Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar

HILDA

VAN

SUYLENBURG

DOOR

C. GOEKOOP-DE JONG VAN BEEK EN DONK.

3e DRUK.

AMSTERDAM,

SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL.

1898.

Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis,

tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten,

alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een

nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen

weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar

was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in

een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets

onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van

den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te

halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was

er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang

terug-verlangen naar huis.

Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween,

zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de

glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag

uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint

van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de

Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange

rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante

najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van

het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos

voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat

oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde

door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar was.

Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de

equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en

de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap

onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel

gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe

helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd

weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan

van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had

geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken.

Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met

grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had

geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten

behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling

van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten

moest.

Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de

kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele

vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen

als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier

spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes

recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk

verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het

glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den

glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig

wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde

uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het

gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren

evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol

goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische

oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van

trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom.

Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong

de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen

gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag

zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot

en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het

heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd

en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om

die vragende, strakke oogen.

Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van

rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt

en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan

aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een

kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het

hartewoord.

Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste

ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader,

die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu

ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven.

„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide

Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch

niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn

man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik

zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de

beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.”

Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar

hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het

met uw gezondheid tegenwoordig?”

„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed

gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.”

Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en

scherp kritische oogen.

„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den

coupé?”

„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk

zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op

hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe

handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden.

„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren

gekomen zijn?”

„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in

Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad

willen geven wat ik hier aanschaffen moet.”

„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar

wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?”

Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en

lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt....”

„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je

moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en

Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent

eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa

wel es een season meegemaakt?”

Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen

kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te

praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies

ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik

eigenlijk nog nooit bijgewoond.”

„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het

toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe

oud ben je nou?”

Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna.

„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij

voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden

gevonden.

Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende

oogen.

Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen

zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk

vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug

getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de

diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na

den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen

als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van

Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit

hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn

dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige

oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen.

Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren

dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar

nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat

over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten

kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt,

moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij

niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover

haar kon aanzien.

Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en

stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al

de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de

bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets

te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar

goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid.

„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om

mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel

wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd

uitziet.”

Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór.

„Daar zul je de meisjes hebben.”

En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij

was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo

iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe

handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het

vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven.

De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend

met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo

naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend,

met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden

zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en

onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee

bewegelijke figuurtjes.

„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was

de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u

nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie

van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk

om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar

door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom

zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het

zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar

oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets

vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen

elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik

trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van

haar te vreezen is.

„Vondt je ’t niet naar om afscheid van buiten te nemen en van die ouwe

huishoudster, hoe heet ze ook weer? juffrouw Betje? Dat is immers zoo’n

trouw familiestuk?”

Eugénie zei het lachend, zonder eenig vermoeden hoe teer het onderwerp

voor Hilda zijn moest. En Hilda dwong zich om rustig te glimlachen. Ze

voelde hoe de tranen, die in eens opzwollen, belachelijk zouden zijn in

zoo’n omgeving.

Eugénie was de oudste, een elegante verschijning, heel aristocratisch

met haar fijn besneden kopje, het cameeachtige teint, de bleek blauwe

oogen en het wazige blond der krulletjes. Zij liet denken aan een lief

miniatuurtje uit het einde der vorige eeuw, maar over het geheel lag

zoo iets afgemats en looms, zoodra ze zich niet tot febriele

bewegelijkheid opwond, dat zij meestal veel ouder scheen dan haar acht

en twintig jaren.

Corry daarentegen met het zachte donkerblonde haar, de witte tandjes

heel klein, tusschen de dikke roode lipjes parelend, de blozende volle

wangen, de heldere diepblauwe oogen met hun kinderlijken opslag, heel

haar type van vleiend schalksch tooneelpagetje, ofschoon zij vijf

uitgaansjaren achter den rug had, zag er jong uit als een

kostschoolmeisje. Op haar sterk gestel hadden de drukke winters geen

sporen nagelaten.

„Kinderen, ’t is al bij zessen, en ’t zal hoog tijd worden dat je je

gaat verkleeden voor ’t eten,” zeide Mevrouw van Starren. „Hilda zal

haar kamer ook wel eens graag willen zien, nietwaar? Wil jij haar den

weg wijzen Eugénie?”

