„Adieu, lieve, ik vond het erg gezellig dat je vanavond gekomen bent,”

zeide Corona, en Hilda was dankbaar voor dat woord, dat haar zeide,

dat, mocht zij iets geraden hebben, men haar niet als een indringster

beschouwde.

„Dank je wel, Cora, dank je wel!” fluisterde ze gejaagd in een

plotseling verlangen om de armen om haar heen te slaan en met haar te

weenen.

Wat waren haar handjes ijskoud! en op het hooge voorhoofd, waar het

bleek ivoor licht beschaduwd werd door het donker haargegolf, parelden

kleine angstdropjes. Corona was angstig voor het eerst in haar leven.

Zij voelde dat de ure van bange beslissing dáár was.

Hilda en Marguérite waren weg gegaan, en zwijgend stonden Soeterwolde

en de jonge doktores tegenover elkaar. Zij durfde hem niet aan zien,

geloovende met vreemde intuïtie dat als hun blikken elkaar nu

ontmoetten er iets vreeselijks gebeuren zou.

„Cora!” zeide hij eindelijk heel zacht.

Zij ging een stap van hem af en viel neer op een stoel. Zij kon niet

meer staan door het beven, en over haar kwam die radelooze

krachtsinzinking, die ook de sterksten, misschien juist de sterksten,

een moment lang kan vernietigen. Als Frank haar op dit oogenblik in

zijn armen had genomen en tot haar had gesproken de overstelpende

woorden, die als een tooverdrank werken op de vrouw die liefheeft, in

slaap wiegend alle denken, alle willen, misschien zou zij niet bijtijds

tot zelfbeheersching zijn teruggekeerd. En het is vreemd te denken dat

in de momenten van strijd tusschen het sterke en het zwakke geslacht,

het juist aan de vrouw is, om sterk te zijn, wil niet de uitkomst

rampzalig wezen. En hoevele vrouwen werden opgevoed tot kracht? Was

niet tot dusver de leidende hoofdgedachte der meisjesopvoeding:

toegeven, volgen, dienen, gehoorzamen, onderworpen zijn? En als dan, in

het oogenblik van hoogste worsteling het meisje niet heeft weten te

heerschen over zich zelf en den sterke, tot wien men haar geleerd heeft

op te zien, dan werpt in huichelachtige wreedheid de wereld haar den

steen toe.

Maar Frank stond voor haar en zag neer op het smartvolle gezichtje in

grooten teederen eerbied, en zachtjes dringend herhaalde hij:

„Cora, wij kunnen immers ons leven zoo niet langer voortslepen, het kan

niet! Die paar keer op een jaar dat ik zoo es even kan overkomen en

onze arme brieven zijn maar broodkruimels, we sterven daarbij van den

honger. Laten we niet meer scheiden! Cora, liefste ga met me mee!”

Zij sloot de oogen en schudde zachtjes het hoofd.

„Waarom niet? Corona? Waarom zoûen we niet gelukkig samen zijn? Is dan

niet wat ons samen heeft gebonden van den eersten dag af aan dat we

elkaar gezien hebben, juist die goddelijke band, die niet verbroken mag

worden! Zijn onze zielen niet tot elkaar getrokken door dien onzegbaar

mysterieuzen drang, dien de dieren niet kennen en de lage naturen

kunnen loochenen, maar dien wij erkennen, niet waar? die drang die door

het beste wat in ons is, ons tot elkaar voert, niettegenstaande we ver

van elkaar hebben geleefd, en we beiden geworsteld hebben om ons los te

maken van een liefde die we vooruit wisten dat ons zooveel ellende

geven zou?”

„Ja, we hebben wèl geworsteld!” zeide ze in een mat fluistergeklaag.

„We hebben getracht op te gaan in ons werk met alle kracht, maar het

geeft allemaal niets!”

„Nee, Cora, ’t geeft niets! We behooren bij elkaar voor altijd! Waarom

geloof je me niet? en wat is er dan toch dat ons scheidt? ’n stuk

papier daar ginds op het Stadhuis te Rotterdam, dat mij bindt aan een

vrouw, die ik niet lief heb, en die mij niet lief heeft, die alleen in

mij den kunstenaar wil exploiteeren!”

