Voor wij van de blaauwe kaas afstappen, zij hier nog opgemerkt dat het

gebruik van sommige planten voor de dieren schadelijk is. Zoo zal men de

melk en dus ook de kaas blaauw zien worden na het nuttigen van Anchusa

tinctorea, Peganum harmala, Satyrium nigrum, Polygonum aviculare,

Polygonum fagopyrum (?), Hedysarum onobrychis, Mercurialis annua en

Mercurialis perennis, Isatis tinctoria, Equisetum arvense, enz. Vroeger

gaven wij eene uitvoerige lijst van schadelijke planten. Na het gebruik

van zulk ongeschikt voedsel reageert de melk vaak sterk alcalisch, is

ook wel met bloed of bloedwei gemengd; aan den uijer openbaart zich soms

congestie of eene ligte graad van bloeding, het uitzweeten van

bloedkleurstof, welke men op den bodem van het melkvat terug vindt.

In zeldzamer gevallen is de melk geel of rood, en de kaas uit

zulke melk vervaardigd is natuurlijk hoog van kleur, terwijl ook

de smaak te wenschen overlaat. Men beweert dat er planten en

wortelen--knolgewassen--zijn, welker kleurstof aan de ontleding in het

darmkanaal ontsnapt en onveranderd in de melk overgaat. Het zou hiermede

gaan als met de meekrap en het campeche hout; de eerste, eenigen tijd

gebruikt, zet kleurstof in het beenweefsel af, kleurt de beenderen rood;

de kleurstof van het laatste komt onveranderd in de urine en kleurt haar

rood. Zoo veel is zeker, dat de gele en roode kleuren der melk haar

ontstaan vinden in het gebruik van sommige planten of plantaardige

stoffen, welke wij vroeger hebben opgegeven. Tot deze behooren bijvoorb.

de Galiumsoorten, de Calendula arvensis, Rubia tinctorum, de Orchideae,

Genista tinctoria, Calta palustris, Carthamus tinctorius, Reseda

luteola, enz. Zorgt men dat genoemde planten niet in het voeder

voorkomen, dan zal men van dit gebrek geen last hebben.

Een ander gevreesd gebrek zijn de knijpers. Verkeert men op de

kaasmarkt, dan zal men zien dat de ervaren koopman achtereenvolgens

onderscheidene kazen van den stapel in de eene hand houdt, en met de

andere tegen de kaas een tik of slag geeft. Klinkt de kaas hol, dan

wordt zij voor knijper verklaard, en den boer een zeker aantal procenten

van de opbrengst gekort. Vindt men toch in eene kaas van den stapel een

knijper, dan bestaat het gevaar dat de meeste, zoo niet alle, het later

worden. Soms ontstaat er verschil tusschen kooper en verkooper; in zulk

geval neemt men zijn toevlugt tot eene andere proef, of snijdt men zelfs

de kaas open. De proef is eenvoudig; bestaat er in de kaas eene holte

van eenig aanbelang, dan drijft zij op het water. Maar zinkt de kaas,

dan is daardoor nog niet volstrekt bewezen dat zij niet tot de knijpers

behoort. De scheur in het binnenste der kaas kan slechts gering zijn,

wel door het geoefend oor, maar niet door de waterproef waar te nemen.

In zulk geval neemt men zijn toevlugt tot het doorsnijden. Had de kooper

gelijk, toen hij op het geluid af beweerde dat de kaas tot de knijpers

behoorde, dan vindt men bij het openen een gleuf, welke tot in het hart

der kaas doorloopt; het is of de kaasstof door eenig snijdend werktuig

gescheiden is. Zet men de kaas regt voor zich, dan ziet men dat de

scheur meestal verticaal loopt; horizontale of dwarsche knijpers zijn

zeldzamer.

