„Eddy, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen? Dat is juist de ellende van

den heelen toestand. Als wij dringend wijzen op de wenschelijkheid van

te werken, van deel te nemen aan alles wat in de wereld omgaat, dan

zegt men ons: Trouw! het huwelijk is de plicht en de plaats van de

vrouw! Maar o wee, als we dan toonen dat we graag trouwen willen, dat

we ons best doen om die plaats te veroveren, die ons geleerd is onze

uitsluitende bestemming te zijn! Het is een contradictie, die als een

vloek over het bestaan van het jongemeisjesleven ligt. Trouwen is de

bestemming! Ja maar om die bestemming te bereiken mag men geen hand

uitsteken zonder ridikuul, bijna verachtelijk te zijn, terwijl het toch

in de natuur ligt van elk jong mensch om te streven naar wat zijn

bestemming heet te zijn! Waarom leert men ons niet liever: „Werk en

wees nuttig, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, ontwikkel je gaven!

Overal kun je nuttig zijn als je een goed en verstandig mensch bent.

Overal in de wereld is er behoefte aan consciëntieuze arbeidsters!” Dat

is iets waar iedereen naar streven kan, begrijp je? dat ligt in ieders

macht. Als ze dat aan de meisjes leerden zouden zij vroolijk en dapper

aan het werk kunnen gaan in plaats van nou onbevredigd te zitten

hunkeren.”

Edward zag haar even aan, heel ernstig nu, blijkbaar gefrappeerd. Toen

keek hij weer in het boek en bleef bladeren terwijl Hilda zachtjes op

en neer wippend in haar schommelstoel hem heimelijk bestudeerde.

Van den beginne af aan had zij geloofd dat er onder zijn jongensbluf,

veel goedhartigheid en intelligentie scholen. Maar hoe langer hoe meer

had zij sterk het gevoel dat het heel jammer van hem was als hij zoo

voortging op dien weg!

Op eenmaal stond hij weer voor haar.

„Hildy geloof je dat het uit is tusschen Rooselaar en Corry?”

Hilda zag zeer ernstig.

„Ik weet het niet, maar ik vrees dat ze verschrikkelijk met hem

gespeeld heeft en nog speelt. Eergisteren aan het strand kwam hij ons

aanspreken en was ze weer erg lief tegen hem. Ik had kunnen huilen toen

ik zag hoe gelukkig ie daardoor was, en gisterenavond, je hebt zelf

gezien hoe ze toen weer met von Görtzen deed!”

Edward draaide zich in eens om: „Verdomd!” zeide hij tusschen zijn

tanden en liep fluitend den tuin in.

Hilda zag hem na, en voor het eerst voelde zij iets als vriendschap in

zich opwellen voor een van haar huisgenooten.

Eugénie had gelijk: Hij was nog parvenu, parvenu van geest en van

leeftijd, pedant en overmoedig, maar hij kon tenminste nog ernstig zijn

en onder zijn geaffecteerd cynisme lag waarschijnlijk meer gemoed dan

onder de snoezigste glimlachjes van zijn zusters.

Dokter van Oven’s coupétje had lang staan wachten voor het

Diaconessenhuis van Bronovo. Corona had er een paar zware patiënten en

het was al bij half elf toen zij vlug de trappen afkwam en onder het

instappen den koetsier toeriep:

„Pankaert van Hozen.”

Het rijtuig rolde weg, de caoutchouc banden verdoofden het geluid,

alleen de hoefslagen van het paard klonken snelvolgend en licht over de

Laan van Meerdervoort. In de van Speykstraat voor een der kleine

bovenhuizen met smal gele deur hield het coupétje stil. Corona was al

op de stoep en belde, even in haar notitieboekje naziende waar zij

vervolgens naar toe moest gaan.

De deur werd open getrokken en boven aan de trap stond een oude vrouw,

gebukt, met zwakke oogen naar beneden turend en vrij onvriendelijk

roepend:

„Wie is daar?”

„Ik ben het, mevrouwtje! Ik kwam nog es even zien hoe het gaat,”

antwoordde Corona onder het klimmen.