Hij sprong op en liep de kamer op en neer met zware heftige stappen.

Een oogenblik, zonder dat hij het merkte, volgden hem Corona’s oogen en

langzaam keerde in haar blik het geestkrachtsklare terug:

„Nee, Frank, niet dat papier scheidt ons! geloof je dat zoo’n akte,

waarvan wij allebeide het onzedelijke hebben erkend, mij zou kunnen

beletten je te volgen, als ik dacht dat het goed was?”

Met een ruk draaide hij zich om.

„En waarom denk je dat het niet goed zou zijn? Hebben we elkaar niet

lief? Zijn onze levens niet vernietigd als we zoo gescheiden voort

moeten gaan? Vullen we elkaar niet aan, zoo als man en vrouw dat

behooren te doen?”

Zij boog het hoofd en staarde op de samengeperste handen. De

angstsmeeking in zijn oogen kon ze niet zien en ze zocht naar woorden.

In zijn nabijheid vol hartstocht en teederheid, hoe koud en vaag

schenen op eens al de argumenten die ze zoo dikwijls bij zich zelf

herhaald had in volle overtuiging.

„Frank je gelooft in je roeping als kunstenaar niet waar? Je gelooft

dat elk mensch den roep moet volgen die in hem is, waardoor alleen hij

aan de gemeenschap kan geven wat hij het beste in zich heeft?”

Hij knikte even en bleef haar strak onrustig aanzien.

„Zoo is er voor mij ook een roeping hier, die ik vervullen moet, en als

ik je nou volgde Frank, zou ik daar ontrouw aan worden, en dat kan

niet?”

„Wat voor roeping? Overal zijn immers zieken, genezen en helpen kun je

immers overal?”

Ze schudde het hoofd.

„Dat bedoel ik niet! Frank! Ik meen niet dat ik als dokter hier moet

blijven. Maar voor velen ben ik hier iets heel anders geworden, een

steun een raad-, een leidsvrouw, en ik weet dat als ik nou met je weg

ging, ik die allen een onherstelbaar kwaad zou doen. Want wat zal de

wereld zeggen van ons? Niet dat we vijf jaar lang in groote kracht

geworsteld hebben, en toen eindelijk erkennende dat de band die ons

verbonden houdt, heilig en onverbreekbaar is, ons vereenigd hebben in

naam van een hoogere moraal dan die van het wetboek. Zij zal van ons

zeggen ....”—een donkere gloed golfde heen over het koud witte

gezichtje—„dat doktoresje is er van door met ’n acteur! en ik hoor het

gelach en gefluister al, en al de geestigheden op de heerensociëteiten

en de commentaren die bij zulke gevallen niet uitblijven: „Dat heb je

nou van die geëmancipeerde vrouwen. Ik heb het altijd wel gezegd! Hoe

geleerder en onafhankelijker hoe lichtzinniger!” Begrijp je niet Frank,

dat waar ik hier jaren lang gewerkt heb om al die onzinnige

vooroordeelen te overwinnen, ik dat alles niet in éen slag mag

vernietigen door in de wereldoogen een grooten val te doen?”

„Maar men zou ook kunnen zeggen, dat, als jij met je grooten invloed en

vlekkelooze reputatie aan de wereld toonde, dat er voor jou een heel

andere, hoogere zedelijkheid bestaat dan die van verouderde wetten, je

voorbeeld in die richting een weldaad voor de menschheid zou zijn! Wat

kan de wereld beter overtuigen, dan dat een vrouw als jij haar den weg

wijst? Toon door je daad dat je neerziet op degenen die hun zelfgemaakt

wetboekje hooger stellen dan de eeuwige wet van de Liefde! en kom bij

me, Corona!”

Vol verwachting zag hij haar aan. Maar zij schudde droevig het hoofd.

