Hilda schrok een beetje van den beroemden naam.

„Wat bedoel je? zal die vanavond bij Corona lezen? die acteur? Maar dan

ga ik niet binnen. Ik ben niet gevraagd, ik kwam zoo maar, en het zou

indiscreet zijn .....”

„Ik weet zeker dat Cora blij zal zijn je te zien, kom, ga maar gerust

mee. Soeterwolde is een groot vriend van Corona, en ze zal het heel

prettig vinden dat je hem ook hoort. Heb je hem ooit zien spelen?”

„Ja,” zeide Hilda, en haar enthousiasme overwon het aarzelen van

bescheidenheid. „Het is de grootste speler van onzen tijd. In Parijs

heb ik hem gezien, het is heerlijk!” En opgewonden volgde ze Marguérite

naar de studeerkamer.

In plaats van een paar stille uurtjes met Corona, vol van dat

psychologisch bespiegelen, wat denkende vrouwen zoo lief is, wanneer

zij vertrouwelijk te zamen zijn, zou ze dus nu in eens dien grooten

kunstenaar terug zien! Als Corona haar nu maar niet indiscreet vond!

Maar dokter Van Oven’s welkom getuigde genoeg van het tegendeel. Er was

den laatsten tijd een groote vriendschap tusschen haar ontbloeid.

„Waarom heb je toch zoo gelachen, Cora?” vroeg Marguérite, toen zij

allen gezeten waren. „Straks op de gang, toen we onze hoeden afzetten,

hoorden we je schaterlachen, is het niet Hilda?”

Corona lachte weer en het verwonderde Hilda, hoe jong zij er uitzag

dien avond.

„Mijnheer van Soeterwolde vertelde me van ’n bezoek, dat hij vanmorgen

gemaakt heeft bij zijn tante, mevrouw van Remstra, je weet wel, die

vrome douairière in de Nassaulaan, en hoe ze hem eerst uit de hoogte

heeft ontvangen en hem toen zalvend over de zonden van zijn carrière

heeft onderhouden.”

„En natuurlijk,” voegde Frank er bij, „was ze nooit in haar leven in de

comedie geweest en had zelfs geen flauw besef dat er ook op het tooneel

verschillende geestesrichtingen zijn, die elkander beoorlogen. Van

symbolisme en naturalisme had zij natuurlijk nooit gehoord, of van het

Theatre Libre, of L’Oeuvre, of van ons troepje, Le Petit Theatre Vrai;

misschien gelooft ze niet eens dat er verschil bestaat tusschen een

vaudeville en een drama van Shakespeare. Maar voor sommige vromen

schijnt het ’n geloofsartikel te zijn, om het tooneel voor zondig te

houden.”

„En toch zijn juist op het tooneel altijd de nobelste gedachten

uitgesproken,” zeide Hilda levendig. „Als men denkt aan Sophocles, en

de andere klassieken, of aan Corneille, Racine, Shakespeare, Lessing,

Molière, Vondel, Ibsen, Maeterlinck, Goethe, Wagner, zou dat allemaal

zonde zijn?”

Allen lachten. Het klonk grappig naïef, die combinatie van „allemaal

zonde” en de opsomming, enthousiast in éen adem, dier groote

dichternamen.

„Het is de eeuwig oude geschiedenis,” zeide Marguérite peinzend, „van

de holle phrases, die men elkaar maar na zegt. Menschen die nooit over

sociale toestanden hebben nagedacht, er nooit één fatsoenlijk werk over

gelezen hebben, hoort men aan alle kanten zeggen: het volk is nog niet

rijp voor meer rechten, armoe is eenmaal noodzakelijk, socialisten zijn

allemaal boeven enz.; menschen die nooit één seconde waarachtig hebben

geworsteld om een eerlijke geloofsovertuiging hoor je zeggen:

godsdienst is allemaal larie, daar is geen God en geen mysterie;

menschen voor wie de vrouwenzaak nooit een ernstige vraag is geweest,

niets dan een bespottelijke grap, kun je deftig hooren vertellen wat

precies vrouwelijk, en wat het niet is, en juist, die soort zijn het

knapste om te weten wat „de vrouw” eigenlijk voor een wezen is. En zoo

is het zeker ook met het tooneel. Die nooit in een schouwburg zijn

geweest, weten natuurlijk het best hoe zondig het daar is.”

