrouwenemancipatie. Het jongere geslacht zal er niets meer van

begrijpen, en het zal er om lachen, zooals wij nou zoûen lachen als er

brochures en boeken vol werden geschreven om te bewijzen dat ’n

huisgezin waar een lieve intelligente moeder de zorgen voor haar

kinderen met den vader deelt, oneindig completer, gelukkiger moet zijn

dan eén waar zoo’n moeder ontbreekt. En dan te denken dat het nog

zooveel moeite kost om de menschen te laten begrijpen, dat het in het

groote huishouden van den staat of van de gemeente precies hetzelfde

is!”

Corona was klaar en samen, de armen om elkaar heengestrengeld, terwijl

Marguérite, die zooveel kleiner was, haar hoofd op Corona’s schouder

liet rusten, daalden zij de trappen af naar de smalle ontbijtkamer

beneden.

Het was de houding die kostschoolmeisjes zoo gaarne aannemen, een

houding van teederheid en vertrouwen, waarbij gewichtige kleine

geheimen zoo makkelijk worden uitgesproken; en Cora en Maggy, van af

die eerste tijden van haar vriendschap, toen zij zooveel jonger waren

en deze omstrengeling voor haar weinig expansieve naturen een groote

liefkoozing beteekende, hadden zich aangewend om dikwijls zoo te

loopen. Iets van veiligheid en troost lag er in, om steunend op elkaar,

zoo samen voort te gaan.

Ottilie van Heemeren lag uitgestrekt op de rustbank in haar boudoir en

telde de geschilderde bladeren van den rand van het plafond. Het

regende dien morgen, zoodat zij haar plan had moeten opgeven om naar

het strand te gaan, waar zij wist dat zij van Smaarth zou ontmoeten.

Een oogenblik richtte zij zich op: Zou ze toch maar gaan? Met den

dikken wollen regenmantel? Zij zag naar de lucht, een vale hemel vol

grijze waterdampen, waaruit het eindeloos scheen te zullen

neerstroomen; zelfs de bontvroolijke kamer, met al haar

weeldegeschitter, zag er kil uit op dit oogenblik, en zuchtend liet zij

zich weer neervallen. Zij trachtte zich nu het strand voor te stellen,

zooals het er uit moest zien, de effen geelgrijze lucht en daaronder

het woelende water, koud, grijs met zwarte strepen, en hier en daar een

witte schuimkop, die schuim, die in de zon zoo lachend kon schitteren

en dansen, maar bij zulk weer angstig opfladderde als voortgejaagde

schimmen. De natkoude wind en de druipende stoelen op hoopen bijeen

gezet en hier en daar ’n badgast, die door de uiterste verveling

gedreven of door aandoenlijke gehoorzaamheid aan het woord van den

dokter, om toch zooveel mogelijk van de zeelucht te profiteeren, zich

onder oude verschoten mantels en sjaals heeft bedolven, en verkleumd en

verwonderd den voorbijganger aanstaart. Huiverend rekte ze zich uit op

de sofa: „’n mooie plaats om te flirten, zoo’n druipnat strand!

Misschien is van Smaarth ook wel zoo wijs geweest om niet te gaan! Maar

hij zal het niet hebben durven laten om de mogelijkheid dat het weer

opklaarde, en ik toch nog kwam. Poor fool! pauvre petiot: onder zulk

weer samen alleen op het strand zou toch wel wat heel compromettant

zijn geweest! Als ie dat niet begrepen heeft moet ie voor z’n straf ook

maar ’n paar natte uurtjes op de uitkijk staan!”

Zij glimlachte, het wreede sfinxenlachje. De dwaze figuur van dien

wachtenden minnaar onder een parapluie verdreef een oogenblik de

drukkende verveling. Toen begon ze weer onwillekeurig de bladeren op

het plafond te tellen: dertien, veertien, vijftien! Maar waar moest dat

romannetje met Johnie nou toch eigenlijk op uit loopen? „Soms geloof

ik, dat het hem ernst begint te worden. Wat heeft ie zacht krulhaar en

vreemde oogen! Dat is zijn charme, geloof ik, die donkere, vreemde

oogen.”

Zij stond op en liep doelloos door de kamer, de handen op den rug. „Zou

het dan eeuwig blijven regenen? O! dat gevoel van namelooze verveling!

