haar als hoorde zij de banaal zinnelijke klanken reeds dier oude
theatrale aria’s met hun onware liefdesuitingen. Wat was het vroeger
heerlijk geweest met haar vader in de groote schouwburgen van het
buitenland. Een kleine huivering van enthousiasme doortrilde haar bij
het herinneren van zooveel avonden van intens genieten. Maar in het
begin was het toch ook hier wel aardig geweest! Het kleine gezellige
theater, al die bekende gezichten, het zoet enerveerend gevoel van
bewonderd te worden, gebinocleerd, aangewezen door die menigte daar
beneden in het parket, in de stalles.... zich zoo hoog en voornaam en
mooi te voelen.... Een weeldedrank was het geweest die zelfs haar
sterke gezonde hoofd had doen duizelen. Maar het strenge, weemoedige
gezicht aan den muur durfde zij niet aanzien onder het zich bekennen
dier prikkeling. Had hij dan voor niets haar het mooiste, het beste
leeren kennen, dat zij zich nu nog had laten bekoren door al dat
schijnmooi, en die glanzende wuftheid? O! wat was ze vandaag moe en wee
van dat alles! Wat had zij in al die maanden van uitgaan gehad dat
opwoog tegen een week van haar vroeger leven op reis met haar vader?
Niet één onder al die vreemden tegen wie zij nu maanden lang had
geglimlacht, was haar volkomen sympathiek, er was niemand onder al die
menschen aan wie zij zich had kunnen hechten! En het jonge hart heeft
zulk een smachtende behoefte aan liefde geven, misschien nog meer dan
aan ontvangen. Daar was niemand dan de oude mevrouw Cranz en die arme
Moisette, maar die twee konden haar eenzaamheid niet vullen; eenzaam
was zij, en ontevreden, hongerend naar een vol en rijk leven. Maar hoe
kon zij dat bereiken?
Zuchtend stond zij op, met de bewegingen van een poes, die uit een
diepen slaap komt en lui het lenige lijfje rekt, als om zijn veerkracht
weer te vinden.
Langzaam begon zij haar toilet voor het eten, maar haar moreele
veerkracht wilde niet terugkeeren. „Waarom moet ik me nou weer
aankleeên? Wat beteekent het allemaal? Wat een comedie is het leven!
Daar is toch niemand, die iets om mij geeft, niemand waartegen ik
zeggen kan wat ik denk, of wat ik voel! Als ik vanavond aan iemand iets
liet zien van het beste dat in me is, zouên ze me vervelend of ridikuul
vinden. Bewonderd en gefêteerd te worden, zooals Corry het noemt, is
wel een zoet gevoeletje, maar het laat je toch eenzaam au fond, als de
eerste bedwelming over is. Geen van hun allen bewonderen in mij wat het
heiligste in me is! Het is mijn oppervlakkigste lachje en mijn luchtig
comediewoord dat ze van me vergen, om er zich mee te amuseeren!”
En toen in eens half luid, bekende zij het zich zelf:
„Ik kan het hier nooit uithouên!”
Het was de eerste maal, dat zij onder den druk van zenuwachtige
ontstemming haar onbevredigd voelen duidelijk had uitgesproken. Zij
schrok er zelf even van. Maar wat dan? Waar kon zij heen gaan? Wat zou
ze doen?
Het sloeg half zeven, zij moest voortmaken, maar terwijl ze in groote
haast het blauwzijden kleedje aantrok, klonk in het ruischen van elke
beweging: „Wat moet ik doen? Ik kan het hier toch niet uithouên!” Maar
een antwoord vond ze niet.
Alleen onder het naar beneden gaan, kwam het met bitterheid in haar op:
„van jonge dames werd immers alleen geëischt dat zij zich amuseerden en
er lief uitzagen! Wat wilde zij dan nog meer?”
