aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief
poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen
zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over
haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op
dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige
kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor
salongefonkel geschapen.
Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te
loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men
elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de
conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid
van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er
met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was
vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich
gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk
een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend
heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan
kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en
neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te
ontkomen.
„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over
de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde
bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist
geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het
prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu
getutoyeerd.
„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar
de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het
was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen
jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op
reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen
terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.”
„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg
Hilda.
„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij
is nou secretaris bij de legatie te Londen.”
„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod,
haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen
lach.
„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?”
vroeg Valérie.
„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter
wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar
toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de
tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te
praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook
naar Gladys van Praege?”
Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag
even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we
hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets
in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?”
„Wij gaan ook!”
„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van
Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek
gezichtje.”
„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen
antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een
heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie
wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij
zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is
een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen
familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar
onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel
lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al
weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen
komt er nu ook aan huis. Kent u haar?”
„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag
gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en
kwam ze nergens.”
„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext was, haar
gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar
oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten
gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door
burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.”
„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik
geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte
doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t
doorbrengen is.”
„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan
verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.”
„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda.
„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke
flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei
menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie
je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.”
„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet
aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om
zijn liberale opvattingen.
„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange
tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met
onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op
het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er
in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde
boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij
daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls
gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep
op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even
schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar
nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem
knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste
vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen
werden gefluisterd. Het scheen wel grappig te zijn, wat hij haar nu
juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en
zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van
Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep
tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij
bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van
Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd
zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt
wordt door hun contact.
Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu
vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem
opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van
ontroering.
Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere
lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste
stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch
eigenlijk maar half.
Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich
vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het
banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere
uitdrukking van sympathie.
„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw
allerliefste invitatie.”
„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn
om te komen”......
Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan.
Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge
vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij
ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden
zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes,
die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje
tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken
dag uitgaan?”
„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke gezichtje,
want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale
beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de
lucht te komen. Houdt u van kinderen?”
„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?”
„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij
zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een
blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe
kennismaking.
De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer
vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans
van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas.
Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van
tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken.
Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname
gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd;
maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu
haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen
door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring
verloren.
Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen
fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige,
half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat
als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der
blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed
stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers,
omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets
sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd
verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend,
maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij
terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men
met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te
doen had.
Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast
Ottilie’s exotische schoonheid.
„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig
bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo
niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis,
want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en
dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens
zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook
straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen
zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan
een ander zou vergeven.”
„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met
een tikje leedvermaak.
Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote
vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry
was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en
schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer
op „het onbeduidende kind.”
„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een
paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden
kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje
van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne
misschien niet eens begrijpen.”
„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze
alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei
Corry geraakt.
Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar
ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen!
anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet
waar?”
Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer
binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten,
sprak Ottilie nooit met dames.
Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van
zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van
lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en
het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit
haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat
instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams
in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen
twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn
geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van
haar houdt! Quelle pitié!”
Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de
vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig
voortlachte, lachte zij zelve mee.
„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry
met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal
aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens
ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is
alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de
heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de
valschheid van zoo’n mooi klein nest.”
„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw
Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of
.....
„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep
Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam,
opende ze het couvert.
Lieve!
Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar
arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen
klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid maken mij
veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn
kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen,
om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het
egoïsme eener oude vrouw.
Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen.
Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen
stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen
beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht
dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met
niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet.
En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend
had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe
langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen,
die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf,
gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen
en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes
een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving.
Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame
jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange
leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar
nichtjes.
Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide
oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager
handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend
in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond
voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje
champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de
sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche
romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral dat
jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek
en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden.
„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster,
dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel
aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong
meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston
komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en
heel goed geschreven.”
„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat
het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets
pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.”
„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze
geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou
gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.”
„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!”
zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa
uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel
voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar
van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains
spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga
je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”
„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz
gaan.”
Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet
in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve
zoontje begroeten?”
„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?”
Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie
gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar
aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen?
Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang.
Schijnheilig freuletje! Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet
spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om
haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar,
om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het
hof hebt gemaakt!”
„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb
heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even ....”
Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de
sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen.
„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam
vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou
zijn.”
„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende,
„daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een
briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.”
„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes
door elkaar.
Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om
het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid
die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging
zij de kamer uit.
„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!”
riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach
van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril
stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.”
Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo
waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad,
ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en
Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden.
Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan?
„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke
verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het
is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.”
Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was
al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige
laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog
dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude
vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar
sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht
maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend
blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen
het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de
woning van mevrouw Cranz.
De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog
huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen.
„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen
schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan.
En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den
hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de
stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk
benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur
open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht
dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en
moest binnen gaan.
De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht
bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een
vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen
jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met
een wijzende beweging der hand:
„Mijn zoon; freule van Suylenburg.”
Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend,
en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden.
Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig
freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar,
die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze
bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk
afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw
haar goedig te hulp trachtte te komen.
„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga
zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar
liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te
bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten
houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken
hier naast?”
„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik
ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier
heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.”
En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar
buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij
heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken.
Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de
brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe
kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren
tegenover zoo’n vreemden man! Wat is het toch leelijk van de nichtjes
om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou
mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat
denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.”
„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette
die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.”
„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht
teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je
vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best
troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan
onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en
die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij,
Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht
voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.”
„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,”
zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat
Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te
ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had
haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele
jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie
begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde
zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een
ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar
heftig ontkennen.