Laat men de kaas, die dit gebrek heeft, staan, dan vormt zich in de

korst een deuk of geul; men kan zulk plekje met den vinger indrukken

en noemt dan de kaas een vuile knijper. Na eenigen tijd komt daar ter

plaatse eene opening; andere hebben twee openingen, diametraal tegenover

elkander en dezulke worden dubbele knijpers genaamd. Uit de opening

begint een wit, melkachtig vocht te vloeijen; het binnenste der kaas

gaat geheel of gedeeltelijk over in eene brijachtige massa, welke men

rot noemt. Zulke kazen krimpen of zakken ineen, en worden soms met

touwtjes gebonden verkocht. Blijft de korst gesloten, wat zeldzaam

plaats vindt, dan noemt men de kaas met zulk eene holte blinde knijper.

In andere gevallen scheurt de kaas wel open, maar de gevormde holte

blijft droog en wordt langzamerhand geheel met schimmel bedekt. Die

schimmel groeit natuurlijk ten koste der kaasstof; geen wonder dat de

holte grooter en grooter wordt, zoodat, stuit men het proces niet,

alleen de korst overblijft.

In twee gevallen kan men zich bedriegen in de herkenning van het gebrek;

oude, tweejarige kaas toch heeft van binnen meestal een streepje of

sneedje: men zegt van haar dat zij rammelt van ouderdom. Ten anderen

kan de kaas ontsteld zijn, zoo als de boer het uitdrukt, wanneer zij

namelijk in de hitte lang op de markt gestaan heeft. In dat geval meent

men het geluid van de knijper te hooren en bedriegt zich, wijl de lucht,

in de poriën der kaas aanwezig, zich door de warmte uitgezet heeft en

het geluid van de knijper bedriegelijk nabootst.

Op elk tijdstip van het jaar komen knijpers voor, het meest echter

worden zij in de maanden Mei, Julij en Augustus waargenomen. En geen

wonder, dan toch ontwikkelen zich welig de schadelijke planten, welke

wij in een vorig hoofdstuk genoemd hebben. Later in het jaar zijn de

grassoorten overwegend; zij groeijen na het afgrazen gemakkelijker dan

de vroeger beschrevene schadelijke planten. In het najaar heeft derhalve

de koe het meest geschikte en het gezondste voedsel. Naarmate er meer

en andere soorten in de wei groeijen, zal natuurlijk het gebrek van de

kaas erger zijn. Men vergete hier ook niet dat de eene koe krachtiger

verteringswerktuigen bezit dan de andere; wat voor de eene hoogst

schadelijk is, zal aan de andere slechts weinig leed berokkenen. Wij

herinneren ons in een tijdschrift te hebben gelezen dat een boer om de

zes jaren met knijpers te kampen had, en wat was het geval? Vijf jaren

lang kreeg het vee goed en gezond voedsel, het zesde jaar werd gevoederd

met het gewas, dat op een anderen grond groeide. Onder dat gewas kwamen

schadelijke planten, vooral Equisetum voor. Sprekender voorbeeld kan men

wel niet aanhalen. In een ander geval maakte de boer jaren lang

onberispelijke kaas; toen moest hij zijn land verlaten en kon hij op

zijne nieuwe hoeve maar niet dezelfde deugdzame kaas bereiden. Op de

markt werden hem telkenreize knijpers aangetoond. De oorzaak van dit

ongeval zat in een stuk land; onze boer liet het omploegen en na dien

tijd was hij weder gelukkig. Niet te vergeefs zeiden wij bij den aanvang

van dit hoofdstuk dat de intelligente boer niet geheel van kruidkundige

kennis mag verstoken zijn.

Maar ook op andere tijden van het jaar komen knijpers voor. En dat is

niet te verwonderen, als men bedenkt op welke zonderlinge wijzen met de

lebbe-vloeistof of het stremsel wordt rondgesprongen. Wij schrijven het

hier nogmaals af: goede melk, goed stremsel, zuiver zout en geschikte

behandeling zijn de voorwaarden, waaronder men goede kaas maakt, kaas,

die geen knijper wordt en geen enkel ander gebrek heeft. Mogt toch elk

veehouder van die waarheid innig doordrongen zijn!

