„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer....

jonkheer .... hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet

hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en

later dacht je toch dat het beter was van niet?”

Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in

kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte.

„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je

van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is

ie heelemaal niet, hoor!”

„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke

dingen te zeggen!”

„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den

laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la

chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere

opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje

Hilda?”

Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te

worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar

gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks

bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens

erg te vervelen.

„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best

gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom

kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van

Hervoren vragen?”

Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat

Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!”

Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje

kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij

gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend:

„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee

te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt.

Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot

philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is

ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme

menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op

dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren,

kreeg ik Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij

weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig

vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn

omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me

zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.”

„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard ..... Enfin

..... hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?”

„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden

zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje

vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen

cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn

geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is

hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar

Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie

tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg

zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar

zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden

voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch

juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg

achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had

ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij

kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden

gezonden.”

„En wat gaat ie nou doen?”

„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar

kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie

hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.”

„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg

Eugénie goedig.

Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan:

„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel

hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie worden, dan

waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.”

„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd

van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.”

Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was

Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij

niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken

had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar

tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk

onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand

hen ooit op die manier verdenken kan!

Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de

conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche

nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje

en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen.

Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit

diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot

verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar

leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte

ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het

middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij

op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien

weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar

omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden,

was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een

ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de

spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme

kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan

dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol

donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan

teleurstelling konden brengen.

Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het

„jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid.

„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de

bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een

plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil

niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge

vrouwenleven zijn!”

Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden

bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken.

Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de

raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich

bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen

vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte

zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij

voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden.

Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend

kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had

het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal

fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach

teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen.

Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar

kleine fauteuils.

„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op de

Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand,

die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne

seconde. Een echte ridder!”

Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden.

„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden,

anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te

worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant

zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.”

Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine

gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo

als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En

terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede

sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de

dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die ....

niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en

convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!”

Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter

het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht.

Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring

van haar eigen beeld.

„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet

heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van

vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die

mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen,

liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in

mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn

huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk

gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal

schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling,

verveling!”

Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met

hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop.

„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en

mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van

kou en leegte en onbevrediging en verveling!”

Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was

veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de

schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden

ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok

en witte das was.

„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang

dat je je weer zoo zult moeten haasten.”

„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals

zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd

„verveling.”

Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag

wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de

antieke parure van amathysten.

Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet.

Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer

edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat

tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak,

maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze

oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had

Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea

drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd,

„want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!”

Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van

Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten.

Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was

niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het

zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts.

Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel

bijzonders, die woorden die daar stonden.

Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist

voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te

rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend

zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje,

ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort,

misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen

aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een

stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het

kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een

equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen,

witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten

parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de

letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar

veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote

dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte

onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een

blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar

beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst.

De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor.

„Is u de freule van Suylenburg?”

„Ja, de dokter wacht mij.”

„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze

thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat het duren zou en

ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is

er ook al, die zou ook komen thee drinken.”

Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een

vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het

wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van

Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule

vandaan?

Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het

huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep.

Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote

bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles

streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde

zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier

weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn,

stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die

was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s

Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk

der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het

verlichtend met haar reinheidsglans.

Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te

Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder.

Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de

weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de

hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd

in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en

vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie

zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht

mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft

geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de

hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre

toekomst, in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de

vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende,

zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t

machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke

wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het

der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje

vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t

sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende

moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den

smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den

mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik

hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden.

Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze

aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong

meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van

kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche

dames met weinig fortuin uitmunten.

Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in

haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had

zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige

stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel

Hollanders is.

Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in

Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis,

begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend

zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen:

„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht

dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u

verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we

dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een

paar onnoozele opmerkingen te zitten wachten tot wij deftig aan elkaar

zijn gepresenteerd?”

Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje

verlichtte. Toen was alle reserve voorbij.

Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten

op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie.

„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg

Hilda naar de Madonna wijzend.

„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.”

„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?”

Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek

gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het

spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen

die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen,

antwoordde zij zacht:

„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke,

omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben

van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een

kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?”

Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan:

„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande

in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat

dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn

twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich

herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn

moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn

vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand

paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig

heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen

leven, mijn arme papa! .... Maar ik bleef alleen achter en leerde voor

mijn examens in een vochtig, kil kamertje bij vuile menschen in den

kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe

leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen

ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof

te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij

zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren

niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en

later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar

ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong

dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en

toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering

en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij

zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en

aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg

opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had

al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar

fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest.

Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt

specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige

opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge

opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant

volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en

begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was

ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den

Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke

menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en

zoo knap was, met liefde zouden overladen.”

Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed.

„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet

meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden

onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog beschermend, de meeste

wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en

den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat

ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een

schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat

ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het

„freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te

volgen.”

„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke

vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s

toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de

brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid

die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden.

„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan

jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.”

De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was

een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen

moest:

„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik

betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op

dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden,

maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij

voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn

wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte,

bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren

oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die

trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme

schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en

verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of

daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om

me toch niettegenstaande alles zoo nauw verwant te gevoelen aan die

machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe

ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het

waren zulke ontzettende jaren.

Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en

jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het

domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen

had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche

familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig

hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag,

maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn

familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over

en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en

zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de

achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik

toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit

raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn

vernedering noemde.

Hilda van Suylenburg · 第 6 / 35 段