Zij nam haar boek op, dat half opengesneden was: „Mensonges” van

Bourget. Maar dadelijk legde ze het weer neer. Er was iets in de

volkomen, en toch bijna onbewuste demoralisatie dier Susanne Moraine,

dat haar dien morgen ondragelijk was. De beschrijving der verfijnde

dierlijkheid, van het als ’t ware spelend neerzinken dezer vrouw, tot

de uiterste depravatie, maakte haar zenuwachtig. Er spatten vonken uit,

verlichtend dingen in haar eigen leven, die zij liever in donker liet.

En weer liet ze zich achterover vallen op de rustbank. Het was de

gewone geschiedenis: door lusteloosheid kwam ze tot nietsdoen en door

nietsdoen werd de lusteloosheid hoe langer hoe drukkender. En wat zou

ze ook doen? Een oogenblik nog kwamen er een paar grappige gedachten,

zooals door regenwolken een valsch waterzonnetje breekt; maar voor wie

gewend zijn met haar geest te schitteren in een kring van vleiende

bewondering, is er weinig aantrekkelijks in om geestige dingen te

bedenken in eenzaamheid. Weer daalde verveling op haar neer, grijze,

oneindige, en juist haar intellectueele gaven en de bloeiende

gezondheid van haar jong lichaam, maakten die nog gevaarlijker, omdat

zij de doffe uren opvulden met hartstochtelijke verlangens naar leven

en genieten, zooals zij nog nooit geleefd en genoten had. Dat genieten,

zooals zij het zich nu voorstelde, alleen korte oogenblikken kan geven

van koortsigen gelukswaan, zonder bevrediging, zonder verzadiging

zelfs, waarna het ontwaken komt vol desillusie-bitterheid, en dat

levensvoldaanheid alleen wordt geboren uit ernstig arbeiden voor iets

dat ons lief is, dat ons met bezieling vervult, waren waarheden, die

niet in het bereik lagen dier jonge vrouw, nog in den bacchantenroes

harer ijdelheid. Als madame Bovary, en al hare zusters over de geheele

aarde, een druk vroolijk huishouden van tien kinderen hadden gehad, of

zich aan de zieken van haar man hadden gewijd, of uit armoede hadden

moeten les geven aan de dorpsschool, zouden zij hoogst waarschijnlijk

niet gezondigd hebben. Eerst een gewone meisjesopvoeding, waarbij, door

het stelselmatig eenzijdig ontwikkelen van het gevoelsleven alleen, het

natuurlijk evenwicht wordt verbroken tusschen verbeelding en logisch

beschouwen, daarna een bestaan zonder doel, zonder werk, waarop de

volwassen levenskrachten kunnen worden geconcentreerd, is het wonder

dat zoovele vrouwen de holheid van haar bestaan trachten op te vullen

met de prikkelende emoties van ongeoorloofde verhoudingen?

Een half uur lag Ottilie stil achterover, terwijl de gedachten kwamen

en gingen, vluchtig en toch duidelijk zooals in droomen, over briefjes

die zij schrijven moest, over een gebroken armband, over vleiwoorden,

die men haar gezegd had, over van Smaarth, over het nieuw zijden kleed,

blauw met Brusselsche kanten, voor Valérie Vermaezen’s bruiloft, over

een zelfmoord in de courant, over Rooselaar’s hardnekkige blindheid om

niet te zien dat Corry met hem speelde, allemaal onderwerpen geschikt

om met kennissen uren lang te bepraten, maar armzalig gezelschap op een

regenmorgen, alleen. Soms met een loomen armbeweging nam zij een bonbon

van het tafeltje naast haar, fondants met liqueur er in. Het was

verbazend hoeveel zij den laatsten tijd daarvan gebruikt had. Maar dit

voorjaar, nu de maalstroom van amusementen wat bedaard was, waren er

zooveel van die leege uren, en telkens als ze zich verveelde kreeg ze

zoo’n flauw hongergevoel, waartegen de liqueur-bonbons moesten helpen.

Eindelijk werd er gebeld. Zij luisterde met kinderachtig verlangen. Zou

het maar een leverancier zijn? of ’n afleiding, ’n briefje, ’n visite?

Met een gevoel van bevrijding sprong ze op, toen Gladys van Praege en

haar beide kinderen even daarna binnen kwamen.

„Hoe gezellig, dat je de kinderen hebt meegebracht! kom je ’n beetje

rustig praten? Dag broertje! Hé, wat ’n frissche wangen!”

De kleine Hajo liet zich gewillig kussen en ging naast haar op de sofa

zitten, vertrouwelijk spelend met de ringen van haar linker hand.

Kleine Mary stond schuw naast haar moeder en keek scherp onderzoekend

naar Ottilies zware zwarte haar.

„Hoe vreeselijk toevallig, dat je vanmorgen juist aankomt?

Ik had je net ’n briefje willen schrijven of je vanavond met je man

kwam theedrinken?”

„Mogen we liever een andere avond? Vanmiddag krijg ik juist m’n zuster

uit Amerika te logeeren, je weet wel Maud, de oudste, en zoo’n eerste

avond zoûen we liever stil samen thuis blijven, dat begrijp je wel,

nietwaar?”

„Natuurlijk. Maar hoe heerlijk voor je. Je hebt haar zeker in lang niet

gezien?”

„Nee, niet sinds m’n huwelijk. Ze kon nooit overkomen omdat haar

betrekking zoo druk is. Je weet ze is eerste geneesheer aan ’t groote

hospitaal van Washington. Maar nou heeft ze ’n jaar verlof gevraagd om

een beetje op rust te komen en wat van Europa te zien en ze zal nou bij

me blijven tot .... de kinderen ’n nieuw broertje of zusje hebben

gekregen ....”

„O! .... zoo, zoo .... wel .... dat is heerlijk voor je! Is je zuster

al in Engeland?” Een nuance van ironie lag in Ottilie’s stem.

„Ja gisteren heb ik ’n telegram uit Liverpool gekregen, en vanmiddag

wacht ik haar hier.”

„En wat zegt je man er van dat je nog zoo’n derde lastpostje gaat

krijgen?”

Gladys kleurde even, met een flauwen glimlach; zonder te antwoorden zag

zij het raam uit.

„We zijn geen laspossen van mama!” zeide kleine Hajo, haar strak

aanziende, ernstig, met ronde verwonderde kinderoogen. „We zijn mama’s

Arlis en papa’s laspossen.”

„Mama’s Darlings, meent ie zeker,” legde Gladys uit en weer steeg langs

het doorzichtige teint een roode gloedgolf. „En papa noemt ze misschien

wel es lastpostjes voor de grap.”

Ottilie lachte. Zij begreep er alles van. Den vorigen avond was van

Praege op het Kurhaus bij hen komen zitten; zij hadden zich uitstekend

samen geamuseerd, en zij kon het niet helpen, zij lachte, zij vond er

iets belachelijks in, dat dat naïeve schepseltje daar nog zat te

probeeren om de hoe langer hoe duidelijker wordende scheuren te

bedekken van de bouwvallen van haar huisgeluk.

En terwijl Gladys, in de blijheid van haar zusterweerzien voortsprak,

levendiger dan gewoonlijk, zat Ottilie met haar raadselglimlach en

koude oogen, en nam het blonde kopje in koele analyse op, zich

afvragend, waarom zulk een bekoorlijk vrouwtje, dat zooveel

bewonderaars kon krijgen als ze wilde, haar man bleef voorspreken en

treurend bij de kinderen thuis zat, in plaats van zich van haar kant

ook te amuseeren.

Hoe dat amuseer-leven haar zelf juist nog een oogenblik te voren tot

vervelingswanhoop had gebracht scheen ze zich niet meer te herinneren,

en zoo als allen, die gewend zijn weinig na te denken en naar een enkel

individu een tallooze massa te beoordeelen, trok ze in stilte haar

conclusie: „Wat zijn die Amerikaansche vrouwen toch onnoozel!”

Gladys stond op. „Nou kinderen, nog gauw ’n boodschap in de Pooten en

dan naar huis.”

„Mag ik dit boek nog even uitzien?” zeide Mary. Zij was verdiept in

Flora’s Feast van Crane en haar kleine feeënziel scheen geboeid door

den feeëndans der bloemen. Een vreemd teer kind was Mary met intuïtief

begrijpen van dingen, veel te zwaar voor haar klein-kinderziel van

zeven jaren, die zich schuw droef soms kromde onder het gewicht van

haar voelen. Gladys was dikwijls angstig over haar; er was een

uitdrukking in de donkere grootdroomende kinderoogen, die haar ’s

nachts kon doen opstaan om te zien of alles wèl was in het witte

ledikantje en nooit zonder een gevoel van dankbaarheid zag ze haar

lachen en spelen als een gewoon kind.

