valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe
zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm
glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige
dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer
achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij
haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer,
waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er
nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een
aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als
ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in
die van equipages en niets-doen.”
Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die
Marguérite’s lange verhaal had opgewekt.
„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide
Hilda.
„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen
tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu
kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam
als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen
dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn
om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld
verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het
eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan
verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in
den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan
dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van
zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o!
als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet
zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in
onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan
te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te
doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen
ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken
worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets
beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet
fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker,
glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!”
In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje
één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als
viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den
laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo
vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar
beuzelleven?
Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een nieuw kopje
thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief,
vatte zij haar hand:
„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat
allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt
niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de
Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er
hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht
willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en
grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor
gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld
om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu
nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je
hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam
leven!”
Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van
opgetogenheid.
„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof
dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!”
Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar
spreken, schudde het hoofd.
„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en
denken en dan..... Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de
kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb,
zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen
klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge
dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga
ik misschien uit om te preeken.”
Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en
zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het
snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond.
„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je heele leven niets
anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?”
Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen
wemelde het van lachtrekjes.
„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen
zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze
zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust
durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.”
Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten.
„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik
er nog eens meer een komen hooren?”
„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk.
En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een
leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide
Marguérite van Arkel:
„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in
dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het
fladder-leven van niets-doen.”
„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de
gewone praatjes?”
„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en
toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.”
„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?”
„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte
oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?”
„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van
Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den
jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik
dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige
partij niet vriendelijker te behandelen.”
„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend.
„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit
als een kokette, vindt je niet?”
„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze
zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen ....”
„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal
niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog
zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er
ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo
oneindig scherp.”
„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter
dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen
ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit
gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?”
„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij
zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan
zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en
voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo
oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer
geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!”
„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare
beide armen om Corona heenslaande:
„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan
in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar
ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet
zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken,
dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige
vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke
kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan
de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik ben schatrijk en
toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste
taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor
voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!”
Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het
voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke
gezichtje fluisterde zij:
„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .... Ik wou je
laten lezen ..... Ik heb een brief van Frank .....”
Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid
gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel
thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot
gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het
zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn
komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan.
Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw
scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon
hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge
honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar
replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van
wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er
voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich
reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het
groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun
gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den
laatsten tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien
nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de
huiskamer.
Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar
eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als
zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil
ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich
uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg
was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen
weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van
lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode
vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif
inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs
voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap,
soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er
niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen.
De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand
verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de
familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij
vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen,
waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te
keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige
punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van
Starren’s kenden.
Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de
kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug
in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda,
warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote
marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden
tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in
haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele
omgeving.
„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat
niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt
wegsmelten?”
Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag
hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren
slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop
hij ijdel was als een kostschoolmeisje.
„Twee nieuwtjes, Eddy?”
„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie,
dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking
gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange
en Co.”
Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar
Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren
waren. Edward sprong op:
„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw
gezien.”
„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want
zij had geen flauw besef wat het woord beteekende.
„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn
flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het
dubbelzinnige van zijn antwoord.
Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek
lachje.
Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne
gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje
gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda
dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren
de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve
bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze
erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in
weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield
zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en
zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had
zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte.
„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?”
zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken.
„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel,
het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun
buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op
gevraagd wordt.”
„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in
November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel
aardiger zijn!”
„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of
ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie
zeide het met tergende minachting.
„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en
geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn
nieuwtje bekend was.
„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte
over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s
antwoord.
Edward stoof op.
„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk
voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de
toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de
heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat
geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig
te keuren.”
Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar.
„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen?
Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .... wij stellen
toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde,
belang!”
Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak uitdagend
aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem
telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de
koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten
zich zelve barstte hij uit:
„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant
zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden
voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd
voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen,
tusschen man en kind!”
Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar
Eugénie.
„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!”
riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat
Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn.
„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm.
„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig
kalm.
Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel.
Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven
geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van
Starren te zijn, en rijk en voornaam.
„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend.
„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven,
die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen.
En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun
hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat
zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die
het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul
je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.”
Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar
afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward.
Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide
meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het
boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend.
„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!”
Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol
vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende
terechtwijzing.
Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur.
„Kan het je heusch iets schelen?”
Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst
gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend
knikte zij ja.
„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet
wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn
jacht mee naar Japan te gaan.”
„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk.
