De kaasdoek moet met oplettendheid om de kaas gedaan en geregeld

gevouwen worden, daar er anders doekkreuken, een leelijk gebrek,

ontstaan.

De volgende bewerking is het persen. Hoe noodig het is hieraan zijne

geheele aandacht te vestigen, hebben wij vroeger reeds uiteengezet.

Hier willen wij nog een enkel voorbeeld, aan een werk van SCHATZMANN

ontleend, aanhalen, om aan te toonen hoe aanmerkelijke schade kan

ontstaan, wanneer groote en kleine kazen met dezelfde drukkracht geperst

worden. In eene kaasfabriek van het kanton Bern, waar men dagelijks twee

groote kazen maakte, mislukte gedurende den zomer van het jaar 1869

telken reize de tweede kaas. Maanden lang zocht men te vergeefs naar de

oorzaak van dit gebrek. Van heinde en verre riep men fabrikanten van

kaas, veeartsen en andere lieden te hulp, maar alles te vergeefs; geen

van die allen kon aangeven welke fout begaan werd. Eerst laat in den

herfst loste zich het raadsel op; men had, zooals dit in grootere

fabrieken gebruikelijk is, twee persen in gebruik, en de eene was te

weinig belast. Alle kazen, welke onder deze pers kwamen, mislukten, wijl

niet alle weideelen verwijderd werden en er derhalve na kort verloop

blazen op de kaas ontstonden.

Plaatst men de kaas niet behoorlijk onder de pers, dan gebeurt het

dikwijls dat zij, zooals men het uitdrukt, niet toekomt; zij is dan

niet goed gesloten en glad van korst, maar vol openingen, welk gebrek

steeds zigtbaar blijft. Onwillekeurig komen ons hier weder de knijpers

in de gedachte. Waarom loopen de meeste knijpers verticaal? Ook de

scheuren, welke men in oude kaas vindt, loopen bijna zonder uitzondering

evenwijdig met de rigting, waarin de drukkracht der pers gewerkt heeft.

Men komt onwillekeurig tot het besluit dat niet elk deeltje van de kaas

met dezelfde kracht geperst wordt. En dit toch is zoo noodig, zal men

homogene kaas verkrijgen. Volgens de tegenwoordige wijze van werken is

de digtheid of vastheid der kaas in verschillende rigtingen niet

dezelfde. Wil men ons dit toegeven--het is door proeven uit te maken--,

dan zal de werktuigkundige, die eene pers uitdenkt, welke dit gebrek of

niet of minder heeft, zeer zeker den kaasmaker een grooten dienst

bewijzen. Misschien voorkomt hij zoo tevens een ander gebrek, het vormen

van een min of meer verheven rand rondom den volger. Men moet dien rand

nu na het persen met een mes wegnemen: snijdt men te diep, dan geeft men

aanleiding tot een gebrek; neemt men te weinig weg, dan blijft de kaas

misvormd.

Nadat de kaas uit de pers is genomen, wordt de kaasdoek verwijderd; soms

blijft die doek zoo aan de kaas kleven, dat men hem niet weg kan nemen,

zonder de korst te beschadigen, waardoor deze natuurlijk een ruw en

oneffen aanzien verkrijgt. Deze moeijelijkheid voorkomt men het best,

wanneer men den kaasdoek met pekel bevochtigt en eerst daarna om de

wrongel legt. Soms ligt de reden daarin dat de melk al te vet is; in

zulk geval neemt men het gebrek weg door de melk af te roomen.

Hij, die de oude methode van zouten volgt, en dus zijne kazen in pekel

legt, moet toezien dat de oppervlakte zuiver blijft; doet hij dit niet,

dan krijgen de kazen een smerige korst, waardoor het zout belet wordt

in de kaas te dringen. Snijdt men zulk eene kaas door, dan vindt men

dat het hart eene andere kleur heeft dan de bedekkende schaal; in het

hart is geen zout aanwezig. Daardoor wordt de kaasstof in dat gedeelte

ontleed; er vormt zich, na verloop van tijd, daar ter plaatse eene holte

met vocht gevuld, welke grooter wordt en eindelijk naar buiten

openbreekt. Ook de korst blijft in deze gevallen week en brak en

schijnt, als het ware, te vervellen.

