als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk
voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als
bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou
een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet
begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om
haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk
geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om
kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge
meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte,
beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik
geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn
weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke
artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik
vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het
zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je
met een enkel woord verstaat en die met je spreekt net als een oudere
zuster! En dan... hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid
spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel
van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is,
moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige
mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk,
onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost,
in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend!
Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed
op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die
’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak
opvat.”
Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over
haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche
woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk.
Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend.
„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo
verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo
vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij
blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!”
Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty
de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om
dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en
Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken.
„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en
Gladys en Hilda volgden.
Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie
schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist
als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde,
die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die
bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en
spiegels van draperieën.
Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij
al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond.
Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek
stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens
begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf
beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit
alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der
fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden
gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos
verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit
alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen
aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in
deze vertrekken zoo beklemmend maakte.
Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang
en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets
frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men
zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van
geboren talentje te stijgen tot kunstenares.
„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat
jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet
alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te
brengen.”
„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.”
Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden
Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van
had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige
opwelling van ernst uit haar leven verbande.
„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht.
Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij
langzaam:
„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke spreuk!
En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch
nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is
zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen
doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van
vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult
zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel
satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met
goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk,
maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd
wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?”
„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te
hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk
beuzelwerk?”
Ottilie lachte en trok even de schouders op.
„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt!
Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze
wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een
beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen,
passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken,
musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou
eenmaal!”
„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt
al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee
aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet
mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?”
Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als
een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte
van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk.
„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid
voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn
tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik
heb het bewustzijn dat niemand dit heele seizoen een mooiere
tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?”
„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw
gaven!”
Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er
bij:
„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je
zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet
wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te
veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel
volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor
werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat
geen hollandsch woord?”
Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar
haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief:
„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige
weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en
zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt
had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar
een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters
had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije
kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan
complimentjes van voorname gasten?”
Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half
gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een
moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd
boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van
namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer:
„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog
vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog
bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping
van de vrouw is om te trouwen en dan haar huishoudentje te doen en een
sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij
nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk
mijn leven... verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?”
Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een
blik op de pendule riep in eens gejaagd:
„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en
kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn,
en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.”
In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de
vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik
verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang
neerglansde over haar reebruin fluweel kleed.
„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht!
Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je
ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en
diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst
als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!”
Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen
naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd.
Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,”
stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer
zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding
van hals en schouders mooi te doen uitkomen.
„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg
hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt
overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar
mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.”
Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden
glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde
bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van
ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een
vreemde ontstemming.
Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden
glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in
’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de
huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol
daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot
haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles
vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t
niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen?
Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot
het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n
onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse
kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij
verlegen telkens op probeerde te bijten.
Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had
zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een
passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op
eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en
Gladys ging met haar mee.
„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast
Gladys voortging.
„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer
aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich
dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte
sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets
waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .... Haar opvoeding,
haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in
dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed
voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot
allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.......”
Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge
man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen.
„Dag Gladys.”
„Dag Maarten.”
„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen
ontmoet!”
„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang
terug?”
„Ik ben nog geen uur in de stad.”
„Wat zie je er goed uit.”
„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?”
Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije
weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda:
„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.”
„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe
gaat het met de kinderen, Glad?”
En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan
van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een
tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend
geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer.
Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel
omgaande met de meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche
manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië
was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat
verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder,
die zeer ziek was, te bezoeken.
Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot
hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude
jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe
vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken
die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders
en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen
aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar
was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid
daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen
en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden.
„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk
toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk.
„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal
me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit
gewerkt heb.”
„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?”
„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met
hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn
hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die
plannen uit te voeren!”
Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam
rekte zich uit met een beweging van groote energie.
Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette,
klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het
blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar
aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet
wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. En het zonderlingste was
dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam
vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar
gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose
licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de
immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden
jongen man.
„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys.
„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel,
mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer
toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor
open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.”
Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even
gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance
geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om
droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen,
en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op.
En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot
haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was
het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar
aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte.
Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het
huis van de familie van Herkelen.
„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen,
maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.”
„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.”
Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat
zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het
was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem al jaren lang kende en
als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout
met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en
gehoord en gevoeld.
Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij
niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op
het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en
het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule,
gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke
stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige
plechtigheid:
„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De
heele familie is in het salon.”
Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht
niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch
ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en
onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem
kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in
voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken.
De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel
met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met
nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig
zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig
geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die
behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen
belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een
paar malen aan kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s
bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke
ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde,
was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk
met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van
haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch
op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen.
Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen
zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon
weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs
geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had
bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en
een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare
humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het
snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos
uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan
weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker
klinkend door het overslaan van zijn jongensstem.
Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op
dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo
het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde
aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn
plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten.
„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze
lachend.
„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen
dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds
gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou
het er al te vervelend zijn geworden.”
„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry.
„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of
later om weg te gaan.”
„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien
ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.”
Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming.
Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan.
„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet
ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn
woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote
jeugd!”
Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren.
„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te
Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.”
Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor
omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde
aan zijn doel om Eugénie woedend te maken.
„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan
het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie
je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden,
vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?”
Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn
oogen waren vochtig.
„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn
toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en....”
„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was
het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het
bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe
Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode,
schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen
vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn
lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week
worden. Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen.
„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel
worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar
Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een
glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die
belangstelling in mijn gezondheid.”
Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn
zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en
vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte
teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept
in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij.
Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat
oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was
die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het
onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het
gemis aan hart?
Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen.
Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een
houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de
stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren
de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en
glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de
onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van
achtelooze zelfvoldaanheid.
En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname
onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een
of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij
zijn frisch, jong gezicht.