„O dokter, hoe lief van u. Ik zag u zoo gauw niet. Neemt u me niet

kwalijk! Het is veel beter en Belle zal erg blij zijn.”

Het was een lange magere vrouw. In het ingezonken verlepte gezicht

waren nog sporen van vroegere schoonheid, in de houding, de beweging

waarmede zij Corona binnen leidde lag nog een spoor van vroegere

hoogheid, maar de ruwe handen met korte dikhoornige nagels, het

vuilzwarte kleed met het ros geworden tresband spraken van

tegenwoordige ellende. Van ellende, van pijnlijke, fatsoenlijke ellende

sprak ook de kleine suite waar Corona nu inging. Een paar groote

mahoniehouten meubels, die blijkbaar hun diensttijd in veel ruimere

omgeving begonnen waren, vulden het grootste gedeelte der kleine ruimte

met aanmatigende leelijkheid. In een hoek stond een tafel, glad

blinkend geboend, met allerlei fotografieën en kleine kunst- en

waardelooze ornamentjes, een jammerlijke imitatie der kostbare etalages

in rijke salons. Een paar groote gravures van academischen wansmaak,

voorstellende: geloof, hoop en liefde en een schildersgroep uit de

zeventiende eeuw, trokken de aandacht naar het burgerlijke behangsel;

aan den anderen wand hingen een paar teekeningen naar de gewone

ouderwetsche voorbeelden: een bouwvallig huisje bij een waterval en een

paar smachtende jonge dames met rozen in de hand, die een kapel

nastaren. Zij waren voluit onderteekend met groot kinderlijk schrift:

Charles Pankaert van Hozen.

Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich

akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote

mand met maaswerk vóór zich. Bij Corona’s binnenkomen sprong zij op,

kinderlijk onstuimig haar omhelzend, en toen, half verlegen, half

dwepend opgetogen zich tegen haar aan vleiend:

„Hoe lief van u, ik was al bang, dat u niet meer komen zoudt, toen het

zoo laat begon te worden.”

„Dwaas kindje! Ik had het immers beloofd! En het is maar goed ook, dat

ik kom zien, of je zoet bent. Is dat nou werk voor een herstellende?

Mevrouwtje, u moest uw dochter wat beter onder den duim hoûen, en haar

niet toestaan, om zulk fijn werk te doen.”

Isabelle kleurde, het bleekrose anemische kleurtje, dat telkens ging en

kwam. Onrustig glimlachend zag zij naar haar moeder op. Het was een

klein tenger gebouwd meisje, wier teere vormen en sluik vaallicht haar,

haar veel jonger deden schijnen dan haar een en twintig jaar. Vóór op

het voorhoofd waren een paar dunne armoedige vlokjes, kunstmatig tot

kroezen gedwongen, de mond was groot, niet mooi met de bleeke

bloedelooze lippen en leelijke tanden, de neus klein en dik gezwollen,

en de oogen, haar eenige schoonheid, vriendelijke zachtgrijze oogen,

waren met roode randen. Zij was het type van het bloedarme scrofuleuze

aristocratenkind, de laatste uit een geslacht, waarvan sinds vele

generaties de vrouwen door ongezonde kleeding en verweekelijking, de

mannen door elegante zonden hun levenskrachten hebben uitgeput. Corona

had er velen zoo onder haar praktijk, maar hier was de toestand nog

dubbel treurig, omdat de middelen ontbraken, om een beetje nieuw leven

aan het kwijnende plantje te geven.

„Gelooft u wezenlijk, dat het haar vermoeien zal?” vroeg mevrouw

Pankaert. „Het zijn sokken van Charles, hij heeft er al tweemaal om

geschreven. Door Belle’s ziekte is alles blijven liggen en ik kan het

niet meer zien met m’n ouwe oogen.”

„Wat is het fijn!” zeide Corona, de sok waaraan Belle bezig was,

opnemend.

„O! ik stop het ook maar, als de gaten een beetje groot zijn. Mazen zou

niet te doen zijn, en Charles kan geen grove velen.”

Corona schudde het hoofd.

„En heb je trouw melk gedronken en elken dag naar Scheveningen

geweest?”

Het meisje kleurde weer, met een hulpeloozen blik op haar moeder.