Is de kaas met te veel zout bedeeld, dan vormt zich de korst langzaam en

slecht; bevat de kaas te weinig zout, dan is de korst dik en taai als

schapenleder.

Draagt men geene zorg dat de kazen op de borden dagelijks worden

omgekeerd, dan gaat de vorm te loor; zij worden platbodemd. Raken zij op

de borden elkander aan, dan smarten zij en krijgen vlekken.

In groote melkerijen kan men gebruik maken van den mechanischen

kaaswender van BLURTON, beschreven en afgebeeld in het meergenoemde werk

van MARTINY, dl.: II, bladz. 245.

In dit hoofdstuk hebben wij niet over annatto gesproken, noch over de

gebreken, welke kunnen ontstaan uit de aanwending van deze kleurstof,

welke wij, al ware het alleen zindelijkheidshalve, liefst uit de

kaasmakerijen verbannen zagen. Wil men toch annatto aanwenden, dat men

dan de vloeibare stof neme, gewonnen uit de zuivere alcalische oplossing

der kleurstof. De annatto koeken, die in den handel voorkomen, bevatten

behalve de kleurstof nog potasch, soda, koolzuren kalk, kleiaarde en

andere vreemde bestanddeelen, zoo als zeep, vischtraan, enz. Men

begrijpt dat zulke stoffen in de kaas gebragt niet dan schadelijk kunnen

zijn.

Voordat wij van ons onderwerp afstappen, moeten wij nog enkele gebreken

vermelden, waarmede de kaaskooper in het pakhuis te worstelen heeft,

meer dan de boer, die zijn product, zoodra het ter aflevering geschikt

is, naar de markt brengt.

In de eerste plaats komen hier de pokken in aanmerking. Bewaart men de

kaas in een vochtig, al te warm vertrek, dan ziet men dat hier en daar

op de korst witte stippen ontstaan; die stippen breiden zich in omvang

uit en worden dikwerf grooter dan een stuivertje: het is of de kaas op

die plaatsen met dons bedekt is. Veegt men dit dons weg, dan ziet men

dat het soms tot een paar millimeters in de korst is doorgedrongen.

Andere kazen wederom zijn geheel met het dons bedekt. Brengt men dit

onder het microscoop, dan openbaart zich het eigenaardig weefsel der

Zwammen of Fungi. Men ziet sporen met myceliumdraden afwisselen. Geen

twijfel derhalve of dit gebrek wordt door een schimmelplantje te

voorschijn geroepen; het heeft de meeste overeenkomst met het oidium

albicans, dat bij lijders aan witte spruw in de mondholte gevonden

wordt. Hij, die omtrent deze en andere schimmels iets meer wenscht te

vernemen, kan met vrucht raadplegen het keurig werk van den heer

OUDEMANS, leerboek der plantenkunde, tweede deel, bladz. 77 tot 149.

Hij zal daar zien hoe algemeen de schimmels verbreid zijn, en welke

gewigtige rol zij in het huishouden der natuur vervullen, hoe

gemakkelijk zij zich voortplanten en aan welke gedaanteverwisselingen

zij onderhevig zijn.

Bij den mensch kan genoemde schimmel geen weerstand bieden aan den

invloed van borax of van chloorzure kali; wij hebben beproefd deze

schimmel op de kaas te dooden door eene oplossing van genoemde zouten

en het mogt ons gelukken. Daarom evenwel willen wij dit middel niet

aanbevelen; hij, die over een ruim, luchtig, droog lokaal kan

beschikken, daarbij zindelijk en oplettend is en de kaas, zoo noodig,

afborstelt, zal wel zelden grooten last van pokken hebben. In den regel

komen de pokken op de vetste kaas voor; vele handelaars zien daarom niet

op tegen het koopen van kaas, waarop zich hier of daar een wit stipje

bevindt; men zegt zelfs dat zulke kaas in Engeland bij voorkeur gezocht

is.