„Het regent zoo, laat ze maar hier tot je terugkomt, en haal ze dan

even aan, je moet toch hier voorbij,” zeide Ottilie.

„Maar zullen ze ’t je niet lastig maken, die kleine kleuters? Wou je

erg graag blijven, Mary?”

„O ja, mama, kijk es hoe prachtig! die man schenkt vlammen van de eene

tulp in de andere; zeker bloemenvuur dat niet verbrandt, en ziet u es

hier, dat engeltje met vleugels van crocusbloemen, dat een zonnestraal

opvangt in een crocuskelkje!”

„Prachtig!” zeide Gladys, zich tot haar bukkend met die teere volle

belangstelling, waarmede zij alles van haar kinderen tegemoet kwam.

„Nou maar tot straks dan; zul je heel zoet zijn broertje?”

„Broer, kom ook es kijken,” riep Mary opgetogen bij een nieuwe bloem.

Maar de kleine jongen, door al het bonte speelgoed, dat hem

tegenflonkerde in de tallooze luxevoorwerpjes, opgewonden, stapte rond

op zijn kleine stevige beenen, de handjes voorzichtig opgeborgen in

zijn zakken, de oogen vol schroomvallige begeerlijkheid.

„Kom es hier!” riep Ottilie, „kijk es wat ik hier heb!” En terwijl zij

zich lachend in een laag satijnen fauteuiltje liet zakken, hield zij

hem een van die karikatuurachtige Japansch-porceleinen poppen tegen,

die met hun hoofd kunnen knikken en de tong uitsteken.

Hajo schaterde en kwam met uitgestrekte handjes op haar toe geloopen,

maar met opgeheven arm hield zij het dingetje omhoog. Lachend de mond

en ernstig de oogen, stond hij even stil, opziende tot het lokkende

speelgoed, overleggend in zijn kleinen bol hoe het te bereiken. Toen op

eens, met een grappig aanloopje van waggelende bedrijvigheid klom hij

op haar schoot, met zijn handjes haar arm omklemmend om dien naar

beneden te trekken. Maar plagend hield zij de pop stijf omhoog en een

kleine worsteling volgde, voor haar een spel, voor hem een

hartstochtelijk inspannen van al zijn krachten. Maar toen in eens, bij

het voelen trappelen der kleine voeten in haar schoot, bij den druk der

warme grijpende handjes op haar arm, bij het voelen wringen en bonzen

tegen haar borst van het week buigzame en toch zoo stevige lichaampje,

werd een troublant weeldegevoel in haar wakker. En in eens in een

passie kwam het over haar.

Al de overspanning en verveling der laatste tijden, al haar drang naar

een ongekend nieuw geluk, al haar onbevredigd voelen, loste zich in dit

oogenblik op in een wild verlangen naar zoo’n klein lichaam dat haar

zou toebehooren.

De opgeheven hand zonk neer, en Hajo jubelend zijn heerlijk

kinderlachen greep het Japansche monster, maar zij, de armen om hem

heen, hem vast tegen zich aandrukkend, bedekte zijn gezichtje, zijn

handjes, zijn kleertjes met heete gulzige kussen.

Angstig, om het plotselinge, heftige der liefkozing, spartelde het kind

om los te komen en in een oogwenk stond Mary naast hen, Ottilie’s arm

in haar kleine nerveuze handen knijpend, totdat zij met een kreet van

pijn de krampachtige vingertjes afschudde, maar tegelijk ook gleed Hajo

van haar schoot.

„U mag broertje geen pijn doen! Ik zal het aan mama zeggen!” zeide het

meisje, de vroegwijze kinderoogen vol verwijt.

„Jou kleine feeks, wat heb je me verschrikkelijk geknepen! Pas maar op,

dat ik dàt niet aan mama vertel! Ik heb broertje geen pijn gedaan, is

’t wel, Hajo? Nee, zie je wel, hij schudt zelf van nee. Maar kom dan

nog es even hier, kleine vent!”

Zij strekte de armen uit, in een groot verlangen nog eenmaal de

weeldeprikkeling te voelen van straks. De drukking van het warme ronde

lijfje tegen haar borst, had er op eens een koud gevoel achter gelaten:

bijna physiek leed zij onder het plotseling leeg voelen van haar armen.

„Kom maar gerust, kleine kleuter, kom maar! Als je hier komt mag je het

popje hoûen!”

En toen het kind schuw gehoorzaam naderde, trok zij hem wild op haar

knieën, het gezichtje met heete hartstochtkussen bedekkend, in

koortsige haast, want het was haar alsof ze een diefstal beging, een

verboden geluk roofde, alsof zij zonde bedreef door het frischrose

kinderhuidje onder haar brandende lippen te doen gloeien.

Maar het kereltje begon bang te huilen, en weer kwam Mary tusschen

beiden:

„Mama wil volstrekt niet, dat we door vreemde menschen gezoend worden.

Waarom neemt u zelf niet een eigen kindje om mee te sollen?”

Ottilie stond op, plotseling duizelig, met een brandend moe gevoel in

haar hoofd. Zij zag het meisje aan, en een wreede woede, een

krankzinnig verlangen welde even in haar op, om die mooie kinderoogen

vol tranen te zien, haar te mishandelen. Toen lachte zij, het hoofd

achterover en belde en tot de knecht die dadelijk verscheen:

„Och, Hendrik, neem die kinderen toch mee naar beneden; ze zijn me veel

te druk en te lastig. Laat Mina maar op ze passen tot mevrouw van

Praege ze komt halen.”

En zonder hen zelfs vaarwel te zeggen, duwde ze ongeduldig de kleinen

de kamer uit en wierp zich voorover op de rustbank, uitbrekend in

tranen.

Lang lag zij zoo, het hoofd voorover, haar kreunen van wanhoop smorend

in het zachte witzijden kussen, weenend in al de wilde onstuimigheid

harer ziel, zich overgevend aan haar leed, toomeloos zooals zij het aan

haar amusementen deed.

Eindelijk werd ze gewekt door een zachte hand, die haar streelend over

het hoofd gleed. Zij schrikte op, boos dat zij gestoord was, angstig

dat iemand haar zoo had gezien, maar toen zij Corona van Oven had

herkend, legde ze zich weer neer, gerustgesteld en schreide voort, maar

nu toch kalmer.

„Wat is er Tilie, wat is er gebeurd?”

Zij schudde het hoofd zonder op te zien.

„Gelukkig, ik dacht dat er iets vreeselijks was, toen je me niet hoorde

binnenkomen en ik je zoo zag liggen. Kom bedaar nou maar, en laat er

ons samen over spreken, wat is er voor verdriet? Als het niet erg is,

moet je je ook niet zoo opwinden! Kom, vertel het me nou maar!”

Maar Ottilie lag onbewegelijk, mokkend het gezicht verborgen, alsof zij

nooit meer zou willen opzien.

Corona glimlachte en zette zich rustig naast haar neer. Zij kende haar

patiënten en gewild vroolijk hernam zij:

„Kom Tilie, wees niet zoo kinderachtig; ik weet het immers al lang!

Gisteravond wat veel champagne en hofmakerij en vandaag hoofdpijn en

tranen. Het is de eeuwige afwisseling van opwinding zonder geluk en

depressie zonder verdriet, waar jullie wereldvrouwtjes je leven mee

verknoeit.”

Ottilie kwam dadelijk overeind, gekwetst door Corona’s spottoon, waar

zij medelijdend beklag verwacht had:

„Hoe leelijk van je, Cora, om te zitten lachen als je me ongelukkig

ziet. Ik heb gisterenavond geen druppel champagne geproefd.”

„Wel, wat is er dan?” zeide Corona, voldaan over de uitwerking van haar

toon.

„Wat er is? Gladys van Praege is net hier geweest met haar kinderen en

toen ik zoo met hen speelde, kwam het ineens over me, hoe rampzalig

leeg en doelloos m’n leven eigenlijk is? Waar besta ik voor? Waarom ben

ik op de wereld? Je denkt dat ik me amuseer, maar dat is een leugen, ik

ben rampzalig, Corona, versta je? Ik verga van verveling en van heimwee

naar iets anders! O! ik wou dat ik maar dood was! Ik kan me best

begrijpen dat zooveel menschen tot zelfmoord komen!”

Hilda van Suylenburg · 第 12 / 35 段