„Ik zal u zeggen dokter, elken dag is wat veel. Het wandelen vermoeit

haar nog zoo en trammen loopt zoo op.”

„Ik wou dat ze zeebaden ging nemen, dat zou erg goed voor haar zijn en

misschien is ze dan tegen den winter weer heelemaal flink.”

„O! ik zou het heerlijk vinden dokter, ik heb er altijd naar verlangd

om es in zee te gaan. Maar het zal moeielijk zijn, nietwaar moeder?

Charles heeft van den winter een nieuwen rok gehad en gisteren vroeg

hij weer erg dringend om geld. En zeebaden zijn zoo duur!”

Mevrouw Pankaert zuchtte zwaar.

„Als het moet, zal het natuurlijk gebeuren, kind. Maar het zal

misschien ook wel zonder kunnen. Later als Charles klaar is en zelf

verdient, dan kunnen we voor je gezondheid gaan leven.”

Corona glimlachte treurig. Zij, die aan zoovele sterfbedden gestaan

had, kende de ijdelheid van het woord: „later.”

„Hoe gaat het met Charles? Hoe ver is ie nu al?”

„Hij maakt het best. Het volgend jaar hoopt ie zijn doktoraal te doen.”

Iets warm gelukkigs kwam in haar oude oogen, als mevrouw Pankaert over

haar zoon sprak.

„Het volgend jaar pas? Ik dacht ....”

„Ja, misschien had ie het wel iets vlugger kunnen doen, maar u

begrijpt, zoo’n jong mensch moet toch ook wat genieten van zijn jonge

leven ....”

Corona zag op eenmaal met de groote glansoogen tot haar op:

„Dat ben ik met u eens mevrouw, dat jonge menschen zooveel mogelijk,

vóór de zorgentijd komt, van hun jonge leven moeten genieten. Maar als

u het zoo natuurlijk vindt, dat Charles zich daar in Utrecht amuseert,

waarom vindt u het dan ook natuurlijk dat Isabelle hier dag aan dag

flanelletjes zit te naaien en kousen zit te mazen en stil vreugdeloos

in saaiheid voort leeft?”

„Dokter!” riep de oude mevrouw bitter gegriefd. „Hoe kunt u nou toch

zoo hard zijn. Als of ik niet mijn leven zou geven om Belle ook wat

gelukkiger te maken! Maar u weet dat ik het geld niet heb!”

„Uw leven is niet noodig, een beetje rechtvaardigheid tusschen uw zoon

en dochter zou voldoende zijn!” zeide Corona met haar rustigen

glimlach, waarmede zij gewend was de moeilijkste dingen te zeggen.

„Dat kan men immers niet zoo uitmeten. Charlie is een man, die moet

zijn stand ophoûen; wat wij vrouwen hier binnenshuis uitvoeren en hoe

wij ’t hebben, gaat niemand aan. Hij is een man, hij moet het leven

leeren kennen....”

„Het leven leeren kennen!” herhaalde Corona haar strak aanziende. „Het

leven dat u hem nu, ten koste van alle opofferingen in staat stelt te

leeren kennen, kan misschien zijn gezondheid, misschien zijn teerste

edelste voelen vernietigen, maar het leert hem niets van het

waarachtige leven. Het is niet precies in café chantants, op

rijpartijen en jolige avondjes dat men het Leven leert kennen! Het is

komiek, die uitdrukking zoo opgevat. Misschien dat Isabelle, hier over

haar maaswerk en met een boek naast zich, er nog meer van heeft

verstaan dan hij.”

„Maar wat wilt u dan toch dokter? Dat ik hem minder geld geef? Hij moet

toch al zoo dikwijls tevergeefs vragen, de arme jongen.”

„Vindt u het billijk, lieve mevrouw, dat terwijl Charlie misschien op

dit oogenblik in Utrecht rond rijdt, Isabelle het te duur vindt om te

trammen? of terwijl hij misschien nog slaperig is van den wijn van

gisteravond, zij tegen de onkosten opziet om een beetje levenskracht in

de zee te gaan halen?”

Mevrouw Pankaert zat zwijgend voor zich uit te staren, met den strak

harden blik van hen die niet overtuigd willen worden. Er werd gebeld.

Zij stond op, verlegen:

„Vergeef me, dokter, de meid is niet thuis.”

En zij ging, de hooge hoekige gestalte stijf opgericht, inwendig

woedend om Corona’s opmerking.

Toen zij vertrokken was, legde Isabelle schuchter streelend haar handje

op Corona’s arm.

„Toe dokter, spreekt u nou maar nooit meer over die dingen tegen mama.

Het doet haar zoo’n verdriet. Ze houdt heusch misschien wel evenveel

van mij als van Charles, maar het is eenmaal zoo, overal immers, de

zoon is numero één. Bij de van Stratens, bij de Horenraads, bij de

Heyelaars en bij iedereen immers.”

„Ja, dat weet ik wel, maar daar vecht ik er ook altijd tegen. Ik kan

het niet verdragen! Hoe wil je het onrecht in de maatschappij

tegengaan, als het in het huisgezin stelselmatig wordt aangekweekt?”

„Weet u hoe het komt? Ik geloof dat zelfopoffering een van de hoogste

deugden is en misschien is het daarom heel gelukkig voor de vrouwen,

dat zij van kind af aan er in geoefend worden.”

Corona nam het bleeke magere handje en kuste het even; toen zeide zij

plagend:

„Foei Belle, als je die deugd de hoogste vindt, mag je niet zoo egoïst

zijn om ze alleen voor de vrouwen te houden, dan moet je er ook vóór

zijn dat de jonge mannen er zich bijtijds in oefenen. Het hoogste mag

je niet voor je zelf hoûen!”

Isabelle glimlachte even, maar ging voort:

„En dan .... misschien is er toch wel iets rechtvaardigs in, dat alles

aan de opvoeding en de pret van de jongens wordt opgeofferd, want al

verteren zij eerst wat meer, later moeten zij ook soms hun zuster

onderhouden .....”

Corona zag zeer ernstig.

„Vind je dat rechtvaardig Belle? Dat, waar geen fortuin is, de man

alleen in staat wordt gesteld om later behoorlijk in zijn onderhoud te

voorzien, en het meisje in de vernederende pijnlijke positie wordt

gelaten om later van de meer of minder delicate edelmoedigheid van haar

broer af te hangen! Ken je de freules van Ysselen niet, hier, op haar

bovenhuisje in de Da Costastraat? Groote hemel, wat een bestaan! En

toch kan men het haar broer, met zijn eigen gezin niet kwalijk nemen

dat hij niet méér voor haar doet. Voor hem zijn die zusters even

bezwarend als het voor haar ellendig is om van hem af te hangen. En

vind je dat rechtvaardig, Belle? en natuurlijk?”

Isabelle wendde het hoofd om. Groote tranen zwollen op tusschen de

neergeslagen oogleden en drupten langzaam op haar verschoten

blauwkatoenen kleedje. Corona zag ze vallen, groote heete diamanten,

geluidloos neerglijdend, als Belle’s leven zelf, rein, vol warme

toewijding, zonder een enkele klacht wegvlietend. Zij hield nog altijd

haar handje vast, en zij drukte en koesterde het in beide haar handen,

zwijgend in grooten weemoed. Want dat was juist het smartelijke van

haar taak, dat zij berusting, onderwerping prediken moest, bij de

groote beproevingen van dood en lijden, die elk menschenleven moet

doorworstelen, en zoo dikwijls vond zij daar bitterheid, wilde

vertwijfeling. En daarentegen bij het leed dat geleden wordt, niet door

de onvermijdelijke levenswetten, maar door bekrompen kleinmenschelijke

opvattingen van conventie en fatsoen, en ouderwetsche ongerechtigheid

tusschen geslachten en standen, dáár moest zij opstand en verzet

prediken en ontmoette maar al te dikwijls energielooze dofheid.