Schadelijker gebrek is de kanker in de kaas; in tegenstelling met het

vorige komt dit gebrek voornamelijk in schrale kaas voor. De oorzaak is

weder een schimmel, maar een die grooter verwoestingen aanrigt. In het

algemeen veroorzaken schimmels, die op doode organische ligchamen

tieren, daarin scheikundige omzettingen en gistingsprocessen. Dat

schimmels ontledingen in zulke stoffen moeten veroorzaken, volgt daaruit

dat zij aan die stoffen sommige harer zamenstellende bestanddeelen als

voedsel onttrekken. Verschillende Fungi doen dat echter, ook bij

dezelfde stof, op verschillende wijzen. Terwijl de stof, waarop de

schimmels woekeren, te niet gaat, worden er water, koolzuur en ammonia

gevormd. Dat ontledend vermogen der Fungi geeft ook eene verklaring aan

de hand van het welbekende verschijnsel, dat zij met hunne draden en

kiembuizen in allerhande vaste stoffen, zoo als houtige celwanden,

eijerschalen, zetmeelkorrels, kaas, enz., waarin geene optisch

waarneembare poriën zich bevinden, doordringen, en daarin gangen en

spleten maken. Fungi, die op doode organische stoffen leven, bevorderen

de ontleding daarvan op tweeërlei wijze, namelijk 1º door dien zij er,

voor hun eigen onderhoud, vooral koolstof aan onttrekken, en 2º door

dien zij de zuurstof, die, zonder tusschenkomst van Fungi, slechts zeer

langzaam veranderend werkt, op die stoffen overbrengt in een toestand,

die tot hare onmiddelijke verbranding aanleiding geeft.

Naarmate, de kankerschimmel op en in de kaas voortwoekert, wordt hare

zelfstandigheid ontleed in water, koolzuur en ammonia; de laatste werkt

op hare beurt oplossend op caseine en men ziet eindelijk scheuren,

holten en gangen in de kaas ontstaan. Neemt het gebrek, wat meestal het

geval is, op de korst zijn oorsprong, dan is van toepassing, wat wij bij

de pokken opgaven. Volgt men getrouw de voorschriften daar gegeven, dan

zal men het gebrek gemakkelijk meester worden. De boer zal ook goed

doen, wanneer hij niet al den room van de melk neemt; hoe schraler de

kaas, hoe eerder zij onderhevig is aan dit gebrek. Het onderzoek naar de

schimmels toch heeft aan den dag gebragt, dat de aard van het voedsel,

voor de instandhouding der talrijke soorten van Fungi noodig, met die

soorten zelven schijnt te verschillen; althans het is eene bekende zaak

dat talrijke Fungi slechts op een of niet meer dan enkele verschillende,

levende of doode organische ligchamen voorkomen of hunnen vollen wasdom

bereiken. En dat sommige Fungi, hoewel zij op de eene of andere

onderlaag zeer welig tieren, toch nog dikwerf eene andere noodig hebben

om den hoogsten top hunner ontwikkeling te bereiken, staat vast. Dit

alles met voorbeelden op te helderen, zou ons te ver voeren; men zie het

voortreffelijk werk van OUDEMANS, bovengenoemd.

Is in zeldzame gevallen de kiem der schimmels in de melk aanwezig, wat,

hoezeer ons nimmer voorgekomen, toch zeer goed mogelijk is, dan schiet

er niets anders over dan de melk voor het kaasmaken op dezelfde wijze te

behandelen als wij dit voor de rijzers hebben opgegeven. Bij 75° C., en

zelfs iets lager, worden toch volgens de proeven van PASTEUR deze

organische gewrochten in vloeistoffen gedood.