En terwijl zij samen de trap opklommen, heel hoog, want haar kamer lag

op de bovenste verdieping, begon Corry nieuwsgierig te vragen:

„Maar Hilda, wat heb je toch voor zwaars in dien eenen koffer

meegebracht? Gisteren zijn ze allebeide bezorgd en ze staan nou op je

kamer, maar we dachten heusch dat die eene nooit boven zou komen. Je

hebt daar te Suylenburg toch geen goudvelden ontdekt, dat je koffers

vol erts hebt meegebracht?”

„Ja, het was wel erg zwaar geworden, en ’t spijt me als het veel last

heeft gegeven, maar het zijn mijn boeken, waar ik geen afscheid van kon

nemen, en ik hoop, omdat het nog al bescheiden gasten zijn, dat ze hier

dezelfde gastvrijheid zullen vinden als ik.”

„Prachtig gezegd,” zeide Eugénie, klankloos de woorden uithijgende,

want zij was doodop van ’t klimmen.

„Och wezenlijk? zijn het boeken? Die groote zware koffers vol boeken?

Wat ’n massa!” En Corry zag tot haar op in vermakelijke verbazing. Toen

zei ze goedig: „Nou, als je zooveel van lezen houdt, dan hebben wij ook

nog genoeg boeken voor je hier. Eugénie heeft een groote kast op haar

kamer vol romans, want ze houdt ook nog wel es van lezen, maar heel

veel tijd hebben we er eigenlijk niet voor, niet waar Eus?”

Maar Eugénie kon niet antwoorden. Zij stonden nu alle drie boven aan de

trap, en het klimmen had haar zoo aangegrepen dat zij naar adem

hijgend, het duizelend kloppende hoofd geleund tegen den muur, even

moest rusten, vóór zij kon spreken. Hilda zag bezorgd naar het bleeke

gezichtje, maar Corry stelde haar gerust op den luchtigen toon van hen,

die geen zwakte kennen:

„O! ’t is niks, alleen maar ’n beetje bleekzucht! Ze heeft zich de

laatste weken maar wat veel vermoeid met tennissen.”

„Kijk hier is je kamer,” zeide Eugénie, toen ze was bijgekomen, „Corry

en ik hebben onze kamers hier vlak onder, als je dus straks klaar bent

en je wilt even bij ons komen overwippen houden we ons erg aanbevolen.”

„O, maar ze moet eerst es even zien wat dat voor een attentietje is dat

de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen vanmorgen heeft laten brengen,”

zeide Corry levendig, wijzend op een bruin pakje dat op de tafel lag en

zij leunde over Hilda’s schouder, nieuwsgierig om te zien wat er wel

voor den dag zou komen. Het was een zwart klein boekje dat Hilda

loswikkelde uit het bruine papier, een versleten, veel gebruikt Nieuw

Testamentje en voorin lag een briefje waarop de oude dame met haar

energiek ouderwetsch schrift had geschreven:

Mijne lieve Hilda!

Als groet in uwe nieuwe omgeving, kon ik niets beters vinden dan deze

heilige bladzijden, die eenmaal aan uwe lieve moeder hebben toebehoord,

en die mij na haren dood door uw’ vader werden geschonken. Mogen zij

ook u bijstaan in vele moeielijke, gevaarlijke uren die uw jonge leven

nog zal moeten doorworstelen. Kom mij spoedig eens opzoeken. Ik verlang

zeer u te zien.

Uwe oude vriendin,

U. Cranz van Rozenhagen.

„Gut, ik wist niet dat mevrouw Cranz zoo fijn was, ik dacht dat er heel

wat anders in zat,” zeide Corry teleurgesteld.