„Och dokter, het zou allemaal niks zijn, ik wil me immers wel voor

Charlie opofferen, omdat mama het nou eenmaal zoo inziet, maar weet u

wat ik nooit heb kunnen begrijpen en altijd vreeselijk hard zal

vinden?”—zij hield even op, snakkend naar lucht om de opbruischende

emotie te bedwingen—„dat is dat Charles wel vioolles heeft gekregen en

dat mama mij geen zangles wil geven. Hij speelt nou zoo mooi, ik wou

dat u hem eens kondt hooren! En mama is er zoo trotsch op! En verleden

zei ze weer: Als een jongen muzikaal is hoort muziek bij zijn

opvoeding! Maar voor mij vindt ze het te duur. En toch zou ik het zoo

heerlijk vinden. Het is het eenige waar ik naar verlang. U moet het

niet kinderachtig van me vinden, maar soms ’s avonds zing ik alleen op

m’n eigen hokje boven van die lange tonen, die opzwellen en zachtjes

wegvloeien, en dan is het net of al het donker vervelende uit mijn

leven weggaat.”

„Wil ik er straks nog eens met je mama over spreken? Maar ik heb het al

es meer gedaan en het geeft niets.”

„O! nee dokter, doet u het toch niet meer. Er is niets aan te doen, en

u ziet immers dat ik zóó ook heel gelukkig en tevreden ben.”

Maar de tranen, die op nieuw begonnen te stroomen, zeiden heel andere

dingen. Toen gleed ze op eens voor Corona op den grond, het hoofd op

haar schoot verborgen en zachtjes snikkend ging ze voort:

„U moet het niet pedant van me vinden, maar ik geloof heusch dat ik een

mooie stem heb gekregen, en als ik les had, zou ik later mijn geld

daarmee kunnen verdienen, en dan zou ik niet afhankelijk van Charles

hoeven te blijven, en later geen last voor hem zijn, en ik zou rijk

worden en mama allerlei dingen kunnen geven, die ze nou niet hebben kan

.... en ze zou niet meer zoo angstig naar een rijk huwelijk voor me

hoeven uit te zien, want ik wil niet trouwen om maar geborgen te zijn

.... en ik ben ook veel te leelijk om te trouwen .... Maar mama

verlangt er zoo naar, en dat is zoo akelig .... en ik zou zoo graag

willen leeren zingen, omdat het zoo verrukkelijk is ....”

Op dit oogenblik kwam mevrouw Pankaert terug. Stroef, achterdochtig zag

zij naar de omstrengeling der beide jonge vrouwen. Zij hield veel van

Corona, in Belle’s ziekte was deze als een kleine voorzienigheid voor

haar geweest, maar op het punt van Charlie, haar lieveling, werden zij

het nooit eens, en de meerdere gelijkstelling die Corona eischte

tusschen hem en Isabelle ergerde haar nog des te meer, omdat zij in

stilte de rechtvaardigheid er van voelde. Zij bleef vlak voor de tafel

staan en heel haar houding scheen te vragen: „Ben je, toen ik weg was,

mijn dochter tegen mij aan het opstoken geweest?” Isabelle, ofschoon

met den rug naar de deur gekeerd, scheen het als bij intuïtie te raden.

Corona voelde een schrikschokje haar doortrillen toen haar moeder

binnen kwam. Zij sprong op, haastig haar tranen drogend. Ook Corona

stond op, de oude mevrouw met haar gewonen rustigen glimlach aanziende:

„Ik zou mijn tijd nog verpraten en de andere zieken, die op me wachten,

haast vergeten bij deze kleine meid. Maar laat ons nog eens even

afspreken! Dus niet vermoeien, nietwaar? U ziet wel aan de

waterlanders, mevrouwtje, dat de zenuwen nog lang niet sterk zijn. Niet

langer dan vijftien minuten mazen, hoor, als Charles dan absoluut z’n

fijne sokjes moet hebben, en dan stuur ik je morgen een

abonnementskaart van twintig zeebaden om te beginnen, en een paar

tramboekjes. Is dat goed? Zul je dan trouw baden?”

Isabelle, verward, opgetogen, kleurend haar heftig opjagend en

wegzinkend kleurtje van anemie, zeide niets, haar hoofd op Corona’s

schouder. Weer zwollen er tranen op. Mevrouw Pankaert keek nog stroef.