„Het is een oude paradox, die mijn vader en ik eens in een grieksch

boekje hebben gevonden,” lachte Hilda: „Alleen absolute onwetendheid

kan met zekerheid een oordeel vellen.”

Frank had zwijgend geluisterd met een lach, maar op eens kwam er

hartstochtelijke ernst over zijn gezicht.

„Het tooneel is dikwijls geweest, en moest het altijd zijn, de plaats

waar men in artistieken en levenden vorm de groote levensvragen kon

zien behandelen, waar men ze objectief kon komen beoordeelen, omdat,

wanneer de dichter en de acteur beiden iets beteekenen, men tegenover

hun spel staat, als tegenover een realiteit die men meeleeft, waarin

men mee voelt, maar zonder dien persoonlijken, verblindenden

hartstocht, die ons gewoonlijk verhindert om koel na te denken, wanneer

wij de drama’s om ons heen in onze eigen omgeving zich zien afspelen.

Het tooneel moest zijn een hoogeschool van wijsbegeerte, waar de groote

problemen worden behandeld in schertsenden of in ernstigen vorm, al

naar het genie van den schrijver. Het moest zijn een hoogeschool van

zeden, van schoonheid, van nieuwe gedachten en van de altijd zich

vernieuwenden vormen, die de oude waarheden in den evolutiegang der

tijden aannemen.”

En toen ineens direct tot Corona gewend, ging hij voort:

„O! Cora, zie je, ik wou dat je madame Tachilde leerde kennen. Mijn

troepje is nog jong en heeft dus allerlei jeugdgebreken, maar we

streven ernstig naar dat ideaal, en je weet niet wat ze daarbij een

steun voor me is. Met haar prachtig talent en strenge eischen en haar

voorbeeldig gedrag, zal ze eenmaal een macht zijn in de artistieke

wereld van Frankrijk. Als wij het nou nog maar een paar jaar kunnen

volhoûen finantieel, dan hoû ik het er voor, dat we ons een vast

kringetje van artistiek, fijn, waar denkend publiek hebben veroverd van

waaruit zich ook een betere smaak bij de groote massa zal ontwikkelen!

Het is misselijk tegenwoordig, die idiote stukken die men geeft, of nog

erger, die successtukken, waarin de acteurs en vooral de actrices zich

eigenlijk verlagen tot, ja, wel wat rijker gekleede en deftiger

sprekende, maar daarom toch niet minder café chantantmenschen. Maar dat

die prulstukken zoo’n opgang maken, is juist voor ’n deel de schuld van

de ernstigen en beschaafden onder het publiek. Als die in grooten

getale opkwamen zoodra er een goed stuk gegeven werd en wegbleven bij

de slechte dingen, zouden de theater-directies, voor wie het alleen een

geldkwestie is, wel voor betere stukken gaan zorgen.”

„Heeft u dat allemaal tegen mevrouw van Remstra gezegd?” vroeg Hilda

vroolijk.

„Nee, ik geloof niet dat ze me met veel belangstelling zou hebben

aangehoord. Ze is nou eenmaal overtuigd dat alle artiesten goddelooze

onzedelijke menschen zijn.”

„En de heeren en dames uit de groote wereld dan, die zij aan haar tafel

ontvangt? Zeker allemaal incarnaties van deugd?” lachte Marguérite.

Frank van Soeterwolde had geen nieuwe lectuur meegebracht. Alles wat er

merkwaardigs uitkwam en hem passioneerde, stuurde hij aan Corona en zij

bespraken het in hun brieven. Wat hij nu bij zich had, was, behalve

enkele verzen van een jong onbekend dichter die hem interesseerde,

Richard Wagner’s: Jesus von Nasareth, de onafgewerkte schets van een

drama, dat nooit voltooid werd, omdat de schrijver zich ten slotte niet

machtig genoeg voelde, om de hoogheid van zulk een onderwerp te

beheerschen.