Hilda zeide niets. Het hartstochtelijk verdriet der vorige dagen bij

het afscheid nemen van al het lieve oude, daar buiten, had haar zenuwen

zoo sterk gespannen, dat het haar was als hingen zij slap neer, niet in

staat onder een nieuwen gevoelsdruk te trillen. Het is soms een milde

compensatie voor de intensiteit van jeugdemoties, dat zij door de

onstuimigheid zelve der gevoelens, een soort moreele bewusteloosheid

nalaten die rust geeft aan het gemartelde voelen. Toch gleed het

vriendelijke woord der oude dame warm balsemend in haar ziel, en kalme,

langzame tranen, heel helder, als van ijskristallen die zachtjes

smelten, vielen neer op het briefje. Zij keek er naar, droomerig,

zonder goed te begrijpen, en zag hoe ze zich uitspreidden als

sterretjes waar de inkt grijzige randjes om heen trok.

Corry ook had de tranen gezien, maar zij hield niet van huilende

menschen, ze was niet op haar gemak als er verdriet in de buurt was, en

stil was zij weg geslopen, en had Eugénie mee genomen, zachtjes de deur

achter zich sluitend.

Toen stond Hilda alleen in haar kamertje en keek naar het oude boekje

en de groote koffers in den hoek, zoo vol gezellige oud bekenden, en in

eens was het als of zij minder eenzaam was dan straks met haar

vroolijke nichtjes.

Reeds als klein kindje had Hilda haar moeder verloren, een jonge, mooie

vrouw, maar wier lichaam te teer was geweest om weerstand te bieden aan

hetgeen het leven van haar geëischt had. Als de dood haar niet in de

eerste jeugd had weggenomen, zou zij een dier begaafde, uitnemend

sympathieke vrouwen hebben kunnen worden, wier leven een verkwikking is

voor allen die haar naderen; nu, op haar negentiende jaar, een paar

maanden na Hilda’s geboorte was zij heengegaan, als had zij aan haar

kindje alles weggegeven wat zij aan levenskrachten bezat. En zoo was

Hilda opgegroeid alleen met haar vader, den ouden baron van Suylenburg,

in het stille groote kasteel in Noord-Brabant, tusschen de geurige

dennebosschen en paarsroode heide, en in die groote vlakten vol

geheimzinnige klanken en kleuren had Hilda veel geleerd, veel wat de

meeste menschen niet kennen.

Behalve enkele privaatlessen die zij ging halen in het naburige stadje,

had zij haar geheele opvoeding van haar vader ontvangen. In zijn jeugd

was hij bij de diplomatie geweest, maar na zijn huwelijk—hij was toen

al in de veertig—had hij zich op het kasteel van Suylenburg terug

getrokken en zich sinds den dood van zijn jonge vrouw uitsluitend aan

zijn arm klein moederloos meisje gewijd, behalve natuurlijk ook aan

zijn plichten van landedelman, waarvan hij een heel hooge opvatting had

en aan zijn lievelingstudiën: historie en staathuishoudkunde.

Het waren gelukkige jaren geweest, de jeugdjaren van Hilda en tot haar

zestiende jaar hadden zij zoo samen eenzaam voortgeleefd. Maar in

Hilda’s hoofdje en hart was onder die omstandigheden een zonderlinge

mengeling gekomen van groote kennis en volkomen onwetendheid, van

naïeve droombeelden en helder zelfstandig nadenken, van gloeiend

enthousiasme voor alles wat mooi en groot was en een totale

onbekendheid met het werkelijke leven, die op den duur gevaarlijk

worden kon. Toen had haar vader gevoeld dat een meisje in den aanvang

van haar jonge leven nog iets anders noodig had dan dit bestaan waarin

hij zelf zich tevreden voelde, hij de geleerde, die nog altijd onder

zijn onherstelbaar verlies gebogen ging. Maar wat moest hij doen? Haar

uit laten gaan in het wuft, bekrompen wereldje der naastbijgelegen

provincie-stad scheen hem een volkomen onmogelijkheid, en nog minder

wenschelijk kwam het hem voor haar bij mevrouw van Starren, zijn zuster

in den Haag te zenden, in dat milieu van onbeduidendheid en genotzucht.

Toen had hij het zware besluit genomen. Hij had het dierbaar rustige

landleven opgegeven en gedurende vier jaren hadden zij overal

rondgereisd. In Parijs en Londen, Rome en al de Italiaansche

lustoorden, in Berlijn en Constantinopel, Athene en Stockholm, in Caïro

en in het grootste gedeelte der Vereenigde Staten, overal hadden zij

rond gezworven, overal schatten verzamelend, schatten van kunde en

genot, van liefde, en bewondering voor het heerlijke dat de natuur

heeft voortgebracht en menschen hebben gemaakt.