Het plotseling genereuze aanbod van Corona zag er uit als een verwijt

voor haar zelve. Maar Charlie’s brief, daàr in haar sleutelmandje,

stelde haar gerust. Hij, met zijn naam en uiterlijk en dolguitig

karakter, kon niet zuiniger leven dan hij deed, en hij vroeg al weer om

geld .... Belle’s ziekte had haar toch al meer gekost, dan waar zij op

gerekend had in dit voorjaar, nee, ze was heusch niet in staat Belle te

laten baden en dus kon ze het voor haar geweten gerust aannemen.

Zij zag op. Corona keek haar aan, open en vriendelijk zooals

gewoonlijk. Bij haar kon goedheid geen hatelijkheid beduiden, en in

eens, ontwapend, met groote hartelijkheid, drukte zij haar bij het

heengaan de hand.

Druk was het dien morgen geweest voor Corona, verscheidene zware zieken

hadden haar grootste zorgen vereischt en toch was het beeld der kleine

bleeke Isabelle haar bijgebleven. „Als ik dien Charles es ergens

tegenkom, moet ik toch eens zien, of het jonge onnadenkendheid of

bepaald grove zelfzucht is, dat hij die twee vrouwen zoo laat krom

liggen voor zijn eigen amusementjes. Het zal wel, zooals bij de

meesten, beide tegelijk zijn. Maar ondertusschen zal ik toch probeeren,

om het meisje zangles te bezorgen.”

Peinzend in de kussens geleund, zag zij het raampje uit. Daar liep

Marguérite van Arkel, de kleine veerkrachtige gestalte in het

kleurlooze kleedje. Zij zag op, met een blijden lach van herkennen, en

riep den koetsier om even op te houden. Dit gebeurde heel dikwijls.

Wanneer de beide vriendinnen elkaar zoo ontmoetten, stapte Marguérite

meestal in, om even een grappig woord of een ernstige gedachte mee te

deelen; soms reed zij een paar straten ver mee, soms ook stapte Corona

uit en liepen zij samen een oogenblik voort, zich wederzijds

verfrisschend in de altijd nieuwe bekoring harer vriendschap.

„Cora mia,” zeide Marguérite onder het instijgen, „hoe gezellig, dat ik

je juist heb getroffen. Ik liep net te lachen in me zelve, om een

amusant tafreeltje, dat ik straks heb bijgewoond. Vandaag had ik maar

tot elf uur les en na de school was ik bij mevrouw de Mureaux, om over

litteratuur-lessen te spreken, die ik aan Betty geven zou.”

„Wezenlijk? Dat kleine domme ding, litteratuur-les? Hoe komen zij

daarbij?”

„Ja, er moet een scenetje geweest zijn tusschen Betty en Hilda van

Suylenburg. O! je moet hooren, het is heel grappig. Betty was begonnen

te lachen, schijnt het, over een dame, die in Amsterdam in de

philosophie moet zijn gepromoveerd en toen schijnt Hilda zich te hebben

opgewonden en zich heftig te hebben uitgelaten over de onontwikkeling

van de meeste meisjes, die zoogenaamd een „brillante educatie” hebben

gehad, maar eigenlijk niets hebben gekregen dan ’n schijnvernisje van

kennis om er de ontzettende leegheid van haar hersenen onder te

verbergen. „Jullie weet niets dan wat talen, om in vier verschillende

spraken dezelfde nonsens te spreken,” moet zij hebben gezegd, „maar wat

in die talen voor groots en heerlijks is gesproken en geschreven, daar

heb je zelfs geen vermoeden van”, en in ééne drift schijnt zij zoo te

zijn voortgegaan. Natuurlijk is zij toen even heftig door Betty en de

nichtjes van Starren en mama de Mureaux, die er allen bij waren,

aangevallen, maar de jonge van Starren, die nog al invloed bij moeder

en dochter de Mureaux schijnt te hebben, is in eens Hilda te hulp

gekomen, door uit te schateren: „Diezelfde nonsens praatjes in vier

verschillende talen en geen notie van de geweldige dingen die in die

talen gezegd zijn. O! Hildy, die is goed! Dat is juist het type der

volleerde jonge dame! Wat kun je toch grappig zijn!”—En daarmee schijnt

het besluit te zijn genomen, om Betty met een extra litteratuursausje

te overgieten.”