In een vroeger hoofdstuk hebben wij het stremsel uitvoerig behandeld;

hier derhalve hebben wij er niet op terug te komen, maar willen wij

alleen den wensch uitspreken dat een kundig en regtschapen scheikundige

de vloeistof tegen billijken prijs in den handel brengt. Eene heldere,

scherpzinnige boerin, die melk opkocht en tot 70 kazen in de week

maakte, verhaalde ons onlangs dat zij gedurende eenige weken een groot

aantal knijpers onder hare kazen had; toen zij ander stremsel bezigde,

verdween op eens het gebrek. Een ander boer van onze kennis had de

gewoonte zijne lebben met zure wei uit te trekken; hij klaagde meer

dan een ander over knijpers, maar toen hij afstand deed van dat zuur

bij de bereiding zijner lebbe-vloeistof, had hij geen last meer van

dat gebrek. Bij de bereiding van pepsine volgens de amerikaansche

methode hebben wij gezien dat deze stof met zuur uitgetrokken door pekel

wordt neergeslagen; wat ligt hier meer voor de hand dan aan te nemen

dat hier of daar een deeltje pepsine in de kaas geraakt, en de caseine

op dat punt tot oplossing brengt. En daar de pepsine tot de stoffen

behoort, welke snel ontleed worden, kan het niet verwonderen dat dit

ontledingsproces, eenmaal ontstaan, geregeld voortgaat. Men herkent zulk

geval aan de alcalische reactie, en in alcali is, zooals men weet, de

kaasstof oplosbaar. Voorts vergete men niet dat zure wei behalve

melkzuur nog andere stoffen, welke voor ontleding vatbaar zijn, in

oplossing houdt.

Ook in het zout zit vaak de bron van het gebrek, dat ons bezig houdt.

Wij hebben in een vorig hoofdstuk de eigenschappen van deugdzaam zout

opgegeven, benevens de vele inmengselen, welke in zout van den handel

voorkomen, en van welke sommige zeer schadelijk zijn. Wij behoeven er

hier derhalve niet op terug te komen.

Voegt men overschot van melk, zoogenaamde lestjes, bij elkander, ook dan

loopt men gevaar knijpers te maken.

Uit het hier medegedeelde kan men tevens zien hoe onverstandig het is

naar een specifiek middel tegen knijpers te willen zoeken. Zulk een zal

het gaan als den man, die naar het universele middel tegen alle kwalen

en gebreken uitziet. Waar de oorzaken zoo uiteenloopen, kan geen alles

omvattend afdoend middel worden aangegeven; het voorschrift moet naar

de omstandigheden gewijzigd worden. Alleen dan, wanneer men na uiterst

zorgvuldig onderzoek de oorzaak niet weet op te sporen, zou het

geoorloofd zijn voorloopig tot een empirisch middel de toevlugt te

nemen. Als zoodanig heeft men aangeraden een weinig zout of aluin in

de melk op te lossen; wij voegen hier aan toe dat wij knijpers zagen

verdwijnen, nadat de boerin een kleine hoeveelheid salpeter of ook wel

chloorzure kali in de melk ontbonden had, maar wij herhalen het: de boer

mag niet inslapen, maar moet zoeken tot hij de oorzaak van het gebrek

gevonden heeft. Neemt hij onze aanwijzingen ter harte, dan zal hem dit

meestal niet moeijelijk vallen.

Een ander gebrek van deze soort is, volgens den heer BOUMAN, het

kwaadaardig breken of zoogenaamd kruindraaijen. De oorzaak ligt, volgens

hem, meest altijd in de slechte hoedanigheid der melk van een of meer

koeijen. Zulke melk is doorgaans aan haar ziltigen smaak, onnatuurlijke

kleur en zoogenaamd mager aanzien wel te onderscheiden, en kan het best

door koken of proeven worden ontdekt. Gewoonlijk ligt de oorzaak in een

gebrek in de melkafscheidingswerktuigen der koe. Zulke kaas neemt weinig

zout aan en heeft een zoogenaamd lebbigen smaak. Met dit gebrek, dat wij

niet uit eigen ondervinding kennen, heeft een ander, het zoogenaamd

rijzen, de rijzers, heft of bollekaas veel overeenkomst. In enkele

gevallen bemerkt de boer, die de kaasstof in den vorm kneedt, dat haar

volumen grooter wordt; zij rijst op. In andere gevallen ziet men dat

oprijzen of die vormverandering ontstaan, als de kaas de pers verlaat.