Bernard Cranz was in de opera de familie van Starren komen aanspreken,
den halven avond was hij bij hen gebleven en had zich bijna uitsluitend
met Hilda bezig gehouden. In het begin had zij zich stroef
teruggetrokken, verlegen tegenover Eugénie, die Cranz daarenboven al
van haar jeugd af kende en duidelijk alle moeite deed om zijn aandacht
tot zich te trekken. Maar toen hij zich telkens weer tot Hilda had
gewend en haar voortdurend in het gesprek had betrokken, had zij zich
op het einde maar gewoon laten gaan. Eus moest dan maar denken wat zij
wilde. Zij kon zich toch niet ridikuul stijf aanstellen tegen dien man
die haar niets had gedaan, alleen omdat de nichtjes haar vanmorgen
leelijke bedoelingen hadden toegeschreven. Als zij nu niet natuurlijk
en beleefd tegen hem was, zou hij nog denken dat zij met hem wilde
koketteeren of zich aanstellen over zijn spotten vanmiddag met haar
emancipatieidees.
Onder het naar huis rijden was er geen woord gesproken. Mevrouw van
Starren en Corry waren verdiept in die geschiedenis met von Görtzen,
die weer druk zijn hof had gemaakt, en Eugénie had haar ergernis in
stilzwijgen gehuld.
Maar den volgenden dag scheen, aan de oppervlakte althans, het
hatelijke stormpje geheel te zijn voorbij gedreven. Er zouden tableaux
vivants bij Valérie Vermaezen gegeven worden en de vraag welk toilet
Eugénie en Corry daarbij zouden dragen had hen allen dien ganschen
morgen weer schijnbaar gemoedelijk in een levendig gesprek vereenigd.
„Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”
vroeg Corry aan de koffietafel.
„Tenminste als je vandaag geen belangrijker bezoeken te maken hebt,”
voegde Eugénie er bij. Haar stem klonk zacht en haar gezichtje was
glad, naïef vriendelijk, en toch welk een wereld van booze, giftige
verdenking lag uitgesproken in dit nauwelijks geaccentueerde:
„belangrijker bezoeken.”
Wee, wanneer het fijne denkweefsel van de vrouw en haar scherpe
instinct van wat wondend en wat balsemend zijn kan, gebruikt worden om
te kwetsen, niet om te sparen.
„Zeker, vandaag wil ik heel graag met je mee gaan,” zeide Hilda
bedaard, maar het bloed steeg toch warm naar haar voorhoofd. De slag
had getroffen, maar zij was machteloos zich te verdedigen, de vijand
was onzichtbaar. In hoevele huisgezinnen zijn niet op deze wijze geluk
en vrede verwoest geworden, hoevele zenuwgestellen niet bedorven door
de onedelmoedige schermutselingen in bedekte termen, waarin vooral de
vrouw zulk een treurig meesterschap heeft verworven.
Intusschen, toen om drie uur de beide meisjes in haar glanzende
equipage op den Bezuidenhout voor het huis van mevrouw van Heemeren
stil hielden, zou niemand iets van een ontstemming geraden hebben.
Beiden, Corry en Hilda hadden het gezicht dat de wereld van haar
eischte, lachend en onbezorgd.
Ottilie van Heemeren was op dat oogenblik een beroemde beauté in haar
kringen. In het begin had Hilda zich volstrekt niet tot haar
aangetrokken gevoeld. Haar ongedistingeerde schoonheid, haar
zonderlinge reputatie, het ruwe in haar optreden soms, vooral als er
heeren bij waren, waren weinig geschikt geweest om Hilda naar een
intiemere kennismaking te doen verlangen, maar onlangs, door een
toeval, hadden zij elkaar op een tentoonstelling in Pulchri ontmoet en
daar in een lang gesprek over kunst, hadden beiden in verwondering
ontdekt dat zij in vele opzichten hetzelfde voelden en dachten, en dit
had haar veel nader tot elkaar gebracht.