Niettegenstaande Frank zich de laatste jaren, eerst aan het Parijsche

conservatoire, later als acteur aan het Odéon, en nu aan het hoofd van

zijn eigen troepje, uitsluitend verdiept had in Fransche taal en

Fransche werken, las hij uitstekend Duitsch. Zwijgend zaten de drie

jonge vrouwen om hem heen, in spanning hem volgend door dit labyrinth

van hooge gedachten.

Eerst kwam de schets der handeling, zooals die zich zou hebben moeten

ontwikkelen, toen meer uitgewerkte fragmenten, teksten en verklaringen.

Corona, in machteloos week voelen, leunde achter in haar stoel. De

opgewonden vroolijkheid, die Hilda straks had verbaasd, was

weggegleden; in de drukke conversatie was het zoo veel makkelijker de

emotie tot zwijgen te brengen, dan nu onder het stille luisteren. Zij

dwong zich te verstaan, maar soms hoorde ze minuten lang niets dan de

klank van zijn stem en voelde alleen het weëe bewustzijn, dat hij

morgen weer weg zou zijn, dat zij beiden weer de ontzettende

eenzaamheid in moesten.

Op eens echter werd ze gewaarschuwd om scherper op te letten; er was

een verandering in Frank’s rustig voorlezen gekomen, in zijn stem klonk

ontroering. Hij las nu de woorden over huwelijkswet en liefde, en

zichtbaar greep het hem aan.

„Das Gebot sagt: du sollst nicht ehebrechen! Ich (Jesus Christus) aber

sage euch: Ihr sollt nicht freien ohne Liebe. Eine Ehe ohne Liebe ist

gebrochen, als sie geschlossen ward, und wer freite ohne Liebe, der

brach die Ehe. So ihr mein Gebot befolgt, wie könnet ihr es je brechen?

da es euch das gebietet zu thun, wonach sich euer Herz und Seele

sehnen? Wo ihr aber freiet ohne Liebe, so bindet ihr euch wider Gottes

Gebot, und indem ihr die Ehe schliesset, sündigt ihr wider Gott.” [2]

Frank legde het boek neer, en bleef er even in bladeren, toen tot

Marguérite gewend—naar Corona’s kant durfde hij zelfs niet kijken op

dit oogenblik:

„Goed, vindt u niet? Een huwelijk zonder liefde echtbreuk te noemen! En

wat een ellendige idees hebben de meeste menschen toch nog over die

dingen! Aan alle kanten zie je dagelijksch huwelijken sluiten om geld

en positie en relaties en protectie en uit angst om ongetrouwd te

blijven en uit gemakzucht, en onwetendheid, en verveling van het

kamerleven, en dépit, en door pressie van familieleden enz. enz. en

zulke paren, wier verbintenis „tegen Gods gebod” is, omdat zij tegen de

liefde zondigt, worden door de wet voor onscheidbaar verklaard! Is het

geen schande?”

„Weet je hoe men dat makkelijk zou kunnen verklaren?” zeide Marguérite

glimlachend. „Ik geloof dat er onder de zoogenaamde Christenen heel wat

meer afgodendienaars zijn dan men denkt, en zij, die geld, aanzien,

gemak, en al die dingen meer, tot hun godheid hebben gemaakt, kunnen

dan logisch, zich houdend aan het ouwe Bijbelwoord: „Wat God vereenigd

heeft zal de mensch niet scheiden,” verklaren dat zulke huwelijken niet

gescheiden mogen worden, want .... hun (af)god heeft ze verbonden!”

Frank glimlachte even met een verren peinzenden blik, toen zeide hij

zacht:

„Het is een mooi woord: Wat God vereenigd heeft, mag de mensch niet

scheiden! Maar gewoonlijk wordt het zoo heel verdraaid opgevat.

Allerlei verbintenissen, ook die door de laagste drijfveeren zijn

gesloten, zoodra zij maar in den burgerlijken stand zijn ingeschreven,

worden als heilig en daardoor als onverbreekbaar beschouwd en

daarentegen zie je dagelijksch dat gemis aan fortuin, ongelijkheid van

stand, verschil van godsdienst en nationaliteit velen scheiden, die

werkelijk goddelijk verbonden zijn, d.i. door de Liefde, want wat

anders is God dan hoogste liefde macht?” En toen op eens met al den

hartstocht van persoonlijk lijden ging hij voort—: „Voor mij bestaan er

maar twee soorten van huwelijken: die uit God en die uit den Satan, om

het oude kernachtige beeld te gebruiken. Voor het goddelijke huwelijk,

dat uit liefde, hoeft men geen bindende wetten te maken. Wat zich in

waarachtige liefde heeft vereenigd, wil één blijven, de mensch mag het

niet scheiden en kan het niet scheiden, omdat die band door het samen

deelen en strijden, het elkaar aanvullen, het samen dragen van de

verantwoordelijkheid der toekomst, dat is: de kinderen, hoe langer hoe

vaster worden moet. Het andere is het satanische huwelijk van

niet-liefde, en elke wet die deze immoreele verhouding sanctionneert en

verhindert dat er een einde aan komt, is slecht, is onzedelijk!”

„Dus u bent een apostel van de Vrije Liefde?” vroeg Hilda, in een naïef

zich nieuwsgierig voelen naar iemand die in vollen ernst idees durfde

verkondigen, welke men in haar kring voor zoo hoogst gevaarlijk

verklaarde. Wèl gingen er in het salongefluister heel wat verhalen rond

van vreemde vrijheden die men zich permitteerde, maar deze werden

blijkbaar officieel niet gevaarlijk gevonden, omdat zij heimelijk

werden gepleegd en onder leugen en bedrog.

Frank haalde even de schouders op:

„Vrije liefde? Och nee, waarom? Waarom zou een jong paar, dat in ernst

besloten is het leven samen door te gaan, samen de verantwoordelijkheid

op zich te nemen voor het gezin dat uit hun liefde kan voortkomen—en

over menschen die met andere plannen trouwen spreken wij nu niet,

nietwaar? dat is maar ’n vermomd soort van prostitutie—waarom zou zoo’n

paar niet op den dag van zijn vereeniging naar een aangewezen gebouw

gaan, en zijn handteekening zetten? Er is iets aardigs in, dat het

daardoor aan de geheele wereld bekent, voortaan samen te willen zijn,

één, en ofschoon ik niet inzie waarom het juist altijd de vrouw zou

moeten zijn die haar naam opgeeft, als symbool is het wel lief dat één

der partijen zijn naam verliest en men voortaan samen slechts onder één

vlag tegenover de buitenwereld optreedt. Het teekenen op het stadhuis

is een maatregel van orde, die goed is en noodig, in een maatschappij

als de onze, getuige de ellendige verwarringen in die landen, waar de

burgerlijke stand nog niet is ingevoerd. Maar dit teekenen te maken tot

een keten, die onder alle levenswisselingen en omstandigheden

onverbreekbaar is, dat is het, waartegen wij met alle kracht moeten

protesteeren!”

„Ik ben het heelemaal met je eens!” zeide Marguérite warm.

„Administratief kan de inschrijving in den burgerlijken stand zeker een

nuttige maatregel zijn! Alles wordt immers in de natuur, naar vaste

wetten en in groote orde geregeerd, en het is een van de sterkste

neigingen, ook van ons menschen, om onze handelingen, onze verhouding

tot anderen aan vaste regelen te willen binden. Overal hebben we ons

zelf rythen en verordeningen geschapen, en zoo zal het altijd blijven.