Ook op de kaasborden komt het gebrek voor. Men noemt de rijzers ook

drijvers, wijl zij in water niet naar den bodem van het vat zinken. Een

andere onder kaaskoopers geijkte term is die van mutsenbollen. Behalve

de vormverandering merkt men meestal op dat de korst van zulke kazen

zacht, teer of dun is.

De naaste oorzaak van het gebrek vindt men in de gisting of omzetting

der melksuiker. Uit deze ontstaat eerst melkzuur; dit zuur wordt omgezet

in boterzuur en koolzuur, onder ontwikkeling van waterstofgas, naar het

volgend schema:

2 (C_{3}H_{6}O_{3}) = C_{4}H_{8}O_{2} + 2 CO_{2} + 2 H_{2}.

melkzuur boterzuur koolzuur waterstofgas.

Het koolzuur neemt als gas eene groote ruimte in en verwijdert de

kaasdeeltjes van elkander. Men kan deze gisting vergelijken met die van

het brood, met welke zij de grootste overeenkomst heeft.

Uit de theorie der gisting weten wij dat suikerhoudende

vloeistoffen, moutoplossingen en dergelijken met het schimmel- of

gistplantje--mycoderma vini--bij geschikte temperatuur in aanraking

gebragt, ontleed worden in alcohol, koolzuur en eenige weinige andere

bestanddeelen. Sluit men het vocht af, zoodat het ferment geene

gelegenheid heeft met dit laatste in aanraking te komen, dan blijft ook

de gisting achterwege. De melk nu is eene dergelijke suikerhoudende

vloeistof, uit welke de tartaren in den grijzen voortijd zich reeds eene

soort van wijn wisten te bereiden. Onder bepaalde omstandigheden zet

zich dan ook de melksuiker in alcohol om. Daartoe evenwel is het noodig

dat de deeltjes, de atomen, eene lossere verbinding onderling hebben

aangegaan, zooals wij dit vroeger bespraken, en zooals wij hier de

gelegenheid hebben met een ander voorbeeld op te helderen. De gewone

rietsuiker in water opgelost en met gist in aanraking gebragt wordt niet

in alcohol en koolzuur omgezet, voordat zij eerst eene verandering

ondergaan heeft. Uit de rietsuiker wordt onder den invloed van het

ferment eerst druivensuiker gevormd, en deze splitst zich in de

genoemde zelfstandigheden. Men kan ook door koken met zuur de riet-

in druivensuiker omzetten, maar zonder zulke omzetting heeft er geene

gisting plaats. Bij de gisting van melksuiker wordt eerst een gedeelte

melkzuur gevormd, en dit zuur zet de overige suiker in den voor

alcoholische gisting noodzakelijken toestand om; in de kaas echter

ontstaat geen alcohol, maar boterzuur, zooals wij straks opmerkten, en

koolzuur. Maar er zijn nog andere oorzaken, welke de melksuiker kunnen

veranderen. Voor ons onderwerp moeten wij die oorzaken in de melkkoe

zoeken. Zoo weten wij, bijvoorb., dat de melk van togtige koeijen immer

rijzers geeft; deze barsten soms in den vorm, waarin zij gemaakt worden.

Roomt de boer zulke melk, dan heeft hij minder last van het gebrek: hij

neemt dan toch het gistplantje weg en belet zoo de omzetting. Wijl

echter zulke melk meestal weinig, somwijlen in het geheel geen kaasstof

bevat, kan men haar gemakkelijk van den overigen voorraad afgezonderd

houden.