Zooals de jonge vrouw verteld had, was haar voorgeschreven een paar
uren in den middag te rusten en in haar overspannen verlangen om vooral
esthetisch te zijn, om alles „mooi te laten doen” om zich heen en alles
weelderig te hebben, had zij in haar boudoir een rustbed opgericht als
voor een oostersche vorstin. De lange smalle divan was geheel bedekt
met een perzisch kleed, kostbaar, met zeldzaam rijke kleuren, een
hoofdkussen van goudgeel fluweel ondersteunde het mooie hoofd met de
vreemde zwarte haren en daarachter donker glanzend vormden
breedbladerige palmen een achtergrond. Een groote, witte berenhuid op
den grond, overal bloemen in kostbare, bonte vazen, spiegels met teer
matte prismas van Venetiaansch glas, zilverige draperieën van
oostersche, dunzijden vrouwensluiers, tallooze kleine bibelots,
meubeltjes Louis XV, een empire schrijftafeltje, waarop groepjes van
Saksisch porcelein, alles wat elegante rijkdom zich aan kan schaffen in
deze eeuw van namaak en stijlloosheid, was er bijeen gebracht.
Op den banalen bezoeker moest het een indruk van groote weelde en
pracht maken, maar voor wie zoeken naar harmonische schoonheid, was al
dit opeengehoopte moois, waarvan de typen elkaar onderling zelfs hier
en daar vijandig waren, bijna een marteling voor de oogen.
Hilda voelde zich bij het binnenkomen even beklemd, als bij ’t inademen
van oververhitte broeikaslucht.
Ottilie stond langzaam op, elk van hare bewegingen bestudeerd, op
effect berekend. Eerst kwijnend loom richtte zij zich overeind op de
rustbank, haar japon met de eene hand optrekkend zoodat men het voetje
met de zwartzijden kous en ’t geelfluweelen muiltje zich licht en
voorzichtig op den berenhuid kon zien neerzetten en toen met een
veerkrachtig opheffen stond ze in eens in haar volle lengte en ging de
meisjes levendig een paar schreden te gemoet.
„Wel dat is braaf en lief van jullie, dat je me komt opzoeken!”
Zij sprak met dat weeke, half uitlandsche accent dat met slappe lippen,
zonder eenige articulatie, gesproken wordt en op dat oogenblik in haar
wereld bon ton was.
„Als je eens wist hoe gruwelijk ik me verveel, als ik hier zoo alleen
lig. Het is haast niet dragelijk.”
„En toch heeft de dokter je zeker voorgeschreven om die paar uren
absoluut rust te nemen, niet waar? zonder iemand te zien, en doen wij
eigenlijk groote contrabande?” vroeg Hilda.
„Eigenlijk wel,” zeide Ottilie lachend, „mais que veux-tu? Het is niet
om uit te houên, en toch moet ik het wel doen, anders ben ik ’s avonds
te doodop om iets weer uit te voeren. Maar zoo’n paar visites mag wel,
mijn doktertje weet ook wel dat ik er anders onder bezwijken zou,
alleen heb ik haar moeten beloven dat ik geen heeren op die uren
ontvangen zou, dat is te druk, begrijp je wel: met heeren is het altijd
lachen en flirten, enfin .... te vermoeiend, en onder dames kun je nog
es rustig over koetjes en kalfjes praten.”
„Geloof je niet dat men met heeren ook rustig en prettig kan praten?”
zeide Hilda.
„Prettig zeker,” zij lachte even een korten schaterlach vol
dubbelzinnigheid—„maar rustig? .... O ja, natuurlijk het kan wel, er
zijn zelfs wel vrouwen, die sociale kwestie en theologie met heeren
bespreken, maar je weet even goed als ik dat haast alle heeren veel
liever zoo’n beetje pikante nonsens met ons praten en hoogstens wat
over kunst fantaseeren en verder wat complimentjes en gekheid. Zoo es
gemoedelijk praten kun je toch niet met ze, of ze zijn weer vervelend.”
Hilda zweeg; zij dacht aan de heerlijke gesprekken met haar vader en
met zoo menigen vreemdeling op reis, en toen weer aan van Gaefden’s
jachtgeschiedenissen eergisteren en aan Bernard Cranz’s voornamen
spotlach en zij begreep dat Ottilie gelijk had, wat betreft het
meerendeel der heeren uit haar kring.
„Maar zeggen jullie me nou eerst es eerlijk en vooral jij Hilda, met je
uitstekenden smaak, hoe vinden jullie mijn kamer? Is het geen gezellig
hokje? Vindt je ’t niet goed van toon? Vindt je niet dat die geele
lapjes brocaat goed doen achter dat ouwe blauw?”
„Ik vind het prachtig, bepaald uniek mooi, voor zoover ik het, met mijn
niet uitstekenden smaak, kan beoordeelen,” zeide Corry half geraakt,
maar toch lachend. Hilda keek rond.
„Wie heeft die mooie bloemen daar geschilderd?” zeide zij ontwijkend,
naar een groot doek wijzend met knap gedane rozen en irissen.
„O, dat heb ik vroeger eens gemaakt, je weet ik schilder zoo’n beetje,
als ik tijd heb en vroeger ben ik hier zelfs op de academie geweest.
Maar dezen winter was het al te druk.”
„Hoe jammer dat je er niet wat meer aan doet,” zeide Hilda in eerlijke
bewondering.
„Ja mijn dokter zegt altijd dat zij wou dat ik mijn fortuin en mijn
.... zooals zij het noemt, mijn schoonheid verloor, dan zou er nog een
flink artist uit mij terecht komen, zegt ze. O! zie je, ze vindt het
afschuwelijk van me dat ik al mijn .... enfin, gaven en al mijn
vermogen gebruik om mij zelf een prettig leventje te bezorgen, zij zou
willen dat ik voor de kunst ging leven en hard werken. Maar och je
begrijpt, daar komt toch niets van, en al die mooie woorden van voor de
kunst of de wetenschap, of de waarheid of de menschheid te leven zijn
veel te hoog voor mijn gewone vrouwenverstand.”
Zij lachte in eens met een vreemde bitterheid.
„Ja, dat begrijp ik,” zei Corry gichelend, „voor de kunst leven! Ik zie
je al Tilie, met ’n oud japonnetje ’s morgens om negen uur door weer en
wind naar ’n atelier trekken.”
„Wie is je dokter, die zulke dingen tegen je zegt?” vroeg Hilda,
peinzend naar de bloemen ziende.
„Natuurlijk Corona van Oven. Ken je haar niet? Ik heb juist hooren
zeggen dat ze lijfarts van de jonge Koningin zou worden. Dat zou wel
aardig voor haar zijn, en voor de Koningin ook, want ze is vreeselijk
knap.”
„Ik heb haar nooit ontmoet, maar ik geloof toch wel dat iemand me haar
es gewezen heeft, ze heeft zoo’n lief gezicht, niet waar?”
„Lief?” zeide Ottilie opgetogen, „nee prachtig! Een mooi, edel gezicht.
Kijk daar op het tafeltje staat haar portret.”
Hilda nam het op en keek er aandachtig naar. Mooi, in de banale
beteekenis van het woord als het samen gebruikt wordt met vrouw: „een
mooie vrouw” was het niet, daarvoor was het gezicht te mager en de mond
een beetje te groot, maar het lange, fijne profiel, het hooge voorhoofd
van zeer edelen vorm en de groote, donkere oogen met hun strengen,
kalmen blik onder de prachtige wenkbrauwen moesten een bijzonder diepen
indruk maken. Hilda zag even op, zoekend naar een woord dat haar
impressie kon weergeven.
„Een .... boeiend gezicht,” zeide zij langzaam. „Ja juist dat is het”
....
Maar op dit oogenblik werd Gladys van Praege aangediend en Ottilie
hield stil om haar theatraal mooie opstaan te herhalen.
„Dag Gladys.”
„Dag Tilie. Dag freule, hoe aardig u hier te vinden. Dag Corry.”
„Ga zitten Glad, en vertel ons iets nieuws.”
Gladys glimlachte. „Dat moet je mij niet vragen, ik kom met
stadsnieuwtjes altijd met de trekschuit, en het eenige nieuws dat ik
zou kunnen vertellen zal jullie niet veel interesseeren.”
„Wat is het dan? Het interesseert me erg!”
„Nou alleen maar dat ze mij gevraagd hebben om presidente van de
vereeniging voor vrouwenkiesrecht te worden en dat ik heb aangenomen.”
„Maar Gladys hoe kom je daar nou bij? Wat ’n idee, en wat zegt je man
er van. Me dunkt dat is niks voor hem.”
„Ja die vindt het ook heel dwaas van me, maar daarom kon ik toch niet
bedanken, niet waar? Ik doe altijd erg graag wat hij prettig vindt en
iets voor m’n eigen plezier zou ik nooit doen als hij het niet
goedkeurde, maar als hij dingen gek en verkeerd noemt, die ik volgens
mijn geweten nuttig en noodig vind, dan kan ik mij toch niet heelemaal
naar hem schikken.”
Zij had het aarzelend verlegen en zoo ootmoedig gezegd dat al de
anderen even lachten.
„O! wat dat betreft, ik schik me al lang niet meer naar wat mijn heer
gemaal goed of verkeerd of gek vindt!” zeide Ottilie met een uitdagend
oplichten in haar zonderlinge oogen. „En ik geloof niet eens dat ik
daarbij juist altijd mijn geweten raadpleeg. Verleden klaagde mevrouw
de Mureaux er ook nog over dat met de tegenwoordige nieuwe idees van
emancipatie de gehoorzaamheid aan den man heelemaal verdwijnen zou.
Maar ik heb haar gezegd: die is er nooit geweest mevrouw! Vroeger
zetten de bijdehandte vrouwen, die zich de weelde veroorloofden om er
een eigen overtuiging en geweten op na te houên ook gewoonlijk haar wil
door. Maar dan moesten ze het dikwijls door allerlei listen en
slimmigheden en pijnlijke compromietjes zien te bereiken, terwijl nou,
dat zij er eindelijk achter zijn gekomen dat haar opinie precies even
veel waarde heeft als die van haar mannen, nou gaan ze meer eenvoudig
en eerlijk haar eigen gang, en dat is voor iedereen wél zoo goed en
prettig, dunkt me!”
Gladys klapte zenuwachtig in haar witgehandschoende handjes en het viel
Hilda ineens op hoe aardig Ottilie kon zijn als ze maar even vergat aan
haar eigen mooiheid te denken.
„Ik vind gehoorzaamheid tusschen twee vrije menschen die zich in liefde
hebben vereenigd een onzedelijkheid,” zeide Gladys in plotselinge
heftigheid. „Men zegt dat het in den Bijbel staat, omdat Paulus heeft
gesproken van den man als het hoofd der echtvereeniging, maar Paulus
was feilbaar, evengoed als ieder ander en natuurlijk had ie nog
allerlei Joodsche inzichten, maar Jezus heeft nooit van die dingen een
woord gezegd! Hij heeft alleen gezegd: Hebt elkander lief, en
natuurlijk als je liefhebt doe je graag en van zelf wat de andere
verlangt, niet waar? Maar als de man b.v. iets eischt wat de vrouw
verkeerd vindt volgens haar eigen geweten en zij gehoorzaamt hem toch,
dan is zij laf en onzedelijk vind ik! of als de vader iets met zijne
kinderen doen wil wat de moeder, volgens haar eigen overtuiging afkeurt
en zij laat hem lijdelijk en gehoorzaam begaan dan is ze een slechte
moeder, en dat is het ergste wat men van een vrouw kan zeggen.”