In de pakhuizen zal men veel kunnen doen tot voorkoming dezer gebreken

door alweder de uiterste zindelijkheid in acht te nemen, de kaasborden

te reinigen met loog en chloorkalk of bleekwater, en voor versche lucht

te zorgen. Tot verdere verduidelijking brengen wij hier het geval in

herinnering van dien handelaar, die vele aan gisting onderhevige waren

in een kelder bewaarde en door het herhaalde gisten groote schade leed,

tot hem aan de hand gedaan werd den kelder twee malen 's jaars goed te

reinigen en met chloorkalk te witten. Na dien tijd hield het gisten op,

wijl de kiemen der schimmels onschadelijk gemaakt waren.

Van hoeveel belang het is de grootste reinheid ook in het pakhuis in

acht te nemen, zien wij bij een ander gebrek, waarover wij hier iets

moeten mededeelen. Wij bedoelen de parasieten der kaas en in de eerste

plaats de mijt.

De kaasmijt behoort tot de spinachtige dieren--araneidea--of tot de

gelede dieren met gelede pooten en zonder sprieten. Men noemt de

eigenlijke mijten de zoodanigen, die een week ligchaam, een gespleten

zuigmond, weinig onderscheidbare voelers, geene oogen, maar het ligchaam

met lange, beweegbare tastborstels bezet hebben; de pooten zijn meest

kort, doch van groote zuignappen voorzien. Bij de kaasmijt--Tyroglyphus

Siro L.--zijn het voorste gedeelte van het ligchaam en de pooten

eenigzins roodachtig van kleur, het overige is wit. Men vindt eene

afbeelding van de kaasmijt in het werk: Natuurlijke historie van

Nederland; de gelede dieren door DR. S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. Ook

ROBIN geeft leerzame figuren over de ontwikkeling der acarussoorten in

zijn werk: Traité du microscope, bladz. 755. sqq. Om eenig denkbeeld te

geven van den vorm van dit diertje, hebben wij het in fig. 31 vele

malen vergroot afgebeeld. De teekenaar is niet gelukkig geweest met den

kop van het dier; het heeft nu wel iets van een menschenhoofd, terwijl

het in de werkelijkheid veel gelijkt op een varkenssnuit van ter zijde

gezien.

[Illustratie: (fig. 31).]

Voor het ongewapend oog is de kaasmijt niets dan een beweeglijk punt. De

spinachtige dieren, waartoe de kaasmijt behoort, ondergaan geene

gedaanteverwisseling, gelijk die der meeste insecten; zij verwisselen

echter meer dan eens van huid, en zijn gemeenlijk eerst na de vierde of

vijfde vervelling in staat om te paren, na welken tijd het wijfje

eijeren legt en die door een kleverig vocht uit den mond aan het

ligchaam gehecht medevoert.

Gaat men na hoe taai het leven is in de lagere diersoorten, zoodat men,

om een voorbeeld te noemen, een raderdiertje droogen en gedurende twee

jaren bewaren kan, zonder dat het sterft, ja, op nieuw vochtig gemaakt

lustig voortgaat, dan kan het ons niet verwonderen dat de kaasmijt,

eenmaal in een pakhuis aanwezig, niet gemakkelijk is uit te roeijen. Om

deze plaag te verdrijven zijn door LÖW een groot aantal middelen

aanbevolen; juist dat groote aantal doet het onvermogen kennen, want

heeft men eenmaal een goed, afdoend middel, dan zoekt men niet naar een

ander. STEPHENS, die de middelen van LÖW beproefde, geeft op dat de

eenvoudigste en zekerste zijn sterke hitte--een heet waterbad--en

alcohol. Beide zijn, naar onze meening, in het kaaspakhuis niet te

gebruiken. Wij hebben eenige proeven genomen, maar de tijd was te kort

om het vraagstuk op te lossen. Brengt men tabaksrook of tabakswater op

het objectglas van het microscoop, dan ziet men de mijt weldra sterven.

Misschien dat men na lang zoeken eene geschikte vloeistof zou vinden.