Ook de melk van koeijen, die op het kalveren staan is niet te

vertrouwen. Wij moeten voorts verwijzen naar hetgeen wij in een

ander hoofdstuk over de gebreken der melk hebben te boek gesteld, en

herinneren hier alleen dat de melkmeid, gedurende den stondenvloed

of de maandelijksche zuivering, liefst niet in de kaaskamer noch het

melkvertrek mag worden toegelaten.

Bestaat er een middel waardoor de vorming van rijzers voorkomen

wordt? Wij meenen die vraag bevestigend te kunnen beantwoorden. Gaat

men in zijne gedachten de voorwaarden na, welke het gistingsproces

vereischt, herinnert men zich de schoone proeven over wijngisting en

wijnverbetering van den franschen geleerde PASTEUR, dan bestaat er

theoretisch geen twijfel of het gebrek van het rijzen wordt voorkomen,

bijaldien men de melk tot 75° C. verwarmt. En de ervaring heeft deze

theorie bevestigd.

Het verwarmen der melk tot 75° C. kan van geen overwegend bezwaar zijn

tegenover de groote voordeelen aan deze handelwijze verbonden. In elke

melkerij komt een tijd dat men de melk geheel of ten deele moet

verwarmen; van daar is in de meeste melklokalen eene inrigting tot

stoken voorhanden, en het eenige onderscheid met de gewone wijze van

bewerken is dat men den geheelen voorraad melk tot die hooge temperatuur

moet brengen. En dit uiterst geval zal wel zeldzaam voorkomen; men kan

toch beproeven eerst alleen die melk, welke wat betreft hare deugd

gronden van twijfel oplevert, tot 75° C. te verhitten.

Om dit verwarmen met de minste moeite te doen, is het goed dat het vat,

waarin zich de melk bevindt, aan een kraan hangt, zooals wij vroeger

beschreven hebben. Drijft er nu op de melk een thermometer, dan heeft

men de kraan slechts te draaijen, als het werktuig 75° C. aanwijst.

Gemakkelijker wijze om het vat boven het vuur te brengen of daarvan te

verwijderen, zal men niet ligt bedenken. Voor hem, die over stoom kan

beschikken, is natuurlijk de zaak nog veel eenvoudiger. Wij hopen dat op

de kleinste boerderij weldra een stoomketeltje worde gevonden; om de

kosten behoeft niemand het achterwege te laten. Hoe sneller men na de

verwarming, waardoor het gistplantje gedood is, overgaat tot het

kaasmaken, des te minder gelegenheid zal er bestaan, dat zich in de melk

op nieuw fermenten ontwikkelen.

Voegt men echter stremsel bij melk van 75° C., dan wordt dit ontleed; op

de verwarming moet derhalve eene afkoeling volgen. Daartoe laat men de

melk door een tinnen slang loopen, die in een vat met koud water staat,

juist op dezelfde wijze als de branders hun alcoholisch vocht afkoelen

en verdigten. Door het meer of minder openen eener kraan regelt men het

afvloeijen van de melk, welke uit het koelvat komend liefst eene

temperatuur van 28 tot 30° C. moet behouden.

Moet er veel heete melk door de slang loopen, dan wordt het water in het

koelvat verwarmd, en men is genoodzaakt koud water bij te pompen en het

bovenste warme water weg te laten loopen. Bij een weinig ondervinding

treft men weldra het vereischte punt. Zorgt men dat het kaasvat

onmiddelijk onder den ketel staat, die de heete melk bevat, en is in

deze een buis met kraan, dan behoeft men de heete melk niet uit te

scheppen; zij loopt bij het openen der kraan onmiddelijk in de tinnen

slang.

Dat men hier meer dan ooit omzigtig moet zijn met het rein houden van

alle gereedschappen, behoeven wij wel niet afzonderlijk te vermelden;

het ligt in den aard der zaak, omdat fermenten zoo gemakkelijk aan onze

aandacht, aan ons oog ontsnappen.