„George Eliot en George Sand en zooveel anderen hebben dat voorbeeld al

gegeven, en wat hebben zij bereikt? Hoogstens zou men van mij zeggen:

„Dat had ik nooit van haar gedacht!” De wereld zou nooit gelooven dat

ik uit een hoog beginsel zou hebben gehandeld, zij zou alleen gelooven

aan zwakheid, en dat mag niet, Frank! Vlekkeloos moet ik blijven om met

alle kracht invloed te kunnen uitoefenen. Als mijn stem van protest

tegen het onzedelijke onzer wetten, en tegen zooveel onrecht en domheid

luide weerklinken zal, moet ik op een voetstuk blijven en niet eerst me

zelf in de wereldopinie verlagen.”

Zonder te spreken, hervatte Frank zijn heen en weer loopen. De handen

in de zakken, het hoofd diep op de borst gebogen, ging hij telkens

langs haar heen.

Eindelijk hoorde ze hem zeggen, schor fluisterend tusschen de tanden:

„Wereldopinie! dus toch angst voor de wereldpraatjes!”

„Niet voor mij zelf, Frank!” riep ze smeekend tot hem opziend, bang

voor misverstand. „Begrijp me toch, voor mij zelf ben ik onverschillig

voor de wereld! Heb ik niet mijn heele moeielijke leven door alleen dat

gedaan, wat ik zelf voor plicht en goed hield, zonder mij om allerlei

opinies te bekommeren? Maar voor de anderen hier, mag ik niet, Frank,

toe geloof me, ik mag niet!”

Hij antwoordde niet, en zij, zacht pleitend ging voort:

„O! als je ’t wist, hoe er onder de armen hier meisjes zijn, die alleen

het geloof in reinheid en goed zijn terug hebben gekregen, doordat ze

in mij geloofden, en uit de hoogere standen, hoeveel ik er gered heb

van het akelig luie leven van wachten op een man, doordat ze in mijn

werk leerden gelooven. O! Frank, dan zou je zelf inzien dat ik dat

geloof niet mag breken door een zondeschijn op me te nemen.”

„Maar, mijn God, Corona, wat kunnen me al die anderen schelen! Zoo’n

handjevol Haagsche meisjes, wier deugd zoo zwak is dat ze valt of staat

met jouw voorbeeld, is dat de moeite waard, om ons heerlijke geluk aan

op te offeren?”

„Ja Frank,” zeide ze met iets warm plechtigs. „Tenminste, als je

gelooft, zoo als ik, dat het doel van het leven niet is geluk, maar

volmaking, dan is het de moeite waard dat wij ons geluk van dit

oogenblik opgeven voor diegenen, al waren het er maar tien, maar vijf,

maar drie, voor wie een teleurstelling in mij een verlies van

vertrouwen in al het goede zou zijn!”

„Dwaasheid,” zeide hij bijna grof. „Niemand is onontbeerlijk, dus jij

ook niet. Het is hoogmoed van je, Cora, om zoo te spreken.”

Zij sloeg de oogen neer, peilend in haar eigen hart, zich onderzoekend

in grooten angst, en het frappeerde hem op eens toen hij op haar neer

zag, hoe sterk zij geleek, zoo, in het licht van de lamp, de donkere

wimpers blauwzwart kringend op de bleeke wang, op een Madonnakopje, dat

hem eens in een oude kerk in Italië getroffen had.

Maar toen begon ze weer te spreken, de groote glansoogen tot hem

opgeslagen:

„Ik geloof niet dat het hoogmoed is, want als in de physische wereld

het een bekend feit is, dat het kleinste stofje dat zich verplaatst

duizende en duizende bewegingen en tegenbewegingen in de wereld van het

onzichtbaar kleine wekt, dan moet dat in de moreele wereld ook zoo

zijn, en ik weet zeker, dat, als ik nu met je wegging, ik over heel

Nederland duizende cynische lachjes en hoonwoorden zou oproepen, die

aan ontelbare vrouwen den strijd zouden verzwaren voor een

onafhankelijker waardiger leven! Ik hoor het al: „Daar heb je nou weer

die doktores, in den Haag, die er van door is met ’n getrouwd man! Nou

zie je weer es, waar die emancipatie toe leidt!” En nu mag het waar

zijn, dat er dagelijks alles behalve geëmancipeerde vrouwen geschaakt

worden en bedriegen en zondigen, met logica houdt zich de wereldopinie

niet op, en het feit dat ik gestudeerd heb en .... „er van door was”

.... zou weer als wapen dienen tegen heel wat vrouwen die worstelen om

haar eigen weg te mogen volgen.”