Vooralsnog moet de kaaskooper, evenals de boer, de meest mogelijke

zindelijkheid in acht nemen. Daar men zeker is dat de kaasmijt van

buiten af in de kaas komt, kan hij de kaas ter gelegener tijd

afborstelen, zorgen dat de planken in het pakhuis rein blijven, deze

naar omstandigheden door loog of chloorkalk zuiveren en de muren met

bijtenden kalk witten. BÖTTGER geeft den raad om de kaas met pekel in te

wrijven en na het droogen met olie in te smeeren.

Ook de kaasmade komt van buiten af in de kaas; voor hem, die onbekend is

met de gedaanteverwisselingen der insecten, zal dit waarschijnlijk

vreemd klinken, en zeker die gedaanteverwisseling of metamorphose is het

verwonderlijkste in de huishouding der gekorvene dieren. Een bevruchte

wijfjesvlinder legt eijeren, waaruit rupsen voortkomen, welke geene de

minste uitwendige overeenkomst met den vlinder, waarvan zij afkomstig

zijn, bezitten. Het zijn wormachtige, met verscheidene paren pooten

voorziene kruipende dieren. Zij eten buitengewoon veel, verwisselen

dikwerf van huid, en werpen die eindelijk, als zij volgroeid zijn, nog

eenmaal af, waarop een geheel ander wezen te voorschijn komt, wiens huid

weldra zeer hard en hoornachtig wordt, dat geen ledematen bezit, en,

zonder voedsel te nuttigen, gedurende langeren of korteren tijd in eene

soort van doodsluimer verkeert, bij aanraking alleen de laatste ringen

van het ligchaam heen en weer slaande, doch voorts onbewegelijk. Men kan

echter dikwerf in dien in schijn ongevormden klomp uitwendig, bij

naauwkeurige beschouwing, de schets van den vlinder ontwaren, wiens

deelen op de oppervlakte zijn afgeteekend. Eindelijk barst de schel van

dit popje, zooals men het insect in dien toestand noemt, op den rug

vaneen, en de vlinder kruipt als een gevangene uit de enge cel. Kort

zijn nog wel de vleugels, slap, vochtig en tot vliegen ongeschikt, doch

slechts eene korte poos en zij ontplooijen zich, droogen op, zijn

volkomen ontwikkeld en weldra klapwiekt de vlinder en heeft den hemel

tot huis en de lucht tot woning.

In deze gedaanteverwisselingen der gekorvene dieren noemt men de eerste

gedaante of den eersten toestand dien van het masker, en de insecten

heeten dan rupsen, maden, wormen, enz. De tweede toestand is die der

nimf, waarin men het insect ook pop noemt. In den derden toestand heet

het insect volkomen.

De kaasmade, door LINNAEUS Piophila casei genaamd, behoort met de

kaasvlieg tot de Musciden, de rijkste familie uit de orde der

tweevleugelige insecten. Men vindt haar reeds beschreven bij GOEDAERT en

SWAMMERDAM. Van de made is het algemeen bekend, dat zij, door haar

langwerpig lijf ineen te krommen en dan plotseling weder regt te buigen,

vrij groote sprongen maken kan, en alzoo in een oogenblik over eene

tamelijk lange tafel heen spoedt. Het kleine vliegje is zwart, de

sprieten zijn gedeeltelijk, de pooten geheel rood; de voorpooten hebben

zwarte tarsen, de achterpooten een donker bandje om de dijen. De

kaasmaden--masker en pop--zijn (fig. 32) afgebeeld. Het kaasvliegje zelf

vindt men in het bovengenoemde werk van SNELLEN VAN VOLLENHOVEN; het

neemt daar de zesde figuur op de laatste plaat in.

[Illustratie: (fig. 32).]

Ook de gewone kamervlieg--Musca domestica L.--legt soms hare eijeren op

of in de kaas. Geeft de mijt meestal de voorkeur aan de droogere,

hardere kaassoorten, men vindt de maden meer in weeke kaas of in die,

welke in ontleding dreigt over te gaan. Komen er in harde kazen scheuren

voor, welker wanden vochtig zijn geworden, dan legt de vlieg ook daar

hare eijeren.