„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er
maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet
makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga
studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor
me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd
genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat
boek vandaan?”
„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat
iedereen het las.”
Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje,
dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk
cynisch had gemaakt.
„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over
vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee
vermoeien.”
„Waarom niet?”
Edward schudde het hoofd.
„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan
interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het
maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.”
Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de
donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden
groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de
kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat
was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen
heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden.
Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist
zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon
ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde,
wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier
vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren
gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de
sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het
leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters.
„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de
vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.”
„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.”
„Dat geloof ik niet, ik heb alleen maar een beetje ruimer en ernstiger
opvoeding gehad. Ik geloof zeker dat, als er nu bij de meeste vrouwen
nog zoo weinig belangstelling is, dat komt omdat men haar geleerd heeft
dat het lief en braaf en vrouwelijk is, om zich niet te bemoeien met
dingen van algemeen belang. Want aan alle groote bewegingen die haar
tijd in beroering brachten, het Christendom, de Fransche revolutie, de
Amerikaansche slavenemancipatie, enz., enz. hebben de vrouwen altijd
met hartstocht deelgenomen, en tegenwoordig is er toch ook eigenlijk
geen eene ernstige beweging op welk gebied ook, die niet haar
vrouwelijke kampioenen heeft.”
„Nou, ik geloof toch nooit dat je er zulke meisjes”—met een hoofdknik
wees Edward naar de plaats waar zooeven Betty de Mureaux en zijn
zusters gestaan hadden—„toe krijgt om zich voor iets anders dan haar
prulbelangetjes te interesseeren. En dat is immers maar goed ook, de
wereld kan het best zonder ze stellen.”
„Nee, ’t is volstrekt niet goed! al die millioenen onverschilligen
werken zoo belemmerend voor ieder die een beetje vooruit wil! ’t Zijn
net wollen dekens waar elke kreet van enthousiasme of verontwaardiging
in gesmoord wordt. Elk mensch behoorde zich tenminste voor één van de
problemen, die dezen tijd in ontroering brengen, warm te maken! en voor
de vrouwen zelf zou het ook zoo’n boel beter zijn als ze aan alles
deelnamen.”
„Geloof je? Nou ik weet het niet hoor! voor haar zelf zou het ze maar
pedant maken als ze overal in wouen mee praten en geloof je nou heusch,
dat er zoo veel reden tot verontwaardiging is? Ik vind het toch nog zoo
kwaad niet, in de wereld.”
Hilda lachte.
„Nee, in zoo’n mooi pakje, met zulke prachtige rijlaarzen en een
heerlijk egyptisch cigaretje, is het voor jou ook heusch „nog zoo kwaad
niet.” Maar als je vindt, dat de toestanden wezenlijk goed zijn, dan
zou ik haast zeggen, dat jij je ook nog niet hard voor de vraagstukken
van je tijd hebt geïnteresseerd!”
„Je bent veel te bijdehand, Hilda.”
Zij lachte weer haar zachten zonnigen lach, die altijd ontwapende, maar
toen heel ernstig:
„Nee maar, heusch, Eddy, geloof je nou ook niet, dat Eugénie
bijvoorbeeld heel anders zou zijn als zij iets had, dat haar leven
vulde, waarvoor zij haar intelligentie nuttig kon gebruiken, dat haar
afleidde van haar eigen kleine bittere gedachtetjes? Ik geloof, dat zij
dikwijls zoo onaangenaam is, alleen omdat ze niet weet, wat ze met zich
zelf moet aanvangen.”
Edward zag haar even strak verwonderd aan. Hij had er zich nooit
rekenschap van probeeren te geven, waarom Eugénie zoo hatelijk in haar
eigen kring, zoo lief en geestig bij vreemden kon zijn.
„Laat ze dan trouwen, dat is toch het natuurlijkste voor een meisje.
Dan heeft ze bezigheid en afleiding.”
Hilda trok de schouders op, ongeduldig over het eeuwige argument.
„Zij kan toch zoo maar niet eens trouwen, bij wijze van een bezigheid
te zoeken! Er dient zich toch ook eerst een partner voor te doen.”
Edward lachte zijn ruwen lach:
„Ja, dat is waar! Het arme kind! Na al die jaren nog geen man kunnen
vinden, en toch zoo veel kleedgeld, en zooveel lieve lachjes! De jacht
schijnt moeielijk tegenwoordig! Zeker weinig wild.”
Hilda kleurde onder zijn grove woorden, en even had zij lust om weg te
loopen. Toen zeide ze warm: