stond. Waarom kwam Marguérite niet es even aan? Als zij maar met iemand
had kunnen praten, zou het wel over zijn gegaan. Zoo heel alleen is
toch treurig! dacht zij, ik moest toch maar met Maggy gaan samen wonen!
Maar in de groote gewoontemacht van haar streng, zelfbeheerscht leven,
ging ze zooals altijd aan het werk en weldra zat ze met alle aandacht
zich verdiepend in een Duitsch medisch geschrift, dat ze zich
voorgenomen had dien avond uit te lezen.
Eindelijk na een doodstil uur van werken, kwam de meid haar storen:
„Dokter, hier is een brief voor u, en de koetsier vraagt, hoe laat ie
vanavond vóór moet zijn?”
Corona nam den brief, en een gevoel van jubelende vreugde doorhuiverde
haar, toen zij de hand herkende. Het waren maar een paar regels:
„Liefste, zooeven ben ik hier aangekomen, kun je me om half negen
wachten?”
Frank.
„Zeg aan Jacob, dat ie onmiddellijk vóór komt, ik ga dadelijk uit
Marijken, en als er soms bezoek voor mij komt in dien tijd, laat dan
wachten, ik ben vroeg terug.”
Toen stond ze weer voor het raam. Warm doortrilde haar de heftig
opgewekte ontroering. Zij zag op haar horloge. Het was bij achten. Als
Jacob wat hard aanreed, en zij ging alleen bij de ernstigste zieken,
kon ze wel ongeveer half negen thuis zijn. „De anderen zal ik vanavond
dan maar laten. Daar is niets geen bezwaar bij,” zeide ze bij zich
zelve, en zij dwong zich, niettegenstaande de opwinding, die telkens
met bedwelmenden gloed in haar opsteeg, nauwkeurig haar notitieboekje
in te zien.
Nooit in het sterke gevoel van haar roeping had zelfs de grootste
emotie haar een oogenblik hare zieken doen vergeten.
Niet minder bewogen dan Corona een half uur geleden het huis verlaten
had, stond thans op haar stoep een jonge man. De slap vilten hoed, de
groote kraagjas, die zijn forsche gestalte in reusachtige plooien
hulde, het gladgeschoren gezicht met de levendige zwarte oogen en het
donker krullende haar, lieten hem bij den eersten aanblik als een
vreemdeling herkennen. Toch werd hij door de oude Marijken, die hem
open deed, als een bekende begroet.
„Dokter is nog niet thuis, mijnheer van Soeterwolde, maar ze dacht wel
vroeg terug te zijn vanavond. Wil u maar naar boven op de studeerkamer
gaan, en even wachten! Wil meneer ook thee hebben?”
In het intense geluksgevoel, dat hem bij het binnenkomen in dit huis
doorstroomde, glimlachte hij haar vroolijk toe, en antwoordde,
nauwelijks wetend wat zij gevraagd had:
„Heel graag Marijken.”
In Corona’s kamer was niets veranderd sinds zijn laatste bezoek, nu
zoowat een jaar geleden. Dezelfde weldadige rust, dezelfde machtige
madonna-verschijning, dezelfde strenge eenvoud, zonder koû of leegheid.
Een groot boeket rozenknopjes stond op haar schrijftafel, een cadeau
dien morgen van een harer patiëntjes, het geopende boek, waar zij
straks in had zitten lezen, lag nog op de tafel en daarnaast een paar
vergeten handschoenen.
De jonge man stond een oogenblik midden in de kamer, in groote
ontroering dit alles beschouwende. Toen ging hij zitten in den armstoel
bij het raam, waar Marguérite van Arkel ook altijd in kwam praten, en
strijdend met het koortsig verlangen, dat hem het wachten bijna
ondragelijk maakte, dwong hij zich stil te blijven, gespannen
luisterend naar elk geluid dat Corona’s komst kon aankondigen.