Het wormgebrek openbaart zich door een stipje op de oppervlakte der

kaas; op dat plekje heeft de vlieg hare eijeren gelegd. Het stipje wordt

grooter, men ziet de maden te voorschijn komen en bespeurt weldra een

gaatje in de kaas. Is men er spoedig bij, dan kan men de eijeren

verwijderen. Later verwijden sommigen de opening om de maden weg te

nemen en het plekje met peper te bestrooijen. In het klein kan dat nog,

maar in het groot is het onbegonnen werk; het geeft buitendien leelijke

vlekken, waardoor zulke kaas in den groothandel niet gewild is. Neemt

het gebrek toe, dan kan men de wormen hooren knagen; in dat geval is het

nog het best dat men de kaas stil laat staan, haar zeldzaam omkeert en

zoo min mogelijk in de hand neemt. Hoe kouder men de kaas kan houden,

des te minder zal zich het gebrek ontwikkelen; vandaar zet men zulke

kazen laag in het pakhuis, liefst tegen den muur of zoo mogelijk op een

steenen vloer.

Te voorkomen is altijd te verkiezen boven voorkomen te worden; daarom

moet de kaasmaker iets doen om te trachten de vlieg van de kaas te

houden. Het best is nog om de kaas, wanneer zij 14 dagen oud is,

dagelijks met bier en azijn of ook wel met een aftreksel van saffraan

in azijn te bestrijken; daardoor erlangt de kaas tevens spoedig de

zoo gewenschte kleur (ENKLAAR). BROOMANN in Londen bezigt pekel en

wijngeest, waarin spaansche, cayenne en andere soorten van peper zijn

opgelost. De boer verlieze ook hier niet uit het oog dat kaas, welke uit

bedorven melk of uit melk van koeijen, die pas gekalfd hebben, gemaakt

is, meestal later de buit wordt der maden.

In het pakhuis zorge men dat de vlieg zoo weinig mogelijk toegang heeft,

wat men voor een groot gedeelte bereikt, wanneer men het gebouw op

geschikte tijdstippen van den dag laat luchten, op andere gesloten

houdt. Men zoeke, hoe moeijelijk het ook zij, te beletten dat de made

zich van de eene tot de andere kaas begeeft, en neme de meest mogelijke

reinheid in acht. Die reinheid moet zich uitstrekken tot de omgeving van

het pakhuis; mestvaalten, om slechts iets te noemen, trekken de vliegen

aan. In de Industrie Blätter wordt de aandacht gevestigd op de insecten

doodende eigenschappen van het Ledum palustre, de zoogenaamde wilde- of

moeras-rozemarijn. Mag men geloof slaan aan al wat de schrijver ons daar

verzekert, dan is het middel tegen vliegen in de kaaspakhuizen gevonden;

in elk geval is het der moeite waard een proef te nemen met dit kruid.

Ons heeft tot heden de gelegenheid daartoe ontbroken.

Een ander middel zijn de bloemen van Chrysanthemum leucanthemum;

zij zijn zeer werkzaam tegen parasieten van koe en schaap en weren

de vliegen van de kaas af. Op gelijke lijn met het Chrysanthemum

leucanthemum staat het Chrysanthemum segetum. Ook het Pyrethrum carneum

en het Pyrethrum roseum zijn welligt voor dit doel geschikt.

Aangezien het masker of de made en ook de nimf of pop der gekorvene

dieren door de ademhaling met de buitenlucht in verband staan, kunnen

deze maden zonder gewone, gezonde dampkringslucht niet in leven blijven.

Brengt men nu de kaas in een hermetisch gesloten vat, waarin men andere

luchtsoorten, voor de ademhaling geheel ongeschikt, zooals stikstofgas,

koolzuur, waterstofgas, enz., ontwikkelt, dan moet de made afsterven.

Is dit geschied, dan brengt men de kaas in het vooraf goed gereinigd

pakhuis terug, vervangt haar door andere en gaat hiermede voort, tot

alle kaas van maden gezuiverd is. Wij hebben die proef meermalen genomen

en steeds met den besten uitslag.