Zwijgend, in wrevelopstand tegen alles wat ze zeide bleef hij de kamer

rondloopen, woedend op zich zelf en haar, dat hij geen afdoende

weerlegging kon vinden. Toen begon ze weer, dringend, vol pijn om zijn

niet overtuigd zijn:

„Luister Frank, toen ik pas aan de academie kwam, studeerde daar ook

een Oostersch meisje, dat wil zeggen van een Hollandschen vader en een

Javaansche huishoudster. Het was een vreemd kind, vol wilde

hartstochten, ook wel met iets goeds en aardigs in haar impulsies, maar

opgevoed zonder beginsel, zonder eenige zelfbeheersching, of liever

niet opgevoed, alleen opgegroeid. Als zij niet gestudeerd had en tot ’n

gewoon suf meisjesbestaan was veroordeeld geweest, zou ze al lang den

verkeerden weg zijn opgegaan, daar ben ik zeker van. Alleen haar

hartstochtelijke belangstelling in de studie, en haar kinderachtig

plezier om boven al de studenten uit te blinken heeft haar een tijd

lang tegen zich zelf beschermt. Zoolang ze intens opging in haar werk,

sliep het zinnelijke in haar, dat heeft ze me dikwijls gezegd. Zij was

bijzonder knap, de professoren, zelfs de conservatiefsten hadden

plezier in haar en de jonge lui waren bepaald onder den indruk van de

vlugheid en ’t gemak waarmee ze haar twee eerste examens had gedaan.

Toen kwam op een dag een Spaansche violist op een concert spelen, een

jonge man nog, met het gewone zuidelijke virtuosentype, donkere oogen

en lange genieharen en toen .... enfin, ’n paar dagen daarna hoorde men

dat het meisje verdwenen was en dat ze te Brussel en later te Londen in

zijn gezelschap gezien was, en jaren daarna heb ik eens gehoord dat

zij, natuurlijk door dien man verlaten, in de grootste ellende moreel

en physiek, in Parijs in een hospitaal is gestorven. En nou zul je wel

zeggen dat het een ouwe geschiedenis is en dat te allen tijde meisjes

van allerlei stand en aanleg zich hebben weggeworpen, maar als je het

schandaal aan de academie had bijgewoond zou je gezien hebben dat

daaraan op dat oogenblik niemand scheen te denken, en dat ook niemand

zich scheen af te vragen of ook de immoraliteit van haar geboorte, dus

haar vader de causa remota van haar lichtzinnigheid kon zijn. Het was

de studeerende vrouw, die in haar werd gegeeseld, het was de

emancipatie die de schuld van alles kreeg! Wil je wel gelooven Frank,

dat in die dagen, een professor, die altijd heel voorkomend was

geweest, mij zoo onbeschaamd behandelde alsof ik zelf het weggeloopen

meisje was? En onder de studenten, die tot dus ver volkomen correct

waren geweest, waren er toen, die in mijn tegenwoordigheid aardigheden

begonnen te vertellen, waar ik nog van walg, als ik er aan denk! De

aureool van de vrouw-student was vernietigd door dat ééne wilde kind en

het heeft wel een half jaar geduurd vóór ik m’n prestige geheel terug

had. Kun je niet begrijpen dat ik me zelf toen heilig beloofd heb om

anderen door mijn schuld nooit aan te doen wat ik toen heb doorstaan!