Als de oude wetten zullen zijn te niet gedaan, zullen er nieuwe komen,

altijd en altijd weer. Trouwens zoo als nu ook de toestanden nog zijn

in onze maatschappij, vind ik het vrije huwelijk heel verkeerd om de

kinderen die er uit kunnen geboren worden. De wereld is nog wreed voor

het onwettige kind! We kunnen het betreuren, ontkennen kunnen wij het

niet. En nu is het heel goed voor twee menschen om in enthousiasme,

sterk door het gevoel van wederzijdsche liefde, zich voor een idee ten

offer te brengen, en vrijwillig de wereldschande te trotseeren, maar

wie zal zeggen of het kind, dat uit die liefde voortkomt, willig en

krachtig genoeg zal zijn om blijmoedig den zwaren last te aanvaarden,

die men bij de geboorte heeft neergelegd op zijn teere schoudertjes?

Iets heel anders is het echter om van zoo’n huwelijksakte een

levenslang drukkenden band te maken! Dat is ontegenzeggelijk ellendig!”

Somber peinzend staarde ze een oogenblik voor zich heen. Het beeld van

een jeugdvriendin rees voor haar op, die kort geleden getrouwd was,

onder den dubbelen drang van armoede en van het drijven eener

gebrekkige moeder, die haar onophoudelijk het huwelijk als eenige

uitkomst had voorgehouden. In wanhoop teerde zij nu weg. Geen berouw,

geen heilige voornemens konden haar meer redden. Levenslang was zij

gebonden aan een man dien zij verachtte. En zoo’n huwelijk, aangegaan

in zwakheid, voortgezet in misdaad, werd door de wet in naam der

zedelijkheid onverbreekbaar verklaard!

„Maar, er zijn toch scheidingswetten!” riep Hilda, toen een vreemd,

drukkend zwijgen was ingetreden.

„Ja zeker,” zeide Frank. „Als het zoo erg is dat het een publiek

schandaal is geworden, bij bewezen echtbreuk, en bij levensgevaarlijke

mishandelingen, kan men scheiden, of als een van de partijen heel lang

weggaat, met het klaarblijkelijke doel om de andere te verlaten, of als

men het samen eens is, om voor goed uit elkaar te gaan, en men speelt

’n schandaalcomedietje. En daar moeten we heusch al heel dankbaar voor

zijn! Maar zoo’n geval, als ik gisteren bijvoorbeeld weer hoorde van

een advocaat, die ’s avonds uit de sociëteit gewoonlijk half dronken

thuis komt en dan zijn vrouw op alle manieren zulke mishandelingen laat

ondergaan, dat het arme schepsel door angst en verdriet, tweemaal

achtereen een idioot kindje heeft ter wereld gebracht, zulke bagatellen

rekent de wet niet als scheidingsredenen. Leve het onverbreekbare

huwelijk!”

Huiverend van afschuw zat Hilda een oogenblik stil, toen zeide ze, in

peinzend aarzelen:

„Maar bent u niet bang, mijnheer van Soeterwolde, dat, als de

scheidingswetten makkelijker werden, het in de maatschappij een chaos

zou zijn van scheidende en hertrouwende paren?”

Frank zag haar doordringend aan:

„Gelooft u aan liefde, freule, en aan een gelukkig huwelijk?”

Hilda kleurde even en zacht zeide zij:

„Ja.”

„En wat gelooft u dan dat de goeie huwelijken nou bij elkaar houdt, de

wet of de onderlinge liefde?”

„De liefde natuurlijk!”

„Natuurlijk!” herhaalde Frank. „Menschen die van elkaar hoûen, met of

zonder wet, blijven bijeen!” Hij bladerde even in het boek en las toen

verder: Ein Paar welches sich ohne allen Zwang sich zuwendet, kann dies

nur aus reiner Liebe thun, und diese Liebe kann naturgemäss und sobald

sie nirgends gestört wird, kein Aufhören ihrer Dauer in sich

schliessen, denn sie ist die gegenseitige Ergänzung welche in Mann und

Weib den Quell vollkommener Befriedigung sich erhält, und in der

Fruchtbarkeit, sowie in der den Kindern zufallenden Liebe ihre stete

Bewegung und Erneuerung gewinnt. [3] „En wat betreft degenen, die door

geen andere band meer te zamen worden gehouden dan door een papier van

den burgerlijken stand, deze zedelijk reeds ontbondenen, behoorden het

wettelijk ook te zijn. Bent u dat met mij eens? De chaos die nu

heerscht in de maatschappij van buiten het huwelijk geboren kinderen,

en mannen en vrouwen die elkaar bedriegen, zou dan ophouden. Waarom

bedriegen, nietwaar? als scheiden gemakkelijk is! En trouwens heel wat

huwelijken, voor welke men nu scheiding zou wenschen zouden dan niet

ongelukkig meer worden. Al die kleine dagelijksche zonden, die het

leven vergiftigen: heerschzucht, drift, egoïsme, kwaad humeur,

kibbelzucht, vitzucht, slordigheid, en zoogenaamde zenuwen zouden

bijtijds worden beheerscht, als men wist dat de andere levensgenoot

vrij was om niet langer te verdragen dan hij of zij zelve verkoos! Als

de menschen vrij waren om den huwelijksband af te schudden zoodra het

een knellende keten begon te worden, zouden zij er ook veel eerder

achter komen dat huwelijksgeluk een plantje is dat heel teer en

verstandig moet worden gekweekt.”

„Ja ..... dat is waar!” ..... zeide Hilda langzaam, en toch kwam nog

weer twijfel in haar op: „maar gelooft u toch niet dat er dan veel

vrouwen schandelijk verlaten zullen worden die jaren lang trouw voor

haar huisgezin hebben geleefd en later als zij oud en niet meer

bekoorlijk zijn, voor het eerste beste aardige gezichtje zullen worden

vergeten?”

„O! freule, wat ’n zwarte verdenking tegen den man!” zeide Frank

lachend. „Nee, daar ben ik heusch niet bang voor, want wie zoo laag

staat, dat hij na jaren van gelukkig getrouwd zijn, de moeder van zijn

kinderen voor een aardig gezichtje vergeet, zal dan ook zonder

makkelijke scheidingswetten zijn vrijheid wel weten te nemen, daar zijn

voorbeelden bij duizenden van! En wat dunkt u ontzettender voor een

vrouw, de man, die haar zoo onwaardig is eerlijk van zich te zien

scheiden, of wettelijk aan hem verbonden te blijven, terwijl hij haar

telkens bedriegt?”

„Trouwens,” hernam Marguérite, „hiervan geldt ook wat je straks hebt

gezegd. Als de scheidingswetten makkelijker waren, zou menigeen zich

wel langer bedenken om toe te geven aan een „caprice,” zooals de

elegante wereld het luchtigjes noemt. Er zou heel wat minder met vuur

gespeeld worden als het niet meer was zoo als nu, dat, met ’n beetje

voorzichtigheid in de vormen, de ontrouw rustig zijn gang kan gaan,

zonder dat de beleedigde partij zich los kan maken.”

„Maar de kinderen,” zeide Hilda, „wat moet er met al de kinderen

gebeuren van al die gescheiden paren?”

Frank lachte. „Al die gescheiden paren! Freule? U denkt, geloof ik, dat

ik ze bij millioenen wil laten scheiden. Wat worden er naar verhouding

niet weinig engagementen verbroken, waar men toch volkomen vrij is, en

omdat de ouwe gildewetten niet meer den schoenmaker dwingen bij zijn

schoenen en den smid bij zijn smeedwerk te blijven, ziet men toch niet

dagelijks alle werklui van hun vak veranderen, en alle menschen, die

wonen kunnen waar zij willen, verhuizen toch niet elken maand! Maar

voor de kinderen van waarlijk rampzalige gezinnen, geloof mij, freule,

zal het oneindig beter zijn bij eén van de beide ouders alleen of

desnoods onder vreemden te worden opgevoed, dan hun sterke

jeugdimpressies te ontvangen in zoo’n hel van wederzijdsch elkaar niet

begrijpen, niet verdragen!”