Frank van Soeterwolde was de eenige zoon van een vrij gefortuneerde en
deftige familie, die van vader op zoon de rechterlijke toga had
gedragen. Ook hij was in zijn jeugd bestemd geweest om in de rechten te
studeeren, maar van zijne moeder, een geestig, artistiek zeer begaafd
Fransch vrouwtje, had hij een hartstocht voor litteratuur en vooral
voor het tooneel geërfd, die hem al vroeg in stilte het besluit had
doen nemen, om zich aan de dramatische kunst te wijden. Groote
moeilijkheden had hij echter te doorworstelen gehad. Zijn vader was het
type dier plichtmatige onkreukbare magistraten, waarop Nederland
terecht trotsch is, maar naast de groote zedelijke deugden van dien
stand, bezat hij er ook al de bekrompen zelfgenoegzaamheid van die zich
uit in antipathie en achterdocht tegen alles wat afwijkt van den
gewonen Hollandsch burgerlijken gang. Het woord kunstenaar was voor hem
niet, zooals het sinds eeuwen aan vele Duitsche en Italiaansche hoven
geklonken heeft, een adelbrief, die zelfs den laagst geborene vrijheid
verleent, om met de grooten des lands als gelijken om te gaan en hem
aanspraak geeft op hunne hulp, voor hem en zijn kring van bekrompen
braafheid en angstvallige fatsoenlijkheids-theorieën stond het gelijk
met een brevet van losse zeden en half wijze daden, en dat zijn zoon
tot deze lage kaste wilde afdalen, was voor hem een ontzettende
ergernis. Jaren lang bleef hij volhouden, Frank zou en moest studeeren.
Droevige jaren waren het, van wederzijdsche verbittering. Frank werkte
niet en droop voor alle examens, hij werd driftig en somber, de
huiselijke omgang werd onmogelijk. Van alle voorkomende gelegenheden,
maakte zijn vader gebruik, om hatelijkheden tegen artisten en tegen het
tooneel te zeggen, hetgeen natuurlijk alleen tengevolge had, dat Frank
ijveriger dan ooit argumenten zocht om hem te weerleggen, en steeds
meer overtuigd werd, dat hij zijn roeping volgen moest. Het eenige wat
hem in die tijden voor de eene of andere booze daad van vertwijfeling
behoedde, was de begrijpende liefde zijner moeder en de uurtjes met
haar na het eten, wanneer zijn vader uit was, en hij verzen voor haar
reciteerde of drama’s met haar las. Dit waren uren van onzegbaar genot
voor hem. Oppervlakkig schenen zij niets dan een uitspanning, maar
inderdaad waren zij de eenige, waarin hij met bezielde inspanning
werkte. Dan namen zij dikwijls ieder een exemplaar van het een of ander
drama vóór zich en lazen hardop de groote dialogen, beiden geheel in
hun rol verdiept, tot zij eindelijk de woorden van buiten kennend, de
boeken wegwierpen en de scène werkelijk acteerend afspeelden.
Zoo had op een avond mijnheer van Soeterwolde hen gevonden. Zij
speelden toen de laatste acte van de Hernani en bij het binnenkomen
klonken hem reeds de liefdesklachten der stervende jonggehuwden tegen:
O! béni soit le ciel qui m’a fait une vie
D’abîmes entourée et de spectres suivie,
Mais qui permet que, las d’un si rude chemin
Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main!
„God-sta-me-bij!” zeide hij donderend met een ruwen vloek. „Nou weet ik
waar die jongen zijn ellendige nonsens vandaan haalt. Maar ga je gang
maar mevrouw, we zullen zien wie de sterkste is.”
Het stervende paartje sprong op, schokschrikkend, en Frank heel bleek,
de oogen brutaal vlammend, stond vlak voor zijn vader:
„Papa, u hoeft niet boos op mama te zijn. Als ik nog niet lang uit dit
huis ben weggeloopen, is het alleen om haar. Waarom mag zij me niet dit
ééne uurtje na het eten gelukkig maken, als u dan absoluut wilt dat ik
mijn heele verdere leven ongelukkig zal zijn!”