Corona lachte, genietend in Marguérite’s levendig verhaal:

„O! Maggy, wat een komieke, treurig komieke wereld toch!”

„Ja, Corretje, maar nou komt nog het aardigste, nou moet je hooren! Ik

was dan straks bij mevrouw de Mureaux, die me op het hart drukte, om

haar dochter alles van de Fransche litteratuur te leeren, dat zij er

flink over mee zou kunnen praten, maar vooral niets onordentelijks te

laten lezen, omdat zij niet van emancipatie hield. Toen zegt Betty in

eens met haar gemaakt onnoozel stemmetje: „Wat is toch eigenlijk

vrouwenemancipatie, waar tegenwoordig zoo dikwijls over gesproken

wordt, ma?”—„Wat dat is, kind?” zegt mevrouw, „ja, dat is nou zoo’n

idee, om de vrouw mannelijk te maken en met ’n sigaar in den mond naar

de stembus te laten gaan, terwijl de man thuis de kinderen verschoont.”

En toen proestte ze het uit.”

„Zei ze dat wezenlijk?” riep Corona, ongeloovig. Voor haar, wie de

vrouwenkwestie hoogheilige ernst was, scheen Marguérite’s verhaal een

grapje uit de Fliegende Blätter.

„Ik verzeker het je, Cora? Ik kan het je plechtig verzekeren.”

„En wat heb jij toen gezegd?”

„Niets natuurlijk. Hoe kon ik nog iets toevoegen aan zoo’n meesterlijk

geteekend beeld? Maar weet je wat, Cora? Nou moet jij ook een formule

bedenken. Iets korts en duidelijks, om, als het weer es voorkomt, zoo’n

vraag te beantwoorden.”

Corona staarde peinzend voor zich uit. Weer zag ze Isabelle vóór zich,

en daarnaast Charles Pankaert, zoo als zij hem een poos geleden, ’s

avonds, toen zij laat terugkeerde van een consult te Amsterdam, had

gezien met een troepje vrienden. Toen zeide zij, beheerscht door die

twee beelden:

„Vrouwenemancipatie beteekent vrijheid voor de beide geslachten, om in

hun jeugdjaren te genieten van het leven. Niet de man alleen, terwijl

het meisje in benauwde omstandigheden versuft.”

„Maar Corretje, waar denk je aan? Al ons streven is juist om de vrouw

wat beters te leeren dan pretzoeken in haar jeugd, dan die

amusementenjacht waarin ze dikwijls haar beste jaren verliest, en wil

jij nou ....”

„Ik dacht niet aan de gefortuneerde vrouwen, ik dacht aan die massa

families met bekrompen middelen, waar alles van de meisjes, opvoeding

en genot, wordt opgeofferd aan de zoons. Ik ben vanmorgen bij Pankaert

geweest, Maggy, en het ergert me telkens op nieuw.”

„O, natuurlijk, die toestand is ook ergerlijk, maar de formule die ik

van je hebben wou, Cora mia, moet op de geheele emancipatie slaan, niet

op een gedeelte daarvan. Maar wat zijn we al ver doorgereden! Adieu,

denk aan mijn opdracht hoor, de formule, goed zoeken!”

Zij drukte op de knop, die den koetsier waarschuwde en vloog het

coupétje uit, nog voor het heelemaal stilstond. Nog een vriendelijke

blik der trouwe intelligente oogjes, nog een glimlach uit het rijtuig

en beide jonge vrouwen gingen weer ieder haar weg, om de zware dagtaak

met alle energie te volbrengen.

Corona stond voor het open venster van haar stille werkkamer, en heel

langzaam en diep ademde zij de zoet aanwaaiende avondlucht in. Er was

een zwaar onweer gevallen, en aromatische geuren van uitwasemende

planten en aarde stroomden frischheid en verkwikking in de kamer waar

de zware hitte van den dag nog hing.

Een gevoel van verlangen naar buiten, naar het wijde, lichte van den

zomeravondhemel vervulde haar. Haar kamer leek haar zoo klein op eens,

en zoo stil, en de stilte, die zij er anders zoo lief had, maakte haar

nu benauwd.

Hilda van Suylenburg · 第 8 / 35 段