Eerst een dringend verlangen naar een rustigen zomer op het eigen

landgoed, had de beide reizigers teruggevoerd naar Suylenburg en daar

plotseling, zonder ziekbed, was Hilda’s vader gestorven.

Alleen, heel alleen was zij achter gebleven, huiverend in de kou van

die gedachte: alleen!

Haar oom en tante in den Haag en hunne drie kinderen kende zij

nauwelijks en toch waren dit nu de eenigen die haar nabestonden.

En als zij nu maar haar eigen verlangen had kunnen volgen en stil op

het kasteel had kunnen blijven, omringd van de naïeve vriendschap van

het landvolk, met juffrouw Betje, haar oude huishoudster, die haar

moeder nog gekend had, met haar grooten hond en haar rijpaard en haar

boeken, bloemen brengend op de stille graven achter in het park en

droomend van een wereld veel mooier dan de werkelijkheid, zij zou er

beter in hebben kunnen berusten, maar mijnheer van Starren, die nu haar

voogd was, kon dezen wensch volstrekt niet begrijpen en drong er met

kracht op aan dat zij, althans voorloopig, bij hem in den Haag zou

komen inwonen. Alles wat zij had kunnen verkrijgen was het eerste jaar

van diepen rouw nog buiten te mogen doorbrengen en hierin was te

gemakkelijker toegestemd omdat zoo als mevrouw van Starren fluisterend

had bekend: „Het wel heel lastig is, zoo’n treurend schepseltje in huis

te hebben als je veel menschen ziet en van vroolijkheid houdt.”

Nu echter was de tijd verstreken en Hilda was gekomen. Den laatsten

tijd, als zij aan hare nieuwe omgeving had gedacht en het jonge leven,

dat zoo krachtig in haar aderen joeg haar prikkelde tot die

nieuwsgierigheid die elk jong schepsel onweerstaanbaar verlangend

voortdrijft naar de toekomst, had zij met een schuldig gevoel die

gedachten verbannen. Het was haar of ze ontrouw werd aan haar

droefheid, als ze zich overgaf aan toekomstbeschouwingen en in een

ziekelijk zich vastklampen aan haar verdriet, dat noch met haar

frissche jeugd, noch met haar veerkrachtige opvoeding strookte, had zij

de laatste maanden doorgebracht.

Toen was de reactie gekomen, heerlijk triomfeerend over het groote leed

dat haar zoo geweldig geschokt had.

„Niet gelukkig zijn is de bestemming van het leven. Arbeiden, nuttig

wezen, zich geven, mooier en rijker maken het gemeenschapsleven, is de

eeuwige wet die elk menschenbestaan beheerscht. Wee over hen die het

niet hebben verstaan, want ten slotte, alleen aan het einde van dien

weg wordt onthuld de geluksmysterie.”

Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros

viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar

vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo

menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk

een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat

vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die

woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een

eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere

gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven

woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het

er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van

haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden

haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef

zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze

naar het boekje in haar hand en ’t kwam in eens weer voor haar geest

met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in

Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn

eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde,

zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie

emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en

breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu

is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje,

want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder,

dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende

vruchten aan de angstigen en uitgeputten.”

Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep

zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid.

Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was

of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet

eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen

gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was

verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en

haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver

van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen?

„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar

den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude

veerkracht gekomen.

De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een

nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch

dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt.

De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best

gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen

harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een

klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van

’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt.

„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een

heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven

waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was

’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven

altijd nog zoo bedroefd waren.”

„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde

opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,”

zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel

gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de

broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat

meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier

volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel

verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar

schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je

niet Henk?”

Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn

tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder

bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen.

Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden

bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn

kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn

kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het

toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in

hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en

toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en

flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen

en weg gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon

vermoeden, onder geleden.

Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen

gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en

naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens

ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem

interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte.

Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was

voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters

een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede

menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars

leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar

toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn

vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische

beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal

dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn

tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.”

Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle

gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn

belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze

overtuiging.

De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer

een waarachtig vader voor zijn dochters zijn!