Maar met opgeheven arm stond zijn vader en wees hem de deur, en Frank,
sidderend van woede, in machteloos verlangen om zijn moeder te
beschermen, had de kamer moeten verlaten. Toen, met het hoofd tegen de
deur gedrongen, had hij staan luisteren in zulk een razernij van
opstand, dat hij tot alles in staat zou zijn geweest wanneer een enkel
geluid in de kamer hem had gewaarschuwd, dat zijn moeder in drift
mishandeld werd.
Maar geen klacht werd gehoord, en in pijnigende angst, de hand aan de
kruk om binnen te vliegen, de slapen bonzend, de gehoorzenuwen tot het
uiterste geprikkeld, om elken klank op te vangen, trachtte hij zich
voor te stellen, wat daar achter die deur voorviel. Zou zijn moeder,
het tengere vrouwtje, nu bleek en sidderend bij de tafel staan? Of zou
ze stil op de canape liggen, het hoofd in het oude grijze kussen, om
haar snikken te smooren?
Het was vreeselijk wat zijn vader zeide. Al de ruwe woorden, al de
onrechtvaardigheden, die drift ingeeft, krijschten door de kamer,
uitingen van onbeheerschte woede. Hij meende immers ook verraad in zijn
vrouw ontdekt te hebben, als had zij heimelijk zijn zoon gesterkt in
zijn opstand. Hij kon immers ook niet weten, hoe zij den jongen
voortdurend had gesmeekt den wil van zijn vader te doen, hoe deze
uurtjes van samen lezen en spelen alleen als belooning of aanmoediging
voor ander werk werden toegestaan.
Eindelijk zweeg de toornende stem; toen klonk heel zacht zijn moeders
stem met het lief zangerig uitlandsch accent:
„Louis, ik zal me niet verdedigen, je moest me beter kennen dan om me
te verdenken van tusschen jou en hem zoo’n dubbelzinnige rol te hebben
gespeeld. Maar al heb ik bij hem altijd trouw jouw wenschen
geëerbiedigd, nou zal ik het je eerlijk zeggen, Louis, ik geloof dat je
groote zonde doet met jouw eigenmachtigen wil, tegenover den zieledrang
van het kind te stellen. Het is slecht, Louis, de ingeboren roeping van
een kind aan familietradities of zulke dingen op te offeren.”
„Praatjes, we zullen eens zien of we die ingeboren roeping er niet uit
zullen krijgen.” Het klonk dreigend, schor, als van nieuw opstijgende
drift.
„O! Louis,” zeide de zachte stem weer. „Waarom wil je niet toegeven? Je
hebt het nou lang genoeg geprobeerd, en je ziet immers dat je niets
vordert. En wat is er toch tegen het tooneel dan wat vooroordeel?
Artiesten zijn slecht van zeden, zegt men, maar ik moet altijd lachen,
als ik de menschen over zedeloosheid aan het tooneel hoor spreken. Kijk
es naar de academies, geloof je, dat studentjes en advocaatjes, en
ingenieurs, en officieren in deugd zooveel hooger staan dan acteurs?
Wie uit braafheid neerziet op tooneelspelers is een huichelaar, of
heeft al een heel naïef optimisme over de zedelijkheid van de menschen
van zijn eigen kring.”
Frank luisterde angstig. Hoe kon zij de moed hebben om zoo tot dien
driftigen man te spreken? Maar het bleef even doodstil, toen ging ze
weer voort met vaster stemklank:
„En wat betreft aanzien en fortuin, als Frank een groot tooneelspeler
wordt, zal hij gauw vrij wat rijker en aanzienlijker zijn, dan de
meeste van die advocaatjes, die hier rondloopen, maar naar een baantje
hunkerend, en op hun dertigste jaar nog niet eens in staat zijn om zich
te bedruipen. Of het leven van een kunstenaar glorieus of armzalig zal
zijn, hangt er ten slotte heelemaal van af, of hij waarachtig talent
heeft, en Louis, heb je straks niet gehoord, hoe hij zei:
Mais qui permet que, las d’un si rude chemin,
Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main.
Als een kind van zijn jaren dat zóó zeggen kan, is er in hem een groot
kunstenaar.”