In den jongsten tijd heeft men salicylzuur in den handel gebragt; dit

zuur doodt, volgens opzettelijk genomen proeven, bacterien, en behoort

daarom tot de desinfecterende middelen. Het is kleurloos en zonder reuk,

redenen waarom men het beproeven kan tegen het gebrek dat ons op het

oogenblik bezig houdt: welligt dat een duizendste bij de melk gevoegd

reeds voldoende is. De aanwending van salicylzuur is zeker gemakkelijker

dan het verwarmen der melk.

Bij blaauwe kaas zou men tot het hier genoemde middel mede zijn toevlugt

kunnen nemen; wij weten toch dat fermenten in vloeistoffen bij 75° C.

ontleed worden. Heeft men gevonden welke koe blaauwe melk geeft, dan is

de taak nog eenvoudiger, daar men dan alleen die melk op 75° C. te

brengen heeft. Men vergete hier echter niet dat bij blaauwe kaas ook

twee momenten in het oog moeten worden gehouden: 1º. is de melk

afwijkend; 2º. komt er uit de kaaskamer ferment in die melk. Wil men de

proef nemen om zulke melk te verhitten, dan mag men daarom het reinigen

van het kaaslokaal, zooals wij dit vroeger beschreven hebben, niet

achterwege laten. Zonder dat loopt men gevaar dat het ferment zich in de

verhitte melk na de bekoeling op nieuw ontwikkelt. Ook hier kan het

salicylzuur welligt goede diensten bewijzen.

Het middel, dat wij hier aan de hand geven, voorkomt het rijzen. Heeft

men kazen, die dit gebrek hebben, dan schiet er niets anders over dan

haar zoo koel mogelijk te bewaren. De koude toch belemmert de gisting,

doet die soms geheel ophouden. Daartoe legt men de kaas op een droogen,

kouden steenen vloer, en steekt er met een breinaald eenige gaatjes in,

om het koolzuur gelegenheid tot ontsnappen te geven. Vermindert de

hitte, dan houdt ook het rijzen op.

Voor wij van dit gebrek afstappen, willen wij nog in herinnering brengen

dat het bijvoegen van een weinig keukenzout, salpeter of chloorzure

potasch bij verdachte melk meermalen goede uitkomsten heeft opgeleverd.

Daarom evenwel verwaarlooze men de koe niet, en trachte men, voor zoo

verre dit in onze schaduwlooze weiden geschieden kan, nadeelige

invloeden van haar af te weren.

In een vorig hoofdstuk hebben wij over gistende, bedorven of goore melk

gesproken. De kaas uit zulke melk bereid is ook goor; zij heeft een

gerimpelde korst en wordt om dat gebrek rimpelkorst genaamd. Deze kazen

zijn in den handel bekend onder den naam van oude wijven. De boer

voorkomt gemakkelijk dit gebrek door uiterst zindelijk te zijn en acht

te geven op de andere oorzaken, welke wij vroeger hebben opgegeven,

toen wij over bedorven melk handelden. Hij raadplege vooral ook den

thermometer, want wordt de kaas te warm gemaakt dan kunnen er

rimpelkorsten ontstaan. Ontwaart men bij het snijden of doorhalen der

kaasstof dat niet alle caseine zinkt, maar dat er eenige stukjes op de

wei blijven drijven, dan is dit een kenbaar bewijs dat er onzuivere melk

onder den voorraad is. Onderzoekt men bij het melken naauwkeurig elk

dier, dan zal men weldra de koe vinden, welke zoogenaamde kwade melk

geeft. Men kent die melk daaraan, dat er velletjes of vezelachtige

stukjes op drijven; zij verraadt zich ook wel door eene blaauwachtige

kleur, door dunne zelfstandigheid of een onzuiveren niet zoeten smaak.

Het kan zelfs gebeuren dat drie spenen der koe gezonde melk geven, en

uit de vierde de zieke melk haren oorsprong vindt. In zulk geval is een

gedeelte van den uijer ziek. Men ziet uit dit voorbeeld alweder hoe

noodig het is naauwgezet en oplettend te zijn. Het goed melken der

koeijen is eene eerste vereischte tot het bereiden van goede kaas.