Er was iets pijnlijks in Gladys’ heftigheid, dat de anderen even stil
maakte. Men kon het aan den klank van haar stem hooren dat dit voor
haar geen koel objectief te behandelen vraagstuk was, maar een dat zij
zelf misschien in tranen doorworsteld had.
„Maar één moet toch de baas zijn,” wijsneusde Corry in een klein,
ongemotiveerd gegichel.
„Waarom? In een gelukkig, in een mooi huwelijk zal niemand verlangen
„de Baas” te zijn, in de gewone huwelijken zal de baas zijn, diegene
die op een of andere manier de krachtigste is, door geldelijke positie,
door knapheid, door willen, door liefde, door koppigheid, door ruwheid,
of enfin door wat dan ook, en het man of vrouw zijn heeft daar niks mee
te maken.”
„Dat is waar!” zeide Ottilie. „Dat wijst zich van zelf uit! Daar kan de
wet toch niks van bepalen! En weet je waarom of ik dat domme artikel in
ons wetboek ook zoo’n dwaze tegenstrijdigheid vind? De wet beveelt de
vrouw te gehoorzamen maar daar is geen een rechter die een vrouw zou
vrijspreken bij diefstal of moord als zij zich beriep op de bevelen van
haar man.”
„En dan,” zeide Gladys zacht met een warme kleur, „hoe plat zou het
huwelijk worden en hoe zou al het mooie en ideale er afgaan als de
vrouw uit gehoorzaamheid datgene geven moest wat alleen waarde heeft
als het komt uit volle, vrije liefde-overgave! Als ik man was zou ik
niets door gehoorzaamheid willen ontvangen wat alleen uit liefde moet
gegeven worden! O! het is een schande voor elk land dat zulke artikels
in zijn wetboek heeft! Toen ik trouwde heb ik ook tegen Frederik
gezegd: gehoorzamen kan ik je nooit! en ’t hinderde me vreeselijk dat
ik niet hardop kon protesteeren toen ze het me op het stadhuis
voorlazen. Ik had net een gevoel alsof ik met een leugen mijn huwelijk
inging.”
„Ik ook,” zeide Ottilie.
„Hemeltje, wat zit jullie vandaag wijs te praten! Kom Hilda, ga je mee?
wij hebben er toch geen begrip van of we willen gehoorzamen of niet,”
zeide Corry.
„Dan wordt het hoog tijd dat je er begrip van krijgt! Maar Hilda moet
eerst nog even m’n atelier zien, wil je? Ik laat je niet zoo dadelijk
weer weg gaan. Toe Corry blijf jij ook nog maar even!”
Ottilie nam vleiend Hilda’s hand, en Corry ging weer zitten, een beetje
ontstemd, want het gesprek had haar verveeld. In haar jong fin de
siècle cynisme vond ze het belachelijk om zoo te zitten zaniken over
gehoorzamen. Het sprak immers van zelf dat men zijn eigen zin deed, als
men de vormen maar in acht nam en een beetje handig was om den man van
tijd tot tijd in het zoete geloof te laten, dat hij toch de baas was.
„En dus Glad, jij bent voortaan: Mevrouw de presidente der vereeniging
van vrouwenkiesrecht! Hemel, wat een lange titel, ik mag wel groote
couverten koopen om je mijn kattebelletjes te zenden.”
„Je moet er mij niet mee plagen Til. Het is voor mij groote ernst,”
zeide Gladys zacht, verlegen.
„Ik plaag je heusch niet. Als je er plezier in hebt waarom zou je niet
presideeren? Vive la liberté, de vrijheid leve! Maar wat moet je nou
doen? Speechen houên?”