Verder had Frank niet gehoord. Naar boven was hij gegaan, naar zijn
kamertje, in een hartstochtelijk jubelen van heel zijn ziel. „Een groot
kunstenaar,” had zijn moeder gezegd, en haar woorden hadden hem tot
kunstenaar gewijd. Een blij zelfvertrouwen in eigen gave hadden zij
plotseling in hem gewekt, dat heerlijk gelooven in eigen kracht, dat
zoo ver staat van pedanterie, en waaruit alleen elk groot willen en
kunnen geboren wordt.
Twee maanden later was Frank aan de tooneelschool te Amsterdam. Hoe
zijn moeder het er eindelijk had doorgekregen, had hij nooit kunnen te
weten komen en in de zelfzucht van zijn jong opgaan in het nieuwe
leven, had hij er misschien ook weinig over nagedacht. Eerst veel later
had hij begrepen aan welk een rijkdom van overredingskracht, aan welk
een stillen heldenmoed hij de inwilliging van zijn wenschen te danken
had. Zij was kort na zijn vertrek onverwacht gestorven, en haar
heengaan had een plekje van ongeneeselijk verlangen in hem
achtergelaten. Twee jaren had hij hard gewerkt en daarna besloten,
verder te Parijs zijn studie te voltooien. Toen had zijn grootmoeder
van vaderszijde, die nog sterker dan zijn vader al de vooroordeelen
tegen het tooneel bezat, hem in de vakantie bij zich gevraagd, en vol
van schrikbeelden over Parijsche losbandigheid, had zij hem voortdurend
samengebracht met een jong buurmeisje en niet gerust voor er een
huwelijk was tot stand gebracht tusschen deze beide onervaren kinderen.
Zij was een vroolijk schepseltje, Eva Lofner, en Frank kon zich later
niet meer herinneren wat hem eigenlijk verliefd had gemaakt, de blonde
krulletjes, of het lachkuiltje in de kin, of het fluweeltje, dat haar
hals omsloot boven het uitgesneden lijfje. Een domme
jongensverliefdheid was het geweest, maar zijn grootmoeder had er
bitteren ernst van gemaakt.
Getrouwd was hij naar Parijs vertrokken, maar nog geen maand na zijn
huwelijk, had hij het reeds begrepen hoe dit meisje, dat hem als
schutsengel was opgedrongen, in het woelige glansleven der wereldstad
veel grootere gevaren liep dan hij. O! de wreede onnoozelheid van zijn
grootmoeder, te meenen dat een huwelijk op zich zelf ooit een waarborg
kon zijn voor deugd! Het was de treurige herhaling geworden van zoo
ontelbaar vele huwelijken, waarin op korte verliefdheid lange bittere
teleurstelling volgt. In zijn studie, en nu en dan bij het kleine
meisje, dat hun in ’t tweede huwelijksjaar geboren was, had Frank zijn
troost gezocht, terwijl zijn vrouw, oppervlakkig en egoïst, opging in
futiliteit en zelfaanbidding.
Hij had willen scheiden, Frank; het samenzijn met deze vrouw was hem
een marteling geworden die hij dikwijls de kracht niet voelde te
doorstaan. Maar Eva, met het scherpe instinkt van eigenbelang, had in
hem erkend den kunstenaar, die binnen enkele jaren grooten naam en
groot fortuin gaat maken, en ze weigerde te scheiden.
Noch beloften, noch bedreigingen, noch smeekingen hadden iets vermocht;
zij bleef weigeren. Zoo had Frank verscheiden jaren doorleefd, terwijl
zijn teere kunstenaarsziel in smachtend verlangen naar mededeelen en
begrepen worden, in peillooze eenzaamheid verkwijnde.
Toen op een plekje in Zwitserland, waar beiden wat rust en nieuwe
kracht kwamen zoeken, had hij Corona van Oven ontmoet. Het kon niet
anders, een groote liefde was ontstaan uit hun samenzijn. Enkele weken,
mooi als een droom, met al het eterisch ideale, al het vluchtig
toekomstlooze van een visioen, hadden zij samen doorgebracht, toen was
elk in ’t harde werkleven teruggekeerd, veel rijker aan voelen en
denken, veel rijker vooral ook aan smart. Zij kenden nu het geluk, dat
zij onbewust jaren gezocht hadden, en wisten dat zij elkaar niet
toebehooren mochten, zoolang zijn vrouw tusschen hen in stond.
Alleen vriendschap mocht het zijn, en de brieven, die zij elkaar
zonden, vele, lange brieven, hun eenige troost, stonden vol van dat
woord; maar beiden wisten er de onwaarheid van.
Frank zat stil in den ouden armstoel bij het raam. Hij dacht over dit
alles en voelde in de verteedering van dit uur al het heerlijke, dat er
lag in zijn verlangensleed, en dat hij het niet meer zou hebben willen
ruilen voor zijn vroegere ontzettende eenzaamheid.
Daar klonk de doffe slag van de voordeur, lichte stappen naderden, hij
sprong op, bevend over al zijn leden, en zij stonden tegenover
elkander, Corona’s beide handen vastgesloten in de zijne en zij zeiden
niets, daar waren geen woorden, zij zagen elkaar slechts aan.
Eindelijk zich bewust wordend van het gevaar dat er lag in dien langen,
duizelend vollen blik, in de ontroering der weerziensvreugd, trok zij
voorzichtig, als was zij bang hem pijn te doen, haar handje terug.
„Frank, ga je mee naar buiten? ’t Is hier zoo warm,” zeide zij
geagiteerd.
„Waarom, lieveling? buiten is het vol menschen, en hier zijn we zoo
rustig.”
„Nee, hier hangt de onweerszoelte nog in de kamer, kom ga mee Frank,
het rijtuig wacht beneden, dan rijên we naar Scheveningen, aan ’t
strand is nou haast niemand. De groote avondhemel is beter voor ons
samenzijn.”
En zij liep de trap af, snel, verward, worstelend om haar
zelfbeheersching te hervinden. Hij volgde, teleurgesteld om die storing
in hun weerzien en toch gelukkig door haar zichtbare ontroering. De
vorige malen, toen hij haar bezocht had, had hij geleden onder haar
ijzig zelfbedwang.
Zij zaten naast elkander in het rijtuig, Corona stil, achterovergeleund
in een weekheid vol pijn en zaligheid die haar bang maakte, omdat ze
haar zoo nieuw was. Frank praatte druk, verlangend om veel, om alles te
zeggen en boos op zich zelf omdat hij niets vond dan dingen van de
oppervlakte van zijn leven, van zijn troep, en hoe die overmorgen te
Brussel spelen zou, en hoe hij toen een paar dagen vooruit was gereisd
om haar te zien. Eerst, toen zij samen het strand langs liepen in den
plechtigen weemoed van den zonneondergang vonden zij elkaar wéer in de
oude harmonie.
Het was laat toen zij terugkeerden, te voet langs den Scheveningschen
weg, hun woorden en gedachten gewiegd op de rythmische beweging van hun
voortgaan naast elkaar. Soms ook liepen zij zwijgend, hand in hand in
het flauwe licht dat de lantaarns van den straatweg door de bladeren en
takken heen op den hoogen weg wierpen. Voor Corona’s huis stonden zij
stil.
„Mag ik morgen weer komen?” vroeg Frank.
Zij dacht even na.
„Er zijn juist zoo vreeselijk veel zieken op het oogenblik. Maar kom
morgen koffie drinken, dan hebben we een rustig uur samen, en morgen
avond zal ik zien vrij te zijn.”
„Maar dan blijven we hier thuis, ja? Ik zal je mooie dingen komen
voorlezen, en dan vraag je er niemand bij, nietwaar?”
„Waarom niet?” zeide ze verlegen. „Waarom mag Marguérite niet komen? je
kent haar, en zij zal zoo genieten van je lectuur.”
„Waarom Cora?” vroeg hij dringend. „Waarom altijd iemand er bij? Waarom
mogen we dezen eenen avond niet genieten in samen alleen zijn? Of is
het dat je bang bent voor je reputatie?”