Een paar nichtjes van me, waarvan de eene in de theologie, de andere in

de pharmacie zouen studeeren, kregen na dat geval geen permissie van

haar vader meer, met dat gevolg dat eene van haar aan ’n treurige

zenuwziekte is weggekwijnd na een jaar of drie voortgesleept te zijn in

het gewone leven van haakwerkjesknutselen, suikerpotjesvullen,

visitetjesloopen, romannetjeslezen, stofjesafnemen van een hoogst

fatsoenlijke jonge dame. O! Frank, er zijn oogenblikken waarin ik alle

vrouwen zou willen toeroepen met een stem zoo geweldig dat het tot in

haar binnenste doordrong: In deze overgangstijden, waarin de vrouw nog

haar goed recht te bewijzen en te veroveren heeft om niet meer volgens

een conventioneel plan, maar in vrijheid haar eigen leven te leven,

laat toch allen, die de kracht in zich voelen baanbreeksters te zijn,

haar naam smetteloos bewaren en zelfs den schijn van het kwade

vermijden! Laat haar licht zijn als een baak, waarop andere zwakkeren

zich in vertrouwen kunnen richten! Haar verantwoordelijkheid is

vertienvoudigd sinds de groote massa naar elk harer daden niet haar

alleen, maar haar principes en haar streven zal veroordeelen! Begrijp

je nou waarom ik niet met je mee mag gaan?”

Maar Frank antwoordde niet en bleef gejaagd op en neer loopen. Een

oogenblik was het doodstil, en het zware getik van de pendule drong in

haar hoofd, pijnlijk enerveerend, als het geklop van een groot

menschenhart.

Suf zat Corona er even naar te luisteren, zonder ander bewustzijn dan

een vagen wensch, om de pendule te laten stilhouden, maar ze verroerde

zich niet en volgde met starende oogen, de altijd heen en weer gaande

gestalte. Eindelijk in wild aangroeiend verlangen om toch iets van hem

te hooren, begon ze weer zachtjes te spreken:

„Toe, Frank, waarom zeg je niets! Zie je niet dat ik gelijk heb! ....

O! als ik met je mee ging, zou het geluk wel heel groot zijn! Heel

groot!”—en alsof haar lippen het heerlijk vonden even van dat geluk te

mogen spreken, herhaalden ze nog een paar maal: „Heel groot!”—„Maar hoe

lang zou het duren? Een half, misschien ’n heel jaar, misschien twee,

zoûen we ons hier of daar kunnen begraven en dan? .... dan zouên we

beiden, in de volle kracht van ons leven, gewend om te werken, terug

verlangen naar een breederen levenskring. Genieten alleen kan ’n

menschenleven niet lang vullen! We zouden terug verlangen naar strijd

en werk en dan .... O! Frank het is afschuwelijk zoo verstandig te

zitten praten als je zoo heel anders voelt, maar ik heb mij deze dingen

zoo dikwijls met alle kracht voorgehouden, omdat ik wist dat dit uur

van beslissing eens komen moest! En zie je, als we dan in de

maatschappij terug keerden, wat zou dan onze positie zijn? ....

Iedereen zou op ons neerzien .... en je kindje, Frank .... ik zou het

niet kunnen verdragen, dat je kindje de vrouw verachtte, die jouw

liefde bezat.”

„Dat zou ze niet!” riep hij heftig. „We zouden haar samen opvoeden,

Cora, we zouden haar leeren naar ’n hooger moraal te oordeelen, dan

naar die van ’n verouderd menschenwetboekje? Mijn God! Gebonden te zijn

aan die men niet, en gescheiden te zijn van die men wèl liefheeft! en

dat zedelijkheid te noemen! Weet je waar die wettelijke huwelijksdwang

op lijkt? Op die rotte huizen in de achterbuurten, die door stutten

zoowat bijeen worden gehouden! Alsof dat nog ooit gezonde vroolijke

woningen konden worden!”

Maar toen op eens voor haar staan blijvend, greep hij haar handje, dat

op tafel zenuwachtig met ’n vouwbeen lag te spelen, en zeide, schor met

een vreemde stem: „Dus ik heb het goed van je verstaan, Corona, je

weigert bij me te komen, tenzij dat gevloekte contract is verbroken en

ik je mijn wettige vrouw kan maken? Goed, het zal gebeuren, zooals je

wilt! Heel best, maar dan moet ik haar dwingen, de ellendige, die

tusschen ons staat, en ik zal haar mishandelen, slaan zal ik haar, als

het moet, tot ze op haàr beurt, me om scheiding komt smeeken. Dan

kunnen we met wederzijdsch goedvinden ’n comedietje van overspel of zoo

iets opvoeren,—in de rechtzaal nemen ze ’t zoo nauw niet met de

waarheid—en dan .... mooi zoo, eerst ’n correcte divorce en daarna ’n

correct huwelijk! Dan is de wereld tevreden, ben jij het dan ook,

liefste?”

Corona zag angstig tot hem op. Zijn gezicht was vlak boven het hare,

vol wreede passies van nameloos wee, dat met zich zelve spot. Zij

trachtte haar hand los te maken, maar hij greep ook de andere, vlak om

de polsen en drukte ze alsof hij ze verbrijzelen wilde.

„Frank, zeg toch zulke dingen niet! Was dat niet juist het heerlijke in

onze liefde, dat als we thuis kwamen, moe en ziek van al het wreede,

lage, booze dat in de wereld is, we toch zeker wisten, dat er ergens op

die wereld een mensch leefde, die in groote liefde aan ons dacht en in

wien we gelooven konden met een vroom hoog opzien! Je weet niet hoe

dikwijls me de gedachte getroost heeft, dat je groot en sterk waart!

Als ik wist dat je die vrouw mishandelde zou ik rampzaliger zijn dan ik

nog ooit geweest ben! Maar je meent het niet, je bent er niet toe in

staat.”

„Misschien niet! Maar wat wil je dan toch in Godsnaam! Moeten we er ons

maar kalmpjes bij neerleggen en ons prachtige geluk zoo lamlendig

opgeven?”

„O! Frank!” riep ze in een korten, tranenloozen snik. „Je maakt het me

zoo zwaar! Ja, we moeten geduld hebben. Die vrouw zal toch wel ééns

toegeven. Daar kunnen allerlei omstandigheden komen,.... ik weet

niet,.... je moet blijven aandringen, ze kan toch onmogelijk haar

weigeren volhoûen....”

„Waarom niet? Ze kan ons geduld immers nog jarenlang tergen. En ik wil

geen geduld meer hebben! Zie je dan niet dat het me krankzinnig maakt

als ik zoo voort moet leven? O! je hebt misschien groot gelijk dat je

weggaan valsch zou worden uitgelegd en dat het daardoor aan een boel

vrouwen kwaad zou doen! Maar als je mij liefhadt zou je niet om al die

vreemden geven. Wat kan haar ellende in vergelijking met de onze zijn?

Cora, zoolang je je liefde niet boven dat alles stelt, geloof ik dat ze

een leugen is.”

Zij kromp ineen, met een stijve beweging harer armen hem afwerend, toen

hij hartstochtelijk zich over haar heen boog. Het was het groote

gevaarlijke woord, dat sinds eeuwen vrouwen zwak heeft gemaakt. Want de

vrouw die liefheeft kan beter alles verdragen, dan dat er getwijfeld

wordt aan wat zij op dat oogenblik het sterkst, het heiligst in zich

voelt. Op eens ging er brandende koortstgloed door haar lichaam, een

krankzinnig verlangen om hem te toonen, dat zij hem wèl lief had:

„Frank!....”

Maar toen in eens, in een krampachtig samentrekken van haar wil, in het

besef dat het uiterste moment dààr was en zwakheid niet zijn mocht,

zeide ze met een vreemde stem, snijdend van ironie:

„Dat is een theaterphrase, Frank, waar de premier amoureux gewoon is de

jeune première mee te vangen. Als je werkelijk aan mijn liefde

twijfelt, ga dan maar weg.”

In een oogwenk lag hij geknield voor haar neer, haar handen bedekkend

met kussen:

„Vergeef me, Cora! Maar het is zoo vreeselijk geen uitweg te vinden!”

„Vaarwel!” zeide zij zacht, nog bleeker wordend, terwijl zij langzaam

opstond.

Verder spraken zij niet meer. Hij had haar in zijn armen genomen, en

zij met een reine beweging van overgave had haar hoofdje tegen zijn

borst gelegd, en een oogenblik schreiden zij zoo samen. Nog nooit als

bij deze eerste omarming hadden zij zoo fel het peillooze wee van hun

verlangen en eenzaam-zijn gevoeld en toch was er weelde in dit zwaar

lijden samen. Toen nam hij haar hoofd voorzichtig tusschen zijn beide

handen en kuste even het koude voorhoofd en was weggegaan vóór zij het

vermoedde.

Den volgenden morgen al vroeg stond Marguérite van Arkel voor Corona’s

bed.

„Wat is er Maggy? O! wee, heb ik me verslapen? Hoe laat is het al?” Zij

schrok wakker, nog half bedwelmd door den zwaren morgenslaap, die volgt

op een nacht van groote uitputting.

„Nee, rustig maar kindje, ’t is pas zes uur, en Marijken wou je juist

gaan roepen. Maar ik kwam even naar je kijken. Ik heb vannacht zoo

ontzettend met je mee geleden! Hoe is het gegaan Cora mia?”

Corona richtte zich half overeind, steunend op haar elleboog, en zag op

tot Marguérite, de dof vermoeide oogen vol leedschaduwen. Toen zeide ze

met vaag klanklooze stem als of ze met haar gedachten ver weg was: „Hoe

het gegaan is, Maggy? Slecht, heel slecht, Maggy, heel slecht!”

„Hoe bedoel je dat?” zeide Marguérite angstig.

„Het kon niet anders, het beslissende oogenblik was gekomen en we

hebben een rampzalige explicatie gehad. Hij wou me mee nemen, en

niettegenstaande alle conventies gelukkig zijn, en hij had gelijk! en

ik wou niet met hem mee gaan en iedereen teleurstellen, en ik had ook

gelijk! En van de twee heb ik helaas getriomfeerd?”

„Goddank!” zeide Marguérite.

Corona liet zich weer achterover vallen in bed in een beweging van

moedeloosheid en bitter vroeg zij:

„Och, waarom? Niemand is onmisbaar!”

„Cora! Schaam je je niet! Jij hebt me zelf de les vol raadsels

ingeprent, dat niemand onmisbaar is en dat toch ieder een zware

verantwoordelijkheid is opgelegd. Heb je me niet dikwijls gezegd hoe je

geloofde dat ieder van ons bewust of onbewust een partij in ’t groote

wereldconcert heeft te vervullen, al was het ook maar eén enkele

vioolstreek of paukenslag en dat ieder, die iets begrepen heeft van die

taak van medespeler in het wonderbare geheel, en eerlijk zijn

gewetensdrang volgt, die partij ook op zich zal nemen al zou het hem

alles kosten!”

Een moe glimlachje schemerde even over Corona’s gezicht. Het was haar

een vreemde satisfactie, Frank’s argument van gisterenavond nu zelf te

gebruiken en weerlegd te worden met bijna haar eigen woorden. Toen

zuchtte zij lang:

„Ik wou dat ik vandaag maar in bed kon blijven! Zoo den heelen dag,

zonder denken, zonder bewust zijn, als of ik dood was. Het is alles zoo

afgrijselijk! Toe laat me maar liggen, Maggy!”

Marguérite kende die oogenblikken, waarin het leven zoo zwaar is, dat

het ons toeschijnt als of het boven onze krachten gaat om voor een

nieuwen dag den smartelijken last weer op te nemen. Zij zette zich neer

op den rand van het bed en streelde Corona’s hand.

„Liefste, hoe onverstandig van je! in bed te willen blijven, jij nog

wel, die honderden door werken getroost en genezen hebt! Je hebt me

verleden immers nog à propos van Mientje van Herkelens gezegd hoe het

ongeluk voor zooveel vrouwen juist daarin ligt, dat zij al den tijd

hebben om zich in haar leed te koesteren als ’t ware, en te verdiepen,

te verdiepen, tot ze er in weg zinken en nooit meer naar de oppervlakte

kunnen stijgen! Ik ben heel blij dat je vanmorgen plichten heb, die je

wachten, en zieken die je genezen moet en een massa menschen waar je

voor denken en handelen en leven moet!” Corona antwoordde niet, maar

begon langzaam op te staan en zich te kleeden.

Hilda van Suylenburg · 第 11 / 35 段