„Natuurlijk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.”
Gladys lachte, maar verlegen. Zij behoorde tot de heel dapperen als zij
eens in ’t volle vuur was, maar bij kleine schermutselingen was altijd
haar eerste neiging om weg te loopen en zich te verbergen.
„Wat heb je daar een prachtige fotographie van dokter van Oven!” zeide
zij haastig om ’t gesprek op een ander onderwerp af te leiden.
„Ja, nie waar? Wat lijkt ze goed!”
„Is zij uw dokter ook?” vroeg Hilda.
„Ja zeker! Kent u haar freule?”
„Nee, eigenlijk nog niet, maar ik zou het wel aardig vinden.”
„Wel,” riep Ottilie, „ga op haar spreekuur en consulteer haar over een
of ander kwaaltje.”
„Ik zou niet weten wat ik tegen haar zeggen moest, ik ben zoo gezond
als een visch.”
„Och kom! Ik wed dat je toch hier of daar wel es een zenuwpijntje
hebt!”
„Nee, heusch niet! Ik mankeer nooit iets!”
„Wat een wonder ben je dan! Ik dacht dat alle vrouwen altijd min of
meer sukkelden.”
„Zoo als ’t fransche spreekwoord zegt: la femme est un animal toujours
malade?” spotte Hilda.
„Ja zeker, in ernst, in onzen stand wèl. Ken jij onder onze kennissen
iemand die geen staal of geen middeltjes tegen overspanning noodig
heeft? Bij de volksvrouwen is het natuurlijk iets anders, die zijn te
grof en te plat om onze zenuwen te kennen, maar een dame die niet een
beetje lijdend is, is nou eenmaal niet denkbaar.”
„Dat bewijst alleen dat de hygiëne van onzen stand niet schitterend is,
en ik ben blij dat ik volgens jou dan geene „dame” ben! Maar hoe zal ik
nou kennis maken met dokter van Oven.”
Hilda lachte en nam de Morastaander weer op om het zeldzaam
aantrekkelijke gezicht der jonge doktores nog eens weer te bekijken.
„U zult haar de volgende week op mijn dinertje wel zien,” antwoordde
Gladys, „of liever nà het diner, want ze heeft haast nooit tijd om te
komen eten, maar, als ze dan ’s avonds niet te moe is en haar bezoeken
zijn afgelegd, verschijnt ze nog wel es ’n uurtje.”
„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke
verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie
met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar
vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor
zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als
je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten
dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige
jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter
Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen,
daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .... Het is
toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje ....”
Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe
geposeerd had en antwoordde vinnig:
„Corry, je bent een lief, snoezig meisje, maar je moest niet zulke
idiote dingen zeggen! passe-moi le mot! O! dat eeuwige gezeur over
onvrouwelijkheid! Wie heeft er ooit aan gedacht sinds eeuwen en eeuwen
om pleegzusterwerk onvrouwelijk te noemen! Iedereen is het er over eens
dat dat nu eens een vrouwenwerkje bij uitnemendheid is. En als of niet
doktoressen en pleegzusters precies dezelfde dingen zien en weten en
behandelen! Geloof je dat men door dokterstudies dingen leert, die een
geheim blijven voor de zuster van barmhartigheid die haar heele leven
de vreeselijkste ziekten verpleegt en in de afschuwelijkste
achterbuurten hulp brengt? Trouwens ten eeuwigen dage zijn er immers
vrouwelijke dokters geweest. De moeder van Socrates was een soort
doktores, en in de middeleeuwen waren het eigenlijk alleen de
zoogenaamde heksen, die de macht der kruiden bestudeerden. [1] Maar
toen was het een ondankbaar, zelfs een gevaarlijk werkje om zich in die
dingen te verdiepen en liet men het graag aan de vrouw over.
Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen;
zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het
onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige
betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam
men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons
donc. Wat ’n onzin.”