Het is misschien hier de plaats om een enkel woord over de scheimelk in

te voegen; dien naam geeft men aan melk, die gemolken wordt uit koeijen,

welke van den stal komende eenige dagen in de weide zijn geweest, of in

den herfst uit de weide op stal komen. Zij levert derhalve noch zuivere

hooi- noch zuivere grasboter. De kaas uit zulke melk daargesteld is

gewoonlijk zacht en minder deugdelijk; om die reden werkt de boer er

vaak anijszaad door, en maakt er voor eigen gebruik zoogenaamde

kruidkaas van.

Tot heden zagen wij hoe gebreken in de kaas ontstaan door het gebruik

van minder deugdelijke melk, van ongeschikt stremsel of onzuiver zout;

tot eene andere klasse van gebreken moeten wij die brengen, welke in

verkeerde of minder goed in acht genomen bewerking hunnen oorsprong

vinden. Zij zijn, zegt BOUMAN in zijn oud, maar nog niet geheel

verouderd werkje over het kaasmaken, niet altijd even gemakkelijk aan te

wijzen. Zal de kaasmaking goed worden behartigd, dan is zindelijkheid

wel een eerst vereischte, vervolgens oplettendheid met een aanhoudenden,

opmerkzamen ijver, onvermoeide lust en belangstelling.

Laat ons hier, met het oog op die gebreken, nogmaals nagaan hoe kaas

gemaakt wordt. De melk, geroomd of niet, moet een bepaalden graad van

warmte hebben. Is de melk te koud, dan gaat het stremmen langzaam,

ongeregeld; de kaasstof is week, zwammig; de gevormde kaas wordt te

spoedig rijp en kan niet bewaard worden. Werkt men bij te hooge

temperatuur, dan zou zich het geval kunnen voordoen dat het stremsel

door de warmte ontleed en werkeloos werd. Maar al is de warmtegraad

juist niet zoo hoog, hij kan toch veroorzaken dat de kaasstof te digt

wordt.

Bij de warme melk wordt nu het stremsel gedaan; de gebreken van dit

laatste en de wijze om daarin verbetering te brengen, hebben wij vroeger

uiteengezet. Neemt men te weinig stremsel, dan heeft men verlies van

kaasstof, neemt men te veel, dan krijgt de kaas een onaangenamen,

lebbigen smaak. Gunt men het stremsel den noodigen tijd niet tot zijne

werking, dan is de aard der kaasstof, hare digtheid, haar vermogen van

zamenhang gebrekkig. Iets dergelijks merkt men op, wanneer men het

doorhalen of snijden niet met de vereischte omzigtigheid bewerkt. De

kaas mist dan die vastheid en deugdzaamheid, welke zij behoort te

bezitten. Zij blijft voortdurend week of slap, en zakt op de borden in,

zoodat zij een platte gedaante aanneemt.

Wordt de wrongel niet voldoende van de wei bevrijd, wordt zij haastig en

dus slecht gekruimeld, dan blijven er te veel weideelen in de kaas. De

melksuiker in die wei opgelost zet zich langzamerhand in boter- en

koolzuur om, en het laatste geeft holten in de kaas. De teruggebleven

wei of portel veroorzaakt op dergelijke wijze de zoogenaamde

pruttelgaatjes of pissertjes.

Heeft men bij het keeren van de kaas in den vorm het opbreken der

wrongel of verzuimd of niet diep genoeg verrigt, dan loopt men gevaar

dat de kaas na het opdroogen scheurtjes op den bodem zal hebben, welk

gebrek bekend is onder den naam van sprongetjes op den bodem. In den

handel heeft zulke kaas altijd minder waarde.

De kaas komt nu in den vorm. Af te keuren is het bezigen van oude en

misvormde werktuigen, zoo als kaasnappen, die afgebrokkeld, te wijd of

te ondiep zijn; kaasdoeken, die te groot, te belapt of gescheurd zijn;

kaaszetters, die het goede fatsoen missen, enz.

Handboek voor den kaasmaker in Nederland · 第 13 / 16 段