Zij zag hem even aan met haar trotschen glimlach.
„O! Frank, het zou al heel onnoozel van me zijn geweest, als ik me niet
sinds lang mondig had verklaard van de voogdijschap die de wereld zoo
graag over ons uitoefent. In mijn eigen huis ontvang ik wien en wanneer
ik wil. En als men zich werkelijk niets te verwijten heeft, heb ik ook
altijd opgemerkt, dat de menschen gauw genoeg geneigd zijn te ontzien,
wie toonen zich niet veel om hun oordeel te bekommeren.”
„Maar waarom dan?” vroeg Frank, haar handje grijpend in
hartstochtelijken druk.
„Omdat het beter is zóó!” zeide zij heel zacht opeens en week. „Omdat
het ons zwak maakt, Frank, lang samen alleen te zijn. Als er anderen
bij zijn blijft het gesprek meer algemeen, ik bedoel over de dingen
waar we allebei veel belang in stellen, maar die ons persoonlijk niet
aangaan, en als we samen alleen zijn, praten we te veel over ons zelve,
voelen we te duidelijk wat we missen, wat we zouden willen en niet
kunnen hebben, en dat maakt ons zwak, Frank, en we moeten sterk zijn.”
Het was de eerste maal dat zij erkende, hoe hun omgang, ook voor haar
niet meer als in het begin, enkel groot intellectueel genot was, hoe
hij ook voor haar strijd en smart was geworden. Zij voelde zijn handen
zich krampachtig om de hare sluiten, zij zag zijn groote gestalte
sidderen. Toen nam hij zijn hoed af met iets plechtigs, een koninklijke
beweging, en zich bukkend, kuste hij haar hand heel even, heel licht,
heel eerbiedig, en ging toen heen. Maar in de stilte klonk een dof
geluid, als van pijngekreun en Corona wist dat het het snikken was van
een man die zwaar leed.
O! waarom hadden zij elkaar leeren kennen? Moesten die enkele uren vol
sympathiegeluk zoo duur worden gekocht?
„Het rijtuig is vóór, mevrouw.”
„Goed Johan,” zeide mevrouw van Starren, zich nog even een kopje thee
inschenkend, en toen met een onrustigen blik op de pendule, terwijl ze
haar nieuwe witte handschoenen voorzichtig vinger voor vinger begon aan
te schuiven: „Waar blijft nou toch Eugénie weer. Ze is tegenwoordig
verschrikkelijk langzaam. Wat ze al die uren uitvoert op haar kamer,
mag de hemel weten. Maar luister es even Henri, vind jij ook niet dat
ze er den laatsten tijd erg slecht uit ziet?”
Mijnheer van Starren zag even op van zijn courant.
„Nee, eigenlijk is ’t me niet opgevallen. Ja toch, misschien is ze wat
magerder geworden, maar je moet niet vergeten, ze wordt ook al een
jaartje ouwer.”
In groote ergernis trok mevrouw een knoopje van haar handschoen af. Hoe
was het nou toch mogelijk om dat zoo onverschillig te zeggen. Had hij
dan geen hart voor zijn dochters? Alsof niet een „jaartje ouder
worden”, voor Eugénie hetzelfde was, als verlies van charmes en
daardoor van kans om te trouwen.
Gelukkig de jonge vrouw, voor wie „ouder worden” beteekent: rijpen in
denken en voelen, maar voor de Eugénie van Starrens beteekent het: het
verlies van succes, dat is namelooze leegte in een bestaan waarin alles
op dat succes is gericht.
Maar op dit oogenblik kwam Eugénie binnen. In haar zilvergrijs nieuw
voorjaarspakje, met de breede revers van licht lila moiré zag zij er
toch nog snoezig uit, en zoo gedistingeerd. Onwillekeurig zagen
mijnheer en mevrouw beiden haar aan met dien onderzoekenden blik, dien
zij zich van kind af herinnerde. Vroeger was hij haar een streeling
geweest, die blik die haar duidelijk zeide: „Wat is onze dochter toch
mooi,” nu vervulde hij haar met onrust en wrevel. Zij was bang er
teleurstelling of medelijden in te vinden.
„Wat heb je me lang laten wachten, Eus,” zeide mevrouw, maar niet
onvriendelijk. Zij was verteederd omdat zij haar vanavond toch weer
„zoo beelderig” vond.
Zij zouden mevrouw de Mureaux en Betty gaan afhalen om wat door de
boschjes te toeren.
„Och mama,” zeide Eugénie, voor den spiegel, verdiept in het
vastspelden van haar voiletje, „Mevrouw de Mureaux is toch nooit klaar,
als we komen. We kunnen best wat later zijn dan de afspraak.”
„Maar ik verkies niet dat je de paarden zoo’n eeuw laat wachten!” riep
mijnheer van Starren op eens heftig, met de opstuivende knorrigheid van
goedige naturen, als zij in hun zwak gegrepen zijn; en voor hem waren
zijn paarden een groot zwak.
Hilda kwam juist binnen. De onvriendelijke toon harer huisgenooten
onderling was altijd nog een pijniging voor haar; weifelend bleef zij
even aan de deur staan.
„Zoo, Hilda, waar ga jij naar toe? met hoed en handschoenen? We kunnen
je niet meenemen kind, we hebben met mevrouw de Mureaux en Betty
afspraak gemaakt, en dus zijn we al vier in ’t rijtuig.”
„Als u ’t goed vindt, tante, wou ik vanavond gaan thee drinken bij
Corona van Oven.”
„Alweer!” zeide Eugénie, en een wereld van vijandige aanmerking en
tegenstand lag in dat ééne woord.
„Ja, mij dunkt ook, je gaat er wel wat heel druk naar toe,” zeide
mevrouw. „Ik houd niet van die drukke vriendschappen met menschen zoo
buiten onze côterie. Ik wil niks tegen het meisje zeggen, en als onze
ouwe dokter zijn praktijk neerlegt, zou ik er zelf sterk over denken om
haar te nemen, maar het is geen omgang voor freule van Suylenburg.”
Hilda stond verlegen. Het bruischte even in haar op, ze had heftige
woorden op de lippen. Maar wat kon haar tante, die gewend was de waarde
harer kennissen te berekenen naar geboorte, relatie, en fortuin,
verstaan van het heerlijke wat er lag in een intiemeren omgang met
Corona?
Maar mijnheer van Starren kwam goedig tusschen beiden:
„Wel Hermine, laat Hilda toch gaan waar ze het prettig vindt! Corona
van Oven is een heel achtenswaardig meisje. En ze is van goeie familie.
Haar moeder was een van Plooze, en die haar moeder een freule van
Brosselen, je weet wel, van de ouwe, de Overijselsche tak.”
Hilda lachte even; zij kon het niet helpen. In haar gedachte zag zij
weer Corona’s vorstelijke gestalte, en het fijne edele hoofd. Zij dacht
aan dit hooge rijke vrouwenleven van studie en barmhartigheid, en zij
lachte, even hard op, dat er een adelijke grootmoeder bij te pas moest
komen, om te weten, of zij met haar intiemer om mocht gaan of niet. Hoe
komiek waren toch die maatschappelijke appreciaties! En toen zij hare
tante en Eugénie in het rijtuig had zien stappen en zelf vlug den weg
naar ’t Voorhout in sloeg, lachte ze nog voort. En deze wereld, waarin
eerst gevraagd wordt naar de familierelaties en geboorte dergenen aan
wie men zijn vriendschap wil geven, durfde zich nog christelijk noemen
en ontwikkeld? Christelijk naar Hem die tollenaren en zondaren, niet de
grooten van zijn volk opzocht, en ontwikkeld, terwijl het beginsel van
elke ontwikkeling is, naar de innerlijke waarde van menschen en dingen
te vragen, niet naar de uiterlijke omstandigheden.
Op de stoep bij Corona ontmoette zij Marguérite van Arkel.
„Kom je ook vanavond? Dat is heerlijk. Het zal mooi zijn. Frank van
Soeterwolde zal voorlezen.”