In het pakhuis van den kaaskooper een luchtdigt sluitend kamertje daar

te stellen, kan weinig bezwaar opleveren. Men regelt de grootte naar het

aantal kazen, dat men op eenmaal zuiveren wil. De luchtdigte sluiting

kan gevonden worden door water, dat in een geul of sleuf staat en waarin

men den rand van het deksel laat zinken. Het vullen met de eene of

andere soort van gas gaat op de bekende wijze, met koolzuur bijvoorbeeld

door eenvoudig een geglommen kool in het kamertje te plaatsen.

Hier zij volledigheidshalve nog vermeld dat vele schrijvers spreken

over giftige kaas; in de annalen der geneeskunde vindt men menig geval

opgeteekend, waarin het gebruik van zulke kaas braking, diarrhee en

darmontsteking te voorschijn riep. Men beweert dat een overmaat van door

gisting ontstane vetzuren de oorzaak van dit gebrek is, en als kenteeken

om zulke kaas van andere te onderscheiden weet men slechts aan te geven

dat de buitenste oppervlakte zuur reageert, terwijl de korst van goede,

oude kaas ammoniac-reactie biedt.

Het kleuren der kaas door tournesol behoort niet tot ons onderwerp. Er

moge iets waars in zijn dat het de kaas tegen ongedierte beschermt en

voor uitdroogen bewaart, zeker is het dat de wijze van bereiding door

urine allerwalgelijkst is. De kaashandelaar bovendien erkent niet het

groote nut van het zoogenaamde tournesollen, daar in den binnenlandschen

handel een proc. meer wordt afgetrokken als de zoogenaamde edammer kaas

gekleurd is; alleen voor buitenlandschen handel heeft deze bewerking

hare waarde. De franschen bijvoorb. verkiezen gekleurde kaas. Gelukkig

voor hen dat men thans meer en meer zijn toevlugt neemt tot de aniline

kleurstoffen, die goed schijnen te voldoen.

Aan het einde van onzen arbeid gekomen, blijft ons over met een enkel

woord te spreken over de photogrammen, welke de verschillende gebreken

der kaas ophelderen. Sommige dezer zijn van waarde voor den boer; de

andere hebben betrekking op kaas, die reeds langer of korter tijd in het

pakhuis verwijlde. Met hoeveel zorg de photogrammen ook bewerkt zijn,

zij laten te wenschen over, omdat zij noodwendig gekleurd moesten

worden, zouden de gebreken welke zij voorstellen goed uitkomen, en dat

kleuren benadeelt de fijnheid van het lichtbeeld.

Op het eerste photogram vindt men 8 figuren; de beide eerste hebben

betrekking op blaauwe kaas. Figuur 1 vertoont haar in doorsnede; fig. 2

vergunt ons een blik op de korst. Behalve de blaauwe vlekken ziet men

hier en daar kankerplekken en schimmels. De kaas zelve is zeer schraal,

van uiterst afgeroomde melk vervaardigd. Ook het model is misvormd.

Fig. 3 en fig. 4 zijn afbeeldingen in doorsnede en op de korst gezien

van schrale hooikaas, welke uit zoogenaamde lestjes is vervaardigd.

Lestjes noemt de boer de kleine hoeveelheden melk, welke bij het

kaasmaken nu en dan overschieten. In den regel zijn die overschotten

goor geworden, en de kaas is bedorven, doodelijk wit, gelijk de figuur

aangeeft.

Fig. 5 stelt een rijzer voor, waarin zich de knijper begint te

ontwikkelen. Deze is inwendig kenbaar aan de snede, welke op onze

afbeelding duidelijk zigtbaar is. Zoo lang de kaas niet doorgesneden is,

herkent alleen het geoefend oor haar als knijper, zooals wij dit vroeger

hebben aangetoond. Ook de kleur laat te wenschen over, daar de kaas te

veel annatto bevat.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 14 / 16 段