„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij

lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich

amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben

nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.”

„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n

broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.”

Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en

minachting om zijn grijzen knevel.

„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste

principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour,

enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte

hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van

zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den

loop.”

De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd

voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en

gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het

strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige

toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke

genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen

en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding

kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden.

Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die

veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of

aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en

Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van

haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder,

vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen

was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er

nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal

bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige

verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, die nog naarder

klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge

meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld

dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij

vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij

zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij

artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in

dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst

om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze

menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het

groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven,

verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden,

in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele

menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een

gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid

scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan

wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige,

werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar

ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van

maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten,

die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen

verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden.

Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het

boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het

leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde

haar een beetje.

Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten

haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit

bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te

lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden

in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans

genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes

te werken en ’t feestelijk mooie van lichte zalen vol bloemen en groote

toiletten begon haar te betooveren.

Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren.

„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op

een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al

twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.”

En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg

en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor

heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar

rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn.

Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid

die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze

veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo

heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich

voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te

doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die

verlangens geworden?

Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al

de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles

rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge

meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook

eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en

zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet

amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien

wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze

zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.... Later....!

Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en

zooveel werkkracht verlamd.

Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de nichtjes

over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te

Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van

haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen.

Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen

gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken,

en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n

idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.”

En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd

tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel;

het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond

dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als

alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden

worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de

menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte

niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het

een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders

willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal

excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu

in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan,

en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere

meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!”

En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er

nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar

meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op,

niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en

gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van

diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige

vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep

daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van

onbevrediging.

In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon

was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten

vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te

zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar

eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op

haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel

moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade

te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf

in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe

omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle

bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje

meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn.

De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig

geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe

wereld bekeken.

En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel

genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat

gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen

„een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden

de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze

genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door

bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam

bedwelmend soms over haar.

Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend

meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te

beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer

gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van

diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds

vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der

zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen.

„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie

je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt

me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.”

Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig

langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie

meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons

op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel.

Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als

haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij

rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden

trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere

bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen

in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste

macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie,

dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt.

Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren

wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon

hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte

het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen,

het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste

kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag

dan in rose zijde.

Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t

compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen,

ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een

kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch.....

ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en

dus.... en zat niet Corry naast hem?

Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving

nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd

had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te

houden.

Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef

ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam

weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar

onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry

sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet

duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en

lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom

dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .... rijk, en Rooselaar

had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten

daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles?

Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende

Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan

hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van

Corry maar een spel geweest?

Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van

Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest,

hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over

ernstige dingen.

Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was

en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis

geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem

geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles

nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild

voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke

mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als

Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens

weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer

intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen

dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op

nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten.

Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat

met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij

voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het

zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een

leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef.

„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig

mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik

weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.”

Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog

houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig

jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en

onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren

streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte

ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle

kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet

liever hooge japonnen droeg?

Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar

laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door

de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen.

Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer

met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering

in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend.

„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof

dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak

van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend.

„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd

verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms

zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. Zooals ik nou leef, is

er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden

tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je

aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes

verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen,

die er niet in hooren en me pijn doen.”

„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in

brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?”

„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls

tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo

amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.... leeg, al

die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die

geen inspanning en geen uitspanning is....”

„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed

bekend bent met de menschen en de toestanden en.... dat je meer succès

krijgt....”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die

toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden.

Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend:

„Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste

bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal

plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je

gefêteerd wordt, ben je.... of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer

boven?”

„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.... gelukkig kan

maken?”

Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd

zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om

ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en

dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben

kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.”

„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou

amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en toen met

onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je

achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch

al dien tijd geamuseerd?”

Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming.

„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar

rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij

mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je

weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo

iets te worden en mij ook te bekeeren?”

Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er

zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in

eens tegenover haar staan.

„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend

met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan,

want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.”

En in groote haast voltooiden zij haar toilet.

Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke

rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi

de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te

klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat

rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De

ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige

diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren.

Hilda van Suylenburg · 第 1 / 35 段