Hilda zweeg, in intense spanning van denken. Zij voelde de waarheid

dier voor haar nieuwe gedachten, en toch zocht ze onrustig naar

tegen-argumenten. Het was het behoudende dat in elke menschennatuur

ligt, dat aarzelend ons vast doet klampen aan den ouden gewonen vorm

der dingen, ook al trekken ons de nieuwe aan, het was het knipoogend

zich omwenden naar de duisternis, ook al is het nieuwe licht ons

welkom.

Toen met een lach, blij omdat zij een oplossing meende gevonden te

hebben, zeide ze:

„Maar zou het niet beter zijn, in plaats van voor betere

scheidingswetten alle krachten in te spannen, om door opvoeding en

lectuur, de menschen zooveel wijzer en hooger te maken, dat zij geen

slechte huwelijken meer aangingen?”

Frank sprong op, driftig:

„Het eeuwige argument der optimistische moralisten! Wel zeker, als de

wereld volmaakt was, hadden we geen divorcewetten noodig! Maar dan ook

evenmin huwelijkswetten, nietwaar? Dan konden we immers het heele

wetboek wel missen? Maar in afwachting van die gouden eeuw, wier komst

juist zoo vertraagd wordt door de millioenen arme schepsels, geboren

uit onzedelijke samenleving, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, wat

te doen?”

Met groote stappen ging hij de kamer op en neer, in een plotselinge

gejaagdheid, die Hilda verlegen maakte, omdat haar woorden die hadden

opgewekt, zonder dat ze begreep waarom.

„Welzeker!” herhaalde hij heftig. „Er moest niet zoo lichtvaardig

getrouwd worden! Maar dat is toch al een heel goedkoop oppervlakkig

antwoord op die duizende angstkreten, die overal opgaan uit ellendige

gezinnen. Wel zeker, genoegelijke idealisten, jullie hebt groot gelijk!

O! het is erbarmelijk te denken hoe groot gelijk jullie hebt! Maar om

niet eens te spreken van de huwelijken uit ambitie of armoede, en al

zulke drijfveeren meer, zoolang er verstandige ouders zijn, of

....”—plotseling stond hij stil voor Corona en zag op haar neer met

oogen donker van hartstocht en pijn—„of zooals in mijn geval,

onverstandige grootouders, en zoolang heel jonge mannen zoo wanhopend

gauw en dom verliefd worden en jonge meisjes zoo erg gauw klaar zijn

met haar „ja,” allemaal categorieën van menschen, dat stem ik volkomen

toe, die in een wijzere wereld niet moesten voorkomen, maar die nog wel

de eerste eeuwen zullen bestaan, zoolang moest de huwelijksband niet

voor het leven bindend zijn! Niet omdat breken goed is,” vervolgde hij

hoe langer hoe heftiger, „maar omdat samenblijven slecht is, als liefde

is heengegaan. Een wet die twee menschen aan elkaar bindt, uit wier

samenzijn het hooge heilige is weggevallen, is immoreel, afgrijselijk

immoreel!”

Hilda huiverde; zij voelde het duizelen van iemand, die lang langs een

afgrond gegaan is, zonder het te weten en plotseling vlak bij zich de

zwarte diepten ontdekt.

Corona’s doodsbleek zwijgen en Soeterwolde’s hartstochtelijke

uitval,.... was daar niet vóór haar een drama van zwaar menschenlijden

gespeeld, terwijl zij kalm wat meende te philosopheeren? Een groot warm

medevoelen steeg in haar op.

„Frank!” zeide Corona, maar met een stem zoo zwak als van een zieke.

„Wil je ons het boek niet uitlezen?”

„Ja zeker!” zeide hij bedaard. Bij den zachten klaagklank van haar stem

was alle opwinding in hem verdwenen. In machtig zelfbeheerschen ging

hij naar zijn plaats terug en las.

Maar geen van allen kon toch meer de vroolijkheid van het begin

terughuichelen en het was Hilda een verlichting toen de knecht werd

aangekondigd om haar te halen.

Hilda van Suylenburg · 第 10 / 35 段