Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere,

kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk

gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen

de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich

lijnen van goedheid.

„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge

mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene lijkt wel een monnik uit

de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld

heeft en de andere ....? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze

even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van

sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik

der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde

knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden

haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve

mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche

officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik

ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype.

„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme

Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine,

niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten

leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend

Wilte, waar je verleden van sprak?”

„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.”

„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een

mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij

natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen?

Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.”

„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging

werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend.

„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op

den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en

intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als

mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de

plaatsing, zou het kind gered zijn.”

Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een

Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet

kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen om op alle

wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag

ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen

werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den

mond.”

„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg

mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal

vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden

kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en

stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik

moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe

hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.”

„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes

aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de

jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden.

Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het

geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis

trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan

de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke

ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en

aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer

medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u

voor alles zijn brood beschermt?”

Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het

brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een

gezin onderhouden.”

„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd

niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar

zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen

verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen,

heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine

kinderen, juffrouw Spanjaard heeft acht weezen van haar broer en zoo

zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw

rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best

hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij

eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog

brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet,

mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is

tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar

iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij

weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot

moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van

die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan

haar echtgenoot wil geven.”

„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het

huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz,

die zwijgend naar Hilda geluisterd had.

„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door

het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje?

Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het

huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn,

niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel

„vrouwelijk” en lief gaan huishouden!”

„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou

maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg;

je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die

betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.”

„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn

beginsel.”

Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een

stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand

reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn

donkeren blik.

„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,”

zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch,

half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante

wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair

geworden?”

„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor!

Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de

noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de

eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?”

„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit

u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar

stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze

kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.”

Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had

prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend

heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen.

„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn

van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag

getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.”

„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet

iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor

zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen

dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over

vallen.”

„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een

beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen

tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren.

Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van

Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.”

„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen gesproken,

dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij

ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen

studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw

collega’s zou dat geven.”

Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij

als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de

oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen:

„O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet.

Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren

zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik

volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te

zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger

werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve

mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn

machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij

geloofden in zijne superioriteit.

Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat

de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft,

en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken

in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn.

„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel

weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die

er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen

heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten

geweest.”

„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk

beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet

hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u

te weerstaan dan om zijn principes op te geven.”

Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te

toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem

niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd.

„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan,

niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig

dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.”

Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn

complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo

vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte

schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den

ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen

nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in

Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter

dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar

aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite

waard om verstandig mee te praten.

„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens

dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.”

Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de

oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de

hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die

hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan.

„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn,

mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide

Hilda onder het naar huis gaan. En toch ...... er was iets in zijn

oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .... Nonsens, dat

was immers onmogelijk. Zij vond hem vervelend en aanstellerig, met zijn

aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel

goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen

stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich

zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker

een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde

het haar.

Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich

zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar

kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig.

Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz

spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat

bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt,

mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men

onder zoo’n woord verstaat.

Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een

soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden

te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was

vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat

hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten!

Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat

liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde

zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid,

gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting,

schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de

schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt

broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht

wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de

liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders

dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen

zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht?

Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie een woord

van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar

een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid

om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen

aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie

het voorschrijft.

„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een

man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!”

dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo

inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te

houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood

te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en

wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken,

zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in

kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in

plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens,

aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen.

Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden

worden als onder de mannen!

Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen:

Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche

orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de

menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het

slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een

Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een

eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd,

en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in

achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en

helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige

Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der

zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige

tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie en

tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te

voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van

alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster

aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot

sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende

moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele

wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een

krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt:

„Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de

Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet

minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een

Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit

de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar

zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in

kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren;

een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t

begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond

de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide

haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de

stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht

in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den

Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen

beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat

in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg

Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische

afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen

die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht

verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een

staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden,

die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven

dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning een Cosima

Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill

.................

Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men

zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een

aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig

gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover

philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid

hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”!

O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren

excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake

was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in

de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk

zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken,

geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke

exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in

alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur

moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George

Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en

Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en

duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen

deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle

wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één

zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig?

Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf

te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat

verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders

te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar

buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een

zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in

buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen.

Al de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de

gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest

daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu

nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men

haar haar eigen richting had laten gaan!

Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar

hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral

als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken!

Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar

in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend

lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar

binnen.

„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?”

Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril

wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had

Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en

Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld

was plotseling met een damp van hatelijken smaad.

„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken

naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen

om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat

ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch

verschrikkelijk.

Zenuwachtig zag zij op naar het groote portret van haar vader aan den

muur tegenover haar. Maar vandaag gaf het haar geen vrede. Wat zou hij

wel gezegd hebben, als hij geweten had dat zijn „klein meisje” door

zulke nietigheden zich het leven liet verbitteren, dat zij daar stond

te trillen van opgewonden ergernis om een paar booze woorden! „De

groote levenskunst,” had hij eens gezegd, „is om het kleine klein, en

het groote groot te zien. Veel menschen die onverschillig blijven bij

de groote strijdvragen van het leven en luchtigjes omspringen met hun

gezondheid, de opvoeding van hun kinderen, huwelijkskeuze en andere

algemeene belangen, leven soms dagen lang in de grootste woede door een

woord dat zij kwalijk nemen en worden uit hun humeur gebracht door

kleinigheden, die zij zich over een paar maanden zelfs niet meer kunnen

herinneren.” En zoo was immers dit hatelijke kibbelpartijtje van de

nichtjes ook maar een onbelangrijk ietsje, dat zij moest trachten klein

te zien! Maar het was moeilijk, verschrikkelijk moeilijk, want alles

was immers relatief: Als men zijn leven vult met mooie, belangrijke

gedachten en een streven naar een doel waarvoor men zich heerlijk kan

inspannen, worden al zulke kwelpartijtjes een onbeduidend kruisje dat

men trotsch glimlachend dragen kan. Maar als het leven één beuzelarij

is geworden, zooals het hare tegenwoordig, zonder werk, zonder doel,

vol nietige belangetjes, een schakel van miniatuurgewichtigheidjes,

wordt elke kleinigheid een zaak van groote afmeting. Was zij den

laatsten tijd niet telkens uit haar humeur gebracht door een naaister,

die een japon niet op tijd had bezorgd, door avondschoentjes, waarop

men verkeerde strikken gezet had, door een kleur van lint die zij niet

had kunnen krijgen en nu vanmorgen weer door het jaloersche gesar van

de nichtjes? O! zij voelde zich wegzinken in een stroom van nietige

kleinheid.

Vlak bij haar op een stoel lag het blauwzijden kleedje klaar, dat zij

vanavond in de opera zou dragen. In het glanzende blauw der plooien lag

een vage herinnering aan dien lachenden toon, dien zij vanmorgen in de

lucht had gezien, en de lange peau de suède handschoenen streepten dof

tegen het blauw als mollige voorjaarswolkjes. Maar het voorjaarsgevoel

van dien morgen was weg; zij voelde zich bitter ontstemd.

Hilda van Suylenburg